Het conflict tussen twee koningen

Inleiding

Dit deel beschrijft het conflict tussen twee rivaliserende koningen die destijds geografisch gezien ten noorden en ten zuiden van Israël en Juda lagen. De profeet Daniël ontving de informatie over dit conflict via de engel Gabriël.

Het was belangwekkende informatie omdat ze van invloed was op Gods volk maar ook omdat ze vooruit wijst naar het 'einde van het tijdperk' en de komst van Gods koninkrijk, iets waar wij als gezalfden reikhalzend naar uitzien omdat dit onze bevrijding betekent van de maatschappij die in al haar facetten door de Tegenstrever wordt gecontroleerd en beheerst.

Profetieën met betrekking tot de opkomst en val van koningen vormen echter louter het kader waarbinnen de lotgevallen van Gods volk zijn geplaatst. Het accent ligt dus eerder op het laatste dan op complete historische beschrijvingen van de bijbelse grootmachten. Die beschrijvingen zijn in de bijbel zeer accuraat en geschiedkundig juist maar duiden alleen die zaken voor zover ze betrekking hebben op Gods volk. Dit is dan ook de aanpak die we hier zullen volgen.

Het conflict tussen de beide koningen in een beknopte tabel

Volgordelijk en zeer beknopt vinden we hieronder de samenvatting in een tabel:

Koning van het noorden

Koning van het zuiden

1

Het Perzische rijk

Het Griekse rijk (Alexander de Grote)

2

Syrië (Diadoch: Seleucus I Nicator) [1]

Egypte (Diadoch: Ptolemaeus Lagus) [1]

3

Het Romeinse rijk

Egypte

4

Het Romeinse rijk [2]

-.-


[1] Het Griekse rijk valt na de dood van Alexander de Grote uiteen in vier hellenistische delen (diadochen): Ptolemaeus Lagus, Cassander, Lysimachos en Cassander. De twee sterkste koningen blijven over: Seleucus I Nicator (Syrië) en Ptolemaeus Lagus (Egypte).
[2] De koning van het noorden, nog altijd vertegenwoordigd door het Romeinse rijk, heeft nu geen rivaal meer.

Uitvoerige beschrijving van het conflict

Hieronder volgt eerst een gedetailleerde beschrijving van het conflict tussen deze twee koningen om het onderwerp in het juiste perspectief te plaatsen en context te bieden voor de specifieke onderdelen die verderop in dit deel zullen volgen. In die onderdelen zullen we proberen de belangrijkste zaken uitlichten die in de beschrijving worden gegeven en die betrekking hebben op de mensenzoon en zijn volk.

Voor deze beschijving hebben we gebruik gemaakt van een deel van het boek Schenk aandacht aan Daniëls profetie, de diepte studies van Matthew Henry, Commentary on the Whole Bible (Complete) en Keil & Delitzsch Commentary - Online Bible Commentaries

Het gedeelte uit de publicatie Schenk aandacht aan Daniëls profetie is een eenvoudige en meer verhalende beschrijving en we hebben daarom het grootste deel van de inhoud overgenomen met uitzondering van het speculatieve gedeelte daarna en waar nodig met correcties en verklaringen. Vrijwel zeker hebben de auteurs van deze publicatie gebruik gemaakt van bovenstaande en andere bronnen.

De publicatie projecteert naar onze mening ten onrechte een deel van Daniëls profetie op de moderne tijd door te suggereren dat de koningen van het noorden en zuiden nog steeds verwikkeld zijn in hun strijd. Een cruciaal probleem hierbij is dat Juda en Jeruzalem - dat in de profetie van Daniël de zetel van Gods regering voorstelde - niet langer bestaat. De huidige staat Israël is een seculiere staat gegrondvest door de Rothschilds. Daarnaast werden de 12 stammen van Jacob dusdanig verstrooid, dat niet meer is vast te stellen wie tot welke stam behoort.

Tegen het koninkrijk Griekenland

De engel die met Daniël sprak zei het volgende:„in het eerste jaar van Darius de Meder [539/538 v.Chr.] stond ik op als een versterker en als een vesting voor hem” (Daniël 11:1). Darius leefde niet meer, maar de engel gebruikte zijn regering als referentiepunt. Deze koning had Daniël uit de leeuwenkuil laten halen. Darius had ook verordend dat al zijn onderdanen Daniëls God moesten vrezen (Daniël 6:21-27). Maar degene voor wie de engel opstond om hem steun te verlenen, was niet Darius de Meder maar degene met wie de engel samenwerkte, Michaël — de vorst van Daniëls volk. (Vergelijk Daniël 10:12-14.) Gods engel verschafte deze steun toen Michaël met de demonenvorst van Medo-Perzië streed.

Gods engel vervolgde: „Zie! Nog drie koningen zullen er voor Perzië opstaan, en de vierde zal grotere rijkdom vergaren dan alle anderen. En zodra hij sterk is geworden in zijn rijkdom, zal hij alles in beweging brengen tegen het koninkrijk Griekenland” (Daniël 11:2). Wie waren deze heersers?

De eerste drie waren Cyrus de Grote, Cambyses II en Darius I. Aangezien Bardiya (of misschien een bedrieger, Gaumata) slechts zeven maanden regeerde, neemt de profetie zijn korte regering niet in aanmerking. In 490 v.Chr. trachtte de derde koning, Darius I, een tweede maal Griekenland binnen te vallen. De Perzen leden echter een zware nederlaag bij Marathon en trokken zich naar Klein-Azië terug. Hoewel Darius zorgvuldige voorbereidingen trof voor een verdere veldtocht tegen Griekenland, is het hem niet gelukt die ten uitvoer te brengen voor zijn dood vier jaar later. Die onderneming zou toevallen aan zijn zoon en opvolger, de „vierde” koning, Xerxes I. Hij was de koning Ahasveros die Esther huwde. — Esther 1:1; 2:15-17.

En inderdaad ’bracht Xerxes I alles in beweging tegen het koninkrijk Griekenland’, dat wil zeggen de onafhankelijke Griekse staten als groep. „Aangespoord door ambitieuze hovelingen”, aldus het boek The Medes and Persians — Conquerors and Diplomats, „trok Xerxes I te land en ter zee ten aanval.” De Griekse historicus Herodotus schrijft in de vijfde eeuw v.Chr. dat ’hiermee vergeleken elke andere expeditie in het niet valt’. Zijn verslag zegt dat het aantal opvarenden op de schepen „neerkwam op in totaal 517.610 man. Het voetvolk bedroeg 1.700.000 man; het aantal ruiters 80.000; waarbij nog opgeteld moeten worden de Arabieren die op kamelen reden en de Libiërs die in strijdwagens vochten, en die stel ik op 20.000. Het totaal aan manschappen in het leger en op de schepen komt bij elkaar dan ook op 2.317.610 man.”

Mikkend op niets minder dan een totale overwinning zette Xerxes I in 480 v.Chr. zijn enorme strijdmacht tegen Griekenland in beweging. Slechts tijdelijk tegengehouden door een vertragingsactie van de Grieken bij Thermopylae verwoestten de Perzen Athene. Bij Salamis leden zij echter een verschrikkelijke nederlaag. Nog een Griekse overwinning vond plaats bij Plataeae, in 479 v.G.T. Geen van de zeven koningen die in de volgende 143 jaar na Xerxes op de troon van het Perzische Rijk zaten, voerde nog strijd op Griekse bodem. Maar toen stond er een machtige koning in Griekenland op.

Een groot koninkrijk in vieren gedeeld

Een machtige koning zal stellig opstaan en heersen met omvangrijke heerschappij en doen naar zijn wil”, zei de engel (Daniël 11:3). De twintigjarige Alexander ’stond op’ als koning van Macedonië in 336 v.Chr. Hij werd inderdaad „een machtige koning” — Alexander de Grote. Geïnspireerd door een plan van zijn vader, Philippus II, veroverde hij de Perzische provincies in het Midden-Oosten. Na de Eufraat en de Tigris overgestoken te zijn, verstrooiden zijn 47.000 man een 250.000 man van Darius III bij Gaugamela. Darius vluchtte daarop en werd vermoord, waarmee de Perzische dynastie eindigde. Griekenland werd nu de wereldmacht en Alexander ’heerste met omvangrijke heerschappij en deed naar zijn wil’.

Alexanders heerschappij over de wereld zou van korte duur zijn, want Gods engel voegde eraan toe: „Wanneer hij opgestaan zal zijn, zal zijn koninkrijk verbroken worden en naar de vier windstreken van de hemel verdeeld worden, maar niet aan zijn nakomelingschap en niet naar zijn heerschappij waarmee hij geheerst had; want zijn koninkrijk zal uitgerukt worden, en wel voor anderen dan deze” (Daniël 11:4). Alexander was nog geen 33 jaar toen een plotselinge ziekte hem in 323 v.Chr. in Babylon het leven kostte.

Alexanders enorme rijk ging niet over op „zijn nakomelingschap”. Zijn broer Philippus III Arrhidaeus regeerde nog geen zeven jaar toen hij in 317 v.Chr. werd vermoord op aanstichten van Olympias, Alexanders moeder. Alexanders zoon Alexander IV regeerde tot 311 v.Chr., toen hij de dood vond door de hand van Cassander, een van zijn vaders generaals. Alexanders onwettige zoon Heracles trachtte in zijn vaders naam te regeren maar werd in 309 v.Chr. vermoord. Zo eindigde de lijn van Alexander en verdween „zijn heerschappij” uit zijn familie.

Na Alexanders dood werd zijn koninkrijk ’naar de vier windstreken verdeeld’. Zijn vele generaals ruzieden onderling en probeerden zoveel mogelijk gebied in handen te krijgen. De eenogige generaal Antigonus I aasde op heel Alexanders rijk, maar hij sneuvelde in een veldslag bij Ipsus in Frygië. In het jaar 301 v.Chr. waren er vier van Alexanders generaals aan de macht in het enorme gebied dat hun aanvoerder had veroverd. Cassander regeerde over Macedonië en Griekenland. Lysimachus verkreeg de macht over Klein-Azië en Thracië. Seleucus I Nicator verwierf Mesopotamië en Syrië. En Ptolemaeus Lagus bemachtigde Egypte en Palestina. In overeenstemming met het profetische woord was Alexanders grote rijk verdeeld in vier hellenistische koninkrijken, zie De Diadochen, de strijd tussen de Griekse generaals of diadochen na de dood van Alexander de Grote.

Twee rivaliserende koningen

Een paar jaar nadat Cassander aan de macht was gekomen, stierf hij en in 285 v.Chr. nam Lysimachus het Europese deel van het Griekse Rijk in bezit. In 281 v.Chr. viel Lysimachus in de strijd tegen Seleucus I Nicator, waarmee Seleucus de macht kreeg over het grootste deel van de Aziatische gebieden. Antigonus II Gonatas, een kleinzoon van een van Alexanders generaals, besteeg in 276 v.Chr. de troon van Macedonië. Mettertijd werd Macedonië afhankelijk van Rome, en in 146 v.Chr. was het een Romeinse provincie geworden.

Slechts twee van de vier hellenistische koninkrijken bleven nu van belang — een onder Seleucus I Nicator en het andere onder Ptolemaeus Lagus. Seleucus was de grondvester van de Seleucidendynastie in Syrië. Onder de steden die hij stichtte, bevonden zich Antiochië — de nieuwe Syrische hoofdstad — en de zeehaven Seleucië. De apostel Paulus onderwees later in Antiochië, waar de volgelingen van Jezus voor het eerst christenen genoemd werden (Handelingen 11:25, 26; 13:1-4). Seleucus werd in 281 v.Chr. vermoord, maar zijn dynastie regeerde tot 64 v.Chr., toen de Romeinse generaal Gnaeus Pompejus van Syrië een Romeinse provincie maakte.

Het hellenistische koninkrijk dat van de vier het langst bleef bestaan, was dat van Ptolemaeus Lagus, of Ptolemaeus I, die in 305 v.Chr. de titel koning aannam. De Ptolemaeïsche dynastie die hij grondvestte, bleef over Egypte regeren tot ze in 30 v.Chr. viel voor Rome.

Uit de vier hellenistische koninkrijken kwamen dus twee sterke koningen te voorschijn — Seleucus I Nicator over Syrië en Ptolemaeus I over Egypte. Met deze twee koningen begon de lange strijd tussen „de koning van het noorden” en „de koning van het zuiden” die beschreven staat in Daniël hoofdstuk 11. Jehovah’s engel liet de namen van de koningen ongenoemd, want de identiteit en de nationaliteit van deze twee koningen zouden in de loop van de eeuwen veranderen. Met weglating van onnodige details noemde de engel alleen heersers en gebeurtenissen die verband houden met het conflict.

Het conflict begint

In zijn beschrijving van het begin van dit spectaculaire conflict zegt Jehovah’s engel: „De koning van het zuiden zal sterk worden, ja, een van zijn [Alexanders] vorsten; en hij [de koning van het noorden] zal de overhand over hem hebben en zal stellig met omvangrijke heerschappij heersen, groter dan diens heersende macht” (Daniël 11:5). De aanduidingen „de koning van het noorden” en „de koning van het zuiden” hebben betrekking op koningen ten noorden en ten zuiden van Daniëls volk, dat tegen die tijd bevrijd was uit de Babylonische gevangenschap en weer terug was in het land Juda. De aanvankelijke „koning van het zuiden” was Ptolemaeus I van Egypte. Een van Alexanders generaals die de overhand kreeg over Ptolemaeus I en „met omvangrijke heerschappij” heerste, was de Syrische koning Seleucus I Nicator. Hij werd „de koning van het noorden”.

Toen het conflict uitbrak, bevond het land Juda zich onder de heerschappij van de koning van het zuiden. Vanaf ongeveer 320 v.Chr. moedigde Ptolemaeus I joden aan om als kolonisten naar Egypte te komen. Er floreerde een joodse kolonie in Alexandrië, waar Ptolemaeus I een beroemde bibliotheek stichtte. De joden in Juda bleven tot 198 v.Chr. onder de overheersing van het Ptolemaeïsche Egypte, de koning van het zuiden.

Met betrekking tot de twee koningen profeteerde de engel: „Na verloop van enige jaren zullen zij zich met elkaar verbinden, en zelfs de dochter van de koning van het zuiden zal tot de koning van het noorden komen ten einde een billijke overeenkomst aan te gaan. Maar zij zal de kracht van haar arm niet behouden; en hij zal niet standhouden, noch zijn arm; en zij zal worden prijsgegeven, zijzelf en degenen die haar brachten, en hij die haar geboorte veroorzaakte, en degene die haar in die tijden sterk maakte” (Daniël 11:6). Wat gebeurde er?

De profetie ging voorbij aan de zoon en opvolger van Seleucus I Nicator, Antiochus I, omdat hij geen beslissende oorlog voerde tegen de koning van het zuiden. Maar zijn opvolger, Antiochus II, streed een langdurige oorlog tegen Ptolemaeus II, de zoon van Ptolemaeus I. Antiochus II en Ptolemaeus II waren respectievelijk de koning van het noorden en de koning van het zuiden. Antiochus II was gehuwd met Laodice, en zij hadden een zoon die Seleucus II heette, terwijl Ptolemaeus II een dochter had, Berenice. In 250 v.Chr. kwamen deze twee koningen tot „een billijke overeenkomst”. De prijs die Antiochus II voor deze alliantie betaalde, was dat hij scheidde van zijn vrouw Laodice en Berenice huwde, „de dochter van de koning van het zuiden”. Bij haar had hij een zoon die in plaats van de zonen van Laodice de erfgenaam van de Syrische troon werd.

Berenices „arm” of ondersteunende kracht was haar vader, Ptolemaeus II. Toen hij in 246 v.Chr. stierf, ’behield zij niet de kracht van haar arm’ bij haar echtgenoot. Antiochus II verstootte haar, trouwde opnieuw met Laodice en benoemde hun zoon tot zijn opvolger. Zoals Laodice beraamd had, werden Berenice en haar zoon vermoord. Kennelijk was de bedienden van Berenice — „degenen die haar [van Egypte naar Syrië] brachten” — eenzelfde lot beschoren. Laodice vergiftigde zelfs Antiochus II, en zo hield ook „zijn arm” of kracht geen stand. Zowel Berenices vader — „hij die haar geboorte veroorzaakte” — als haar Syrische echtgenoot — die haar tijdelijk „sterk maakte” — stierven dus. En nu werd Seleucus II, de zoon van Laodice, koning van Syrië. Hoe zou de volgende Ptolemaeïsche koning op dit alles reageren?

Een koning wreekt de moord op zijn zuster

Een uit de spruit van haar wortels zal stellig in zijn positie opstaan,” zei de engel, „en hij zal tot de krijgsmacht komen en tegen de vesting van de koning van het noorden komen en zal stellig handelend tegen hen optreden en zegevieren” (Daniël 11:7). „Een uit de spruit” van Berenices ouders oftewel „wortels” was haar broer. Bij zijn vaders dood ’stond hij op’ als de koning van het zuiden, de Egyptische farao Ptolemaeus III. Onmiddellijk begaf hij zich op weg om de moord op zijn zuster te wreken. Optrekkend tegen de Syrische koning Seleucus II, door wie Laodice Berenice en haar zoon had laten vermoorden, kwam hij tegen „de vesting van de koning van het noorden”. Ptolemaeus III nam het versterkte deel van Antiochië in en rekende met Laodice af. Oostwaarts gaande plunderde hij Babylonië en trok toen verder naar India.

Wat gebeurde er vervolgens? Gods engel vertelt ons: „En ook met hun goden, met hun gegoten beelden, met hun begeerlijke voorwerpen van zilver en van goud, en met de gevangenen zal hij naar Egypte komen. En hijzelf zal zich enige jaren lang op een afstand houden van de koning van het noorden” (Daniël 11:8). Meer dan 200 jaar voordien had de Perzische koning Cambyses II Egypte veroverd en Egyptische goden, „hun gegoten beelden”, naar zijn land meegevoerd. Bij de plundering van Susa, de vroegere koninklijke hoofdstad van Perzië, kreeg Ptolemaeus III deze goden weer in bezit en voerde ze als „gevangenen” terug naar Egypte. Ook bracht hij als oorlogsbuit een grote hoeveelheid „begeerlijke voorwerpen van zilver en van goud” mee terug. Gedwongen in zijn eigen land een opstand te onderdrukken, hield Ptolemaeus III zich „op een afstand” en bracht de koning van het noorden geen verdere schade toe.

Hoe reageerde de koning van het noorden? Daniël kreeg te horen: „Hij zal werkelijk in het koninkrijk van de koning van het zuiden komen en naar zijn eigen bodem terugkeren” (Daniël 11:9). De koning van het noorden — de Syrische koning Seleucus II — sloeg terug. Hij drong „het koninkrijk” of gebied van de Egyptische koning van het zuiden binnen maar leed een nederlaag. Met slechts een klein restant van zijn leger keerde Seleucus II ’naar zijn eigen bodem terug’: zo rond 242 v.Chr. trok hij zich terug in de Syrische hoofdstad Antiochië. Bij zijn dood volgde zijn zoon Seleucus III hem op.

Wat werd er voorzegd over de nakomelingen van de Syrische koning Seleucus II? De engel vertelde Daniël: „Wat nu zijn zonen aangaat, zij zullen zichzelf aanzetten en werkelijk een menigte grote strijdkrachten verzamelen. En al komende zal hij stellig komen en overstromen en doortrekken. Maar hij zal terugkeren, en hij zal zichzelf aanzetten en doordringen tot aan zijn vesting” (Daniël 11:10). Een moord maakte binnen drie jaar een eind aan de regering van Seleucus III. Zijn broer, Antiochus III, volgde hem op de Syrische troon op. Deze zoon van Seleucus II bracht een grote strijdmacht bijeen voor een aanval op de koning van het zuiden, inmiddels Ptolemaeus IV. De nieuwe Syrische koning van het noorden streed met succes tegen Egypte en herwon de zeehaven Seleucië, de provincie Coele-Syrië, de steden Tyrus en Ptolemaïs en nabijgelegen stadjes. Hij bracht een leger van koning Ptolemaeus IV een zware nederlaag toe en nam veel steden van Juda in. In de lente van 217 v.Chr. verliet Antiochus III Ptolemaïs en trok noordwaarts, „tot aan zijn vesting” in Syrië. Maar er was een verandering op komst.

Het tij keert

Net als Daniël luisteren wij verwachtingsvol terwijl Jehovah’s engel vervolgt: „De koning van het zuiden zal verbitterd worden en zal moeten uittrekken en met hem moeten strijden, dat wil zeggen met de koning van het noorden; en hij zal stellig een grote menigte op de been brengen, en de menigte zal werkelijk in diens hand worden gegeven” (Daniël 11:11). Met 75.000 man trok de koning van het zuiden, Ptolemaeus IV, noordwaarts. De Syrische koning van het noorden, Antiochus III, had „een grote menigte” van 68.000 tegen hem op de been gebracht. Maar „de menigte” werd ’in de hand gegeven’ van de koning van het zuiden toen het tot een treffen kwam bij de kuststad Raphia, niet ver van de Egyptische grens.

De profetie vervolgt: „En de menigte zal stellig weggevoerd worden. Zijn hart zal zich verheffen, en hij zal werkelijk tienduizenden doen vallen; maar hij zal zijn sterke positie niet benutten” (Daniël 11:12). Ptolemaeus IV, de koning van het zuiden, kon 10.000 man Syrisch voetvolk en 300 ruiters ’wegvoeren’ in de dood en hij nam 4000 man gevangen. De koningen sloten daarna een verdrag waarbij Antiochus III zijn Syrische zeehaven Seleucië behield maar Fenicië en Coele-Syrië kwijtraakte. Over deze overwinning ’verhief’ het hart van de Egyptische koning van het zuiden zich, vooral tegen Jehovah. Juda bleef onder de overheersing van Ptolemaeus IV. Maar hij ’benutte zijn sterke positie niet’ om verdere winst te behalen uit zijn overwinning op de Syrische koning van het noorden. Hij verviel tot een leven van uitspattingen, en zijn vijfjarig zoontje Ptolemaeus V werd enkele jaren voor de dood van Antiochus III de volgende koning van het zuiden.

Een ondernemend koning komt terug

Vanwege al zijn ondernemingen kwam Antiochus III als Antiochus de Grote bekend te staan. De engel zei over hem: „De koning van het noorden moet terugkeren en een grotere menigte dan de eerste op de been brengen; en aan het einde van de tijden, enige jaren, zal hij komen, en wel met een grote krijgsmacht en met heel veel have” (Daniël 11:13). Deze „tijden” waren een zestien jaar of meer nadat de Egyptenaren de Syriërs bij Raphia hadden verslagen. Toen de jonge Ptolemaeus V de koning van het zuiden werd, trok Antiochus III op met „een grotere menigte dan de eerste” om te herwinnen wat hij aan de Egyptische koning van het zuiden was kwijtgeraakt. Daartoe verbond hij zich met de Macedonische koning Philippus V.

De koning van het zuiden had ook intern moeilijkheden. „In die tijden zullen er velen zijn die tegen de koning van het zuiden zullen opstaan”, zei de engel (Daniël 11:14a). Inderdaad ’stonden velen tegen de koning van het zuiden op’. Niet alleen had de jonge koning van het zuiden te maken met de troepen van Antiochus III en diens Macedonische bondgenoot, maar hij had ook problemen in Egypte. Omdat zijn voogd Agathocles, die in zijn naam regeerde, arrogant optrad tegen de Egyptenaren, kwamen vele in opstand. De engel voegde eraan toe: „En de zonen van de rovers die tot uw volk behoren, zullen, van hun kant, worden meegesleept om te trachten een visioen te verwezenlijken; en zij zullen moeten struikelen” (Daniël 11:14b). Zelfs sommigen van Daniëls volk werden ’zonen van rovers’ of opstandelingen. Maar elk „visioen” dat zulke joodse mannen hadden van een beëindiging van de heidense overheersing over hun land was bedrieglijk, en zij zouden falen, „struikelen”.

Jehovah’s engel voorzei verder: „De koning van het noorden zal komen en een belegeringsdam opwerpen en werkelijk een stad met vestingwerken innemen. En wat de strijdkrachten van het zuiden aangaat, ze zullen niet standhouden, noch het volk van zijn uitgelezenen; en er zal geen kracht zijn om stand te houden. En degene die tegen hem komt, zal doen naar zijn wil, en niemand zal voor hem standhouden. En hij zal vaste voet krijgen in het Sieraadland, en er zal verdelging in zijn hand zijn.” — Daniël 11:15, 16.

De troepen van Ptolemaeus V, de „strijdkrachten van het zuiden”, moesten wijken onder een aanval uit het noorden. Bij Paneas (Cesarea Filippi) deed Antiochus III Egyptes generaal Scopas met 10.000 man elitetroepen, „uitgelezenen”, de wijk nemen naar Sidon, „een stad met vestingwerken”. Daar werd door Antiochus III ’een belegeringsdam opgeworpen’, waarna hij deze Fenicische havenstad in 198 v.Chr. innam. Hij handelde „naar zijn wil” omdat de strijdkrachten van de Egyptische koning van het zuiden niet konden standhouden tegen hem. Antiochus III trok vervolgens op tegen Jeruzalem, de hoofdstad van „het Sieraadland”, Juda. In 198 v.Chr. kwam er voor Jeruzalem en Juda een eind aan de overheersing door de Egyptische koning van het zuiden en kwamen zij onder de heerschappij van de Syrische koning van het noorden te staan. En Antiochus III, de koning van het noorden, kreeg nu ’vaste voet in het Sieraadland’. Er was „verdelging in zijn hand” voor alle joden en Egyptenaren die zich tegen hem verzetten. Hoe lang zou deze koning van het noorden kunnen doen wat hij wilde?

Rome stelt hem paal en perk

Jehovah’s engel geeft ons dit antwoord: „Hij [de koning van het noorden] zal zijn aangezicht erop richten met de kracht van zijn gehele koninkrijk te komen, en billijke voorwaarden zullen hem vergezellen; en hij zal doeltreffend handelen. En wat de dochter der vrouwen betreft, het zal hem vergund worden haar in het verderf te storten. En zij zal niet standhouden, en zij zal de zijne niet blijven.” — Daniël 11:17.

De koning van het noorden, Antiochus III, ’richtte zijn aangezicht erop’ Egypte te overheersen „met de kracht van zijn gehele koninkrijk”. Maar het liep uit op „billijke voorwaarden” van vrede met Ptolemaeus V, de koning van het zuiden. Rome had zijn eisen gesteld, en Antiochus III had zijn plannen moeten wijzigen. Toen hij en koning Philippus V van Macedonië zich verbonden tegen de nog zo jonge Egyptische koning om zijn gebieden over te nemen, wendden zijn voogden zich voor bescherming tot Rome. De gelegenheid aangrijpend om zijn invloedssfeer uit te breiden, reageerde Rome met krachtsvertoon.

Onder dwang van Rome bood Antiochus III de koning van het zuiden vredesvoorwaarden aan. Maar in plaats van veroverde gebieden af te staan, zoals Rome had geëist, dacht Antiochus III deze slechts in naam over te dragen door zijn dochter Cleopatra I — „de dochter der vrouwen” — met Ptolemaeus V te laten trouwen. Als bruidsschat zouden haar dan een aantal provincies, waaronder „het Sieraadland” Juda, meegegeven worden. Met het huwelijk, in 193 v.Chr., liet de Syrische koning deze provincies echter niet naar Ptolemaeus V gaan. Dit was een politiek huwelijk, bedoeld om Egypte onderworpen te maken aan Syrië. Maar het plan mislukte omdat Cleopatra I ’niet de zijne bleef’, want zij koos later de zijde van haar echtgenoot. Toen er oorlog uitbrak tussen Antiochus III en de Romeinen, koos Egypte de kant van Rome.

Doelend op de tegenslagen voor de koning van het noorden zei de engel verder: „En hij [Antiochus III] zal zijn aangezicht keren naar de kustlanden en zal er werkelijk vele innemen. En een bevelhebber [Rome] zal de van hem [Antiochus III] afkomstige smaad voor zich [Rome] moeten doen ophouden, zodat zijn smaad niet zal zijn. Hij [Rome] zal die op hem doen terugvallen. En hij [Antiochus III] zal zijn aangezicht weer keren naar de vestingen van zijn eigen land, en hij zal stellig struikelen en vallen, en hij zal niet gevonden worden.” — Daniël 11:18, 19.

De „kustlanden” waren die van Macedonië, Griekenland en Klein-Azië. In 192 v.Chr. brak er oorlog uit in Griekenland en Antiochus III liet zich erdoor naar Griekenland lokken. Niet van zins de Syrische koning daar nog meer gebied te zien bemachtigen, verklaarde Rome hem formeel de oorlog. Bij Thermopylae leed hij een nederlaag tegen de Romeinen. Ongeveer een jaar na het verliezen van de slag bij Magnesia in 190 v.Chr. moest hij alle gebieden in Griekenland, Klein-Azië en ten westen van het Taurusgebergte opgeven. Rome legde hem een zware schatting op en bevestigde zijn heerschappij over de Syrische koning van het noorden. Uit Griekenland en Klein-Azië verdreven en van bijna zijn hele vloot beroofd, moest Antiochus III „zijn aangezicht weer keren naar de vestingen van zijn eigen land”, Syrië. De Romeinen hadden de hun aangedane smaad „op hem doen terugvallen”. Antiochus III stierf toen hij in 187 v.Chr. een tempel in Elymaïs in Perzië trachtte te beroven. Zo ’viel’ hij en hij werd opgevolgd door zijn zoon Seleucus IV, de volgende koning van het noorden.

Het conflict zet zich voort

Als de koning van het zuiden probeerde Ptolemaeus V de provincies te verwerven die hem als Cleopatra’s bruidsschat hadden moeten toevallen, maar gif maakte een eind aan zijn pogingen. Hij werd opgevolgd door Ptolemaeus VI. Hoe verging het Seleucus IV? In geldnood door de zware schatting die Rome had opgelegd, zond hij zijn schatbewaarder Heliodorus eropuit om de rijkdommen te bemachtigen die zich in de tempel van Jeruzalem zouden bevinden. Heliodorus ambieerde de troon en vermoordde Seleucus IV. Koning Eumenes van Pergamum en zijn broer Attalus brachten echter Antiochus IV, de broer van de vermoorde koning, op de troon.

De nieuwe koning van het noorden, Antiochus IV, probeerde zich machtiger te betonen dan God door te trachten Jehovah’s regeling van aanbidding weg te vagen. Jehovah tartend wijdde hij Jeruzalems tempel aan Zeus, of Jupiter. In december 167 v.Chr. werd er een heidens altaar opgericht boven op het grote altaar in het tempelvoorhof waar dagelijks een brandoffer aan Jehovah was gebracht en tien dagen later werd daarop een offer gebracht aan Zeus. Deze ontwijding leidde tot een joodse opstand onder de Makkabeeën. Antiochus IV bevocht hen drie jaar. In 164 v.Chr., op de datum van de ontwijding, droeg Judas de Makkabeeër de tempel weer aan Jehovah op en werd het inwijdingsfeest ingesteld. — Johannes 10:22.

De Makkabeeën sloten waarschijnlijk in 161 v.Chr. een verdrag met Rome en stichtten in 104 v.Chr. een koninkrijk. Maar de wrijving tussen hen en de Syrische koning van het noorden bleef bestaan. Ten slotte werd er een beroep gedaan op Rome. De Romeinse generaal Gnaeus Pompejus nam in 63 v.Chr. na een beleg van drie maanden Jeruzalem in. In 39 v.Chr. stelde de Romeinse senaat Herodes — een Edomiet — aan tot koning over Judea. Er kwam een eind aan het Makkabeese bewind toen hij in 37 v.Chr. Jeruzalem innam.

Hoe opwindend om te zien dat het eerste deel van de profetie over het conflict tussen de twee koningen tot in detail in vervulling is gegaan! Ja, het is werkelijk fascinerend om te beschouwen wat zich zo’n 500 jaar nadat de profetische boodschap aan Daniël was overgebracht in de geschiedenis heeft afgespeeld en de heersers te identificeren die de positie van koning van het noorden en koning van het zuiden innamen! De onderlinge strijd van deze twee koningen zette zich voort gedurende de tijd dat Jezus Christus op aarde was en helemaal tot in onze tijd, maar hun politieke identiteit verandert. Door historische ontwikkelingen naast de in deze profetie onthulde intrigerende details te leggen, zullen wij in staat zijn deze twee wedijverende koningen te identificeren.

De twee koningen veranderen van identiteit

De Syrische heerser Antiochus IV valt Egypte binnen en kroont zichzelf tot koning. Op verzoek van de Egyptische koning Ptolemaeus VI zendt Rome de gezant Gaius Popilius Laenas naar Egypte. Hij komt met een indrukwekkende vloot en de opdracht van de Romeinse senaat aan Antiochus IV om zijn koningschap over Egypte op te geven en zich uit het land terug te trekken. Bij Eleusis, een voorstad van Alexandrië, ontmoeten de Syrische koning en de Romeinse gezant elkaar. Antiochus IV vraagt tijd om met zijn raadslieden te kunnen overleggen, maar Laenas trekt een cirkel om de koning en zegt hem te antwoorden voordat hij over de streep stapt. Vernederd voldoet Antiochus IV aan de Romeinse eisen en keert in 168 v.Chr. naar Syrië terug. Zo eindigt de confrontatie tussen de Syrische koning van het noorden en de Egyptische koning van het zuiden.

Met een overheersende positie in de aangelegenheden van het Midden-Oosten blijft Rome Syrië de wet voorschrijven. Hoewel er nog andere koningen van de Seleucidendynastie over Syrië regeren nadat Antiochus IV in 163 v.Chr. sterft, bekleden zij dan ook niet de positie van „koning van het noorden” (Daniël 11:15). Uiteindelijk wordt Syrië in 64 v.Chr. een Romeinse provincie.

Egyptes Ptolemaeïsche dynastie blijft nog tot iets meer dan 130 jaar na de dood van Antiochus IV de positie van „koning van het zuiden” innemen (Daniël 11:14). In de slag bij Actium, in 31 v.Chr., verslaat de Romeinse heerser Octavianus de gecombineerde strijdkrachten van de laatste Ptolemaeïsche koningin — Cleopatra VII — en haar Romeinse minnaar, Marcus Antonius. Na Cleopatra’s zelfmoord in het jaar daarop wordt ook Egypte een Romeinse provincie en speelt het niet langer de rol van koning van het zuiden. In 30 v.Chr. heeft Rome de oppermacht over zowel Syrië als Egypte. Moeten wij nu verwachten andere heerschappijen de rol van koning van het noorden en koning van het zuiden te zien overnemen?

Een nieuwe koning zendt „een afperser” uit

In de lente van 33 zei Jezus Christus tegen zijn discipelen: „Wanneer jullie daarom het walgelijke ding dat verwoesting veroorzaakt, waarover de profeet Daniël sprak, in een heilige plaats zien staan (lezer, gebruik inzicht), dan moeten degenen die in Judea zijn naar de bergen vluchten.” (Mattheüs 24:15, 16). Met deze aanhaling uit Daniël 11:31 waarschuwde Jezus zijn volgelingen voor een toekomstig ’walgelijk ding dat verwoesting veroorzaakt’. Deze profetie met betrekking tot de koning van het noorden werd gegeven toen Antiochus IV, de laatste Syrische koning in die rol, al zo’n 195 jaar dood was. Dan zou dus een andere heerschappij de identiteit van de koning van het noorden moeten opnemen. Welke zou dat zijn?

Gods engel voorzei: „In zijn positie [die van Antiochus IV] zal iemand opstaan die een afperser door het prachtige koninkrijk laat trekken, maar binnen enkele dagen zal hij vernietigd worden, al is het niet door woede of oorlog.” (Daniël 11:20). Degene die zo ’opstond’, bleek de eerste Romeinse keizer te zijn, Octavianus, die als Caesar Augustus bekend kwam te staan.

„Het prachtige koninkrijk” van Augustus omvatte ook „het Sieraadland” — de Romeinse provincie Judea (Daniël 11:16). In 2 v.Chr. zond Augustus „een afperser” uit door een inschrijving of volkstelling te laten verrichten, waarschijnlijk om bevolkingscijfers te krijgen ten behoeve van belastingen en dienstplicht. Vanwege deze verordening reisden Jozef en Maria naar Bethlehem om zich te laten inschrijven, hetgeen tot gevolg had dat Jezus zoals voorzegd daar geboren werd (Micha 5:2; Mattheüs 2:1-12). In augustus 14 n.Chr. — „in enkele dagen”, niet lang na de inschrijving verordend te hebben — stierf Augustus op 76-jarige leeftijd, niet „in toorn” door de hand van een moordenaar of „in oorlogvoering”, maar als gevolg van een ziekte. De koning van het noorden was inderdaad veranderd van identiteit! Deze koning was nu het Romeinse Rijk geworden in de persoon van zijn keizers.

’De verachte staat op’

De profetie vervolgend zei de engel: „Er zal in zijn [Augustus’] positie een verachtelijk persoon opstaan, en hem wordt geen koninklijke waardigheid gegeven. Hij zal binnenkomen in een tijd van veiligheid en het koningschap bemachtigen door sluwheid. De stortvloed van troepen zal vanwege hem worden weggevaagd en ze zullen gebroken worden, net als de Leider van het verbond." — Daniël 11:21, 22.

Degene „die te verachten is”, was Tiberius Caesar, de zoon van Livia, Augustus’ derde vrouw. (Zie „De een geëerd, de ander veracht”, op blz. 248.) Augustus haatte zijn stiefzoon vanwege zijn slechte karaktertrekken en wilde niet dat hij de volgende caesar werd. „De waardigheid van het koninkrijk” werd hem pas na de dood van alle andere aannemelijke opvolgers met tegenzin verleend. Augustus adopteerde Tiberius in 4 n.Chr. en maakte hem troonopvolger. En zo zien wij na de dood van Augustus dan de 54 jaar oude Tiberius — de verachte — „opstaan”, de macht overnemen als keizer van Rome en als de koning van het noorden.

„Tiberius”, aldus The New Encyclopædia Britannica, „speelde een politiek spelletje met de Senaat en liet zich bijna een maand lang [na Augustus’ dood] niet tot keizer uitroepen.” Hij zei de senaat dat alleen Augustus de last had kunnen torsen van het besturen van het Romeinse Rijk en hij vroeg de senatoren de republiek te herstellen door een dergelijk gezag aan een groep mannen toe te vertrouwen en niet aan slechts één. „Daar de Senaat hem niet aan zijn woord durfde houden,” schreef de historicus Will Durant, „werden van twee kanten net zo lang plichtplegingen uitgewisseld tot hij tenslotte de macht aanvaardde.” Durant voegde eraan toe: „Het spel werd aan beide zijden goed gespeeld. Tiberius wenste het principaat, anders had hij wel een weg gevonden om eraan te ontkomen; de Senaat vreesde en haatte hem, maar deinsde ervoor terug een republiek te restaureren die, evenals de oude, op in theorie souvereine Vergaderingen was gebaseerd.” Ja, Tiberius ’bemachtigde het koninkrijk door middel van geslepen gladheid’.

„Wat de armen van de vloed betreft” — de strijdkrachten van de omringende koninkrijken — zei de engel: ’Ze zullen overstroomd en verbroken worden.’ Toen Tiberius de koning van het noorden werd, was zijn neef Germanicus Caesar de bevelhebber van de Romeinse legers aan de Rijn. In 15 n.Chr. liet Germanicus zijn troepen optrekken tegen de Germaanse held Arminius en behaalde enige successen. De beperkte overwinningen werden echter duur betaald, en Tiberius maakte daarna een eind aan de operaties in Germanië. In plaats daarvan probeerde hij door onderlinge strijd aan te wakkeren, de Germaanse stammen van samengaan terug te houden. Tiberius was doorgaans voorstander van een defensieve buitenlandse politiek en concentreerde zich op het versterken van de grenzen. Deze opstelling had redelijk succes. Op deze wijze werden „de armen van de vloed” in toom gehouden en „verbroken”.

„Verbroken” werd ook „de Leider van het verbond” dat Jehovah God met Abraham had gesloten tot zegen van alle families der aarde. Jezus Christus was het in dat verbond beloofde Zaad van Abraham (Genesis 22:18; Galaten 3:16). Op de 14e van de eerste kalendermaand 33 n.Chr. stond Jezus voor Pontius Pilatus in het paleis van die Romeinse stadhouder in Jeruzalem. De joodse priesters hadden Jezus beschuldigd van verraad tegen de keizer. Maar Jezus vertelde Pilatus: ’Mijn koninkrijk is geen deel van deze wereld. . . . Mijn koninkrijk is niet uit deze bron.’ Teneinde te verhinderen dat de Romeinse stadhouder Jezus, die geen overtreding had begaan, zou vrijlaten, schreeuwden de joden: „Als gij deze man vrijlaat, zijt gij geen vriend van caesar. Een ieder die zichzelf koning maakt, spreekt tegen caesar.” Na om Jezus’ terechtstelling geroepen te hebben, zeiden zij: „Wij hebben geen andere koning dan caesar.” Op grond van de wet op de „majesteitsschennis”, die door Tiberius was verruimd zodat ze praktisch elke belediging van caesar omvatte, leverde Pilatus Jezus over om „verbroken” oftewel aan een martelpaal gehangen te worden. — Johannes 18:36; 19:12-16; Markus 15:14-20.

Een tiran ’beraamt snode plannen’

Nog steeds over Tiberius profeterend zei de engel: „Vanwege hun verbintenis met hem zal hij bedrog plegen en optrekken en machtig worden door middel van een klein volk.” (Daniël 11:23). De leden van de Romeinse senaat hadden zich constitutioneel met Tiberius „verbonden”, en formeel was hij van hen afhankelijk. Maar hij was sluw en zorgde ervoor ’machtig te worden door middel van een klein volk’. Dat kleine volk was de Romeinse pretoriaanse lijfwacht, die dicht bij de muren van Rome gelegerd was. De nabijheid ervan intimideerde de senaat en hielp Tiberius eventuele opstanden onder de bevolking tegen zijn gezag te beteugelen. Door middel van zo’n 10.000 pretorianen bleef Tiberius dus machtig.

De engel voegde er profetisch aan toe: „In een tijd van veiligheid zal hij in de beste delen van de provincie komen en doen wat zijn voorvaders en hun voorvaders niet hebben gedaan. Buit en goederen zal hij onder hen verdelen, en tegen vestingen zal hij plannen smeden, maar slechts voor een tijd.” (Daniël 11:24). Tiberius was uitermate wantrouwend en zijn regering telde menige door hem bevolen moord. Goeddeels vanwege de invloed van Sejanus, de bevelhebber van de pretoriaanse lijfwacht, werd het laatste deel van zijn regering een schrikbewind. Uiteindelijk kwam Sejanus zelf onder verdenking te staan en werd terechtgesteld. In het tiranniseren overtrof Tiberius zijn voorvaders.

Tiberius strooide echter „roofgoed en buit en have” over de Romeinse provincies uit. Tegen de tijd dat hij stierf, genoten alle onderworpen volken voorspoed. De belastingen waren niet hoog en hij wist genereus te zijn voor gebieden waar men het moeilijk had. Als soldaten of beambten iemand onderdrukten of zich onregelmatigheden veroorloofden, konden zij de keizerlijke wraak verwachten. Een goede greep op de macht droeg bij tot de vrede en zekerheid, en een verbeterd communicatiesysteem was bevorderlijk voor de handel. Tiberius zorgde ervoor dat in Rome en daarbuiten een goed en stabiel bestuur werd uitgeoefend. De wetten werden verbeterd en de maatschappelijke en morele normen voeren wel bij het verder stimuleren van hervormingen die door Caesar Augustus waren ingevoerd. Maar Tiberius ’beraamde snode plannen’, zodat de Romeinse historicus Tacitus hem beschreef als een huichelachtig man die zich heel bekwaam een vals voorkomen wist te geven. Toen hij in maart 37 n.Chr. stierf, werd Tiberius als een tiran beschouwd.

De opvolgers van Tiberius die de rol van koning van het noorden vervulden, waren onder anderen Gaius Caesar (Caligula), Claudius I, Nero, Vespasianus, Titus, Domitianus, Nerva, Trajanus en Hadrianus. „Merendeels”, zegt The New Encyclopædia Britannica, „zetten de opvolgers van Augustus zijn bestuurlijke politiek en bouwprogramma voort, zij het minder innovatief en meer op uiterlijk vertoon gericht.” Hetzelfde naslagwerk verklaart ook: „Op het eind van de eerste en in het begin van de tweede eeuw had Rome het toppunt van zijn grandeur en inwonertal bereikt.” Ofschoon Rome destijds wel wat problemen had aan de grenzen van het rijk, kwam zijn eerste voorzegde confrontatie met de koning van het zuiden pas in de derde eeuw n.Chr.

Tegen de koning van het zuiden

Gods engel ging verder met de profetie: „Hij [de koning van het noorden] zal zijn kracht en zijn hart tegen de koning van het zuiden opwekken met een groot leger, en de koning van het zuiden zal zich klaarmaken voor de oorlog met een buitengewoon groot en machtig leger. Hij [de koning van het noorden] zal niet standhouden, omdat men plannen tegen hem smeedt. Degenen die zijn lekkernijen eten, zullen zijn ondergang veroorzaken. Zijn leger zal worden weggespoeld en er zullen vele doden vallen.” — Daniël 11:25, 26.

Zo’n 300 jaar nadat Octavianus van Egypte een Romeinse provincie had gemaakt, nam de Romeinse keizer Aurelianus de rol van koning van het noorden over. Ondertussen bekleedde koningin Septimia Zenobia van de Romeinse kolonie Palmyra de positie van koning van het zuiden. Het Palmyreense leger bezette in 269 n.Chr. Egypte onder het voorwendsel het voor Rome veilig te stellen. Zenobia wilde van Palmyra de belangrijkste stad in het oosten maken en zij wilde over Romes oostelijke provincies heersen. Gealarmeerd door haar ambitie wekte Aurelianus „zijn kracht en zijn hart” op om tegen Zenobia op te treden.

Als heersende entiteit met Zenobia aan het hoofd zette de koning van het zuiden zich „met een buitengewoon grote en sterke krijgsmacht” onder twee generaals, Zabdas en Zabbai, aan tot oorlogvoering tegen de koning van het noorden. Maar Aurelianus veroverde Egypte en ondernam toen een expeditie naar Klein-Azië en Syrië. Zenobia werd bij Emesa (nu Homs) verslagen en trok zich in Palmyra terug. Toen Aurelianus die stad belegerde, voerde Zenobia een dappere verdediging, maar zonder succes. Zij en haar zoon vluchtten naar Perzië maar werden bij de Eufraat door de Romeinen gevangengenomen. De Palmyrenen gaven hun stad in 272 n.Chr. over. Aurelianus spaarde Zenobia’s leven. Zij was de voornaamste attractie in zijn triomftocht door Rome in 274 n.Chr. en sleet de rest van haar leven als een Romeinse matrone.

Aurelianus zelf ’hield geen stand vanwege snode plannen tegen hem’. In 275 n.Chr. begon hij een veldtocht tegen de Perzen. Terwijl hij in Thracië wachtte op een gelegenheid om over te steken naar Klein-Azië, beraamden degenen ’die zijn voedsel aten’ snode plannen tegen hem en veroorzaakten zijn „verbreking”. Hij zou zijn secretaris Eros ter verantwoording roepen voor onregelmatigheden. Maar Eros vervalste een lijst met namen van bepaalde officieren die ter dood gebracht moesten worden. De aanblik van die lijst zette de officieren aan tot een complot en zij vermoordden Aurelianus.

Recapitulatie en vervolg

Tot zover de beschrijving van de publicatie Schenk aandacht aan Daniëls profetie. Vanaf vers 27 neemt de verklaring in deze publicatie een andere wending die de koningen van het noorden en zuiden in de huidige tijd plaatsen, iets waarvan we eerder al aangeven dat dit onjuist is.

We geven nu twee commentaren op Daniël 11 en 12, eerst die van Keil & Delitzsch en daarna die van Matthew Henry. We zullen beide commentaren bewerken zonder verlies van de oorspronkelijke inhoud.

Carl Friedrich Keil en Franz Delitzsch
Carl Friedrich Keil (26 februari 1807 - 5 mei 1888) en Franz Delitzsch (23 februari 1813 - 4 maart 1890) waren negentiende-eeuwse theologen met een Duitse protestantse achtergrond. Ze stelden een van de meest uitgebreide en extensieve commentaren op het Oude Testament samen. Zij waren bijzonder goed thuis in het Hebreeuws, Grieks en Latijn en dat is in hun commentaren dan ook goed te merken. Om toch een zo zuiver mogelijk beeld te creëren bij de commentaren, zullen we toch ook de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst moeten tonen want in het commentaar worden door Keil en Delitzsch dikwijls bepaalde Hebreeuwse woorden uitgelicht ter verklaring. Uiteraard zullen we proberen e.e.a zo goed als mogelijk begrijpelijk te maken. Het werk van Keil en Delitzsch in de jaren 1800 staat nog steeds in hoog aanzien in theologische kringen vanwege het nauwgezette en degelijke leerstellige commentaar.

Matthew Henry
Matthew Henry (18 Oktober 1662 - 22 Juni 1714) was een non-conformistische predikant en auteur, die werd geboren in Wales, maar die een groot deel van zijn leven in Engeland doorbracht. Hij is vooral bekend om het zesdelige bijbelcommentaar Exposition of the Old and New Testaments.

Dit deel zal nog de nodige aanpassingen moeten ondergaan vanwege voortschrijdend inzicht. Soms wordt in de genoemde geschriften verwezen naar andere bijbelgedeelten. Die zullen we dan expliciet noemen. Ook de schriftgedeelten die in Daniël 11 en 12 worden besproken zullen we expliciet aanhalen. Het doel is om uiteindelijk een nauwgezet, betrouwbaar en geloofversterkend verhaal te hebben samengesteld dat recht doet aan de Auteur van de bijbel, Jehovah.

Commentaar op Daniël 11 en 12 volgens Carl Friedrich Keil en Franz Delitzsch

Daniël 11:27
Hier wordt dan beschreven hoe de twee koningen door geveinsde vriendschap proberen elkaar te vernietigen. De twee koningen zijn natuurlijk de twee koningen van het noorden en het zuiden die eerder werden genoemd. Van een derde, namelijk van twee koningen van Egypte, Philometor en Physkon, weet Daniël niets. De derde, Physkon, komt uit de geschiedenis; en vandaar dat Hitzig, v. Lengerke en anderen onder de " twee koningen " verstaan, de twee koningen Antiochus en Philometor een bondgenootschap vormen tegen de koning van het zuiden, maar Kliefoth daarentegen denkt aan Antiochus en Physkon, van wie hij de laatste beschouwt als de koning van het zuiden, Daniël 11:25 . Dit alles is willekeurig. Jerome heeft het historische bewijs hiervoor al verworpen en merkt op:verum ex eo, quia scriptura nunc dicit: duos fuisse reges, quorum cor fuerit fraudulentum ... hoc secundum historiam demonstrari non potest . למרע לבבם Hitzig vertaalt: "hun hart behoort tot het kwaad", in tegenstelling tot de context. ל geeft ook hier alleen de richting aan: "hun hart gaat naar slechte daden", is daarop gericht. מרע (van רעע ), gevormd na מצר (vgl. Ewald, § 160 a ), het kwaaddoen , bestaat hierin, dat de een de ander probeert omver te werpen en te vernietigen onder de dekmantel van geveinsde vriendschap; want ze eten als vrienden aan de ene tafel en "spreken leugens" - de een vertelt leugens aan de ander en belijdt vriendschap. Maar hun ontwerp zal niet slagen. Alle interpretaties van deze woorden die worden bepaald door historische feitenzijn willekeurig. De geschiedenis van Antiochus Epiphanes levert hiervoor geen illustraties. In de zin van de profetie heeft תצלח לא alleen deze betekenis: het plan van de koning van het noorden om de koning van het zuiden te vernietigen en zichzelf meester te maken van zowel het noorden als het zuiden, zal niet slagen, en de koning van het zuiden zal niet nakomen wat hij belooft aan zijn bedrieglijke tegenstander. Want toch zal het einde zijn op de bestemde tijd. Deze woorden geven de reden aan waarom de מרע niet zal slagen. Hitzig vertaalt verkeerd: "maar het einde houdt stand tot de vastgestelde tijd;" want כּי kan in dit verband niet worden weergegeven door maar , en ל kan niet het idee uitdrukken om ergens aan vast te houden. ל geeft hier, zoals in het algemeen, de richting aan naar het einde, zoals Daniël 11:35 en Daniël 8:17, Daniël 8:19 . Het einde gaat toch door tot de door God vastgestelde tijd. Dat deze מועד ( benoeming van tijd) niet in het heden ligt, maar in de toekomst, wordt aangeduid met עוד , hoewel we met Hävernick עוד niet interpreteren met "want het einde ligt nog verder weg", noch, met v Lengerke en Maurer, mogen we het werkwoord "zich terugtrekt, is gereserveerd" geven. עוד staat voor קץ omdat daarop de nadruk ligt. קץ is echter niet het einde van de oorlog tussen Antiochus en Egypte (v. Leng., Maur., Hitzig), maar kan niet anders worden opgevat dan קץ עת , Daniël 11:35 , Daniël 11:40 en Daniël 12: 4. Maar in de laatste passage is קץ עת de tijd van de opstanding van de doden, dus het einde van de huidige loop van de wereld, waarmee alle onderdrukking van het volk van God ophoudt. Dienovereenkomstig קץ in het vers voor ons, zoals in Daniël 11:35 , Daniël 11:40 , is de tijd waarin het gedrag van de koningen die eerder zijn beschreven, in hun opstand en in hun vijandigheid tegen het volk van God, ten einde loopt ( Daniël 11:45 ); en met de omverwerping van deze vijanden komt ook een einde aan de periode van onderdrukking. Dit einde komt alleen למועד, op de tijd die God heeft bepaald voor de reiniging van Zijn volk ( Daniël 11:35)). Zo lang mogen de koningen van het noorden en het zuiden hun doelen voortzetten; zo lang zullen zij streven naar het bezit van het koninkrijk zonder in hun plannen te slagen. למועד heeft hier en in Daniël 11:35 het bepaald lidwoord, omdat in beide verzen de taal niet verwijst naar een bepaalde tijd, maar naar de tijd die door God is bepaald voor de voltooiing van Zijn koninkrijk. De plaatsing van het lidwoord in dit woord in het vers voor ons kan, met Kliefoth, niet verklaard worden uit een verwijzing naar Daniël 8:17 , Daniël 8:19 . De twee onthullingen zijn door een te lange tijdspanne van elkaar gescheiden om door het gebruik van het artikel alleen maar terug te kunnen verwijzen naar de eerdere, hoewel beide over hetzelfde onderwerp gaan. De למועד komt daarnaast voor in Daniël 11:29, waar het natuurlijk is om te veronderstellen dat het dezelfde betekenis heeft als hier; maar de inhoud van het vers verzet zich tegen een dergelijke conclusie. Daniël 11:29 behandelt, het is waar, van een hernieuwde oorlogszuchtige expeditie tegen het zuiden, die echter noch de definitieve beslissing van de oorlog met het zuiden brengt (vgl. Daniël 11:40 ), noch het einde van de onderdrukking van het volk van God; המועד is dus alleen de tijd bepaald voor de tweede aanval op het zuiden, niet de tijd van het einde.

Vers 28
Het succes dat de sluwe koning van het noorden behaalde in zijn oorlog tegen de koning van het zuiden ( Daniël 11:25 ) vergroot zijn inspanningen na de uitbreiding van zijn heerschappij. Terugkerend uit Egypte met grote rijkdom, dwz met rijke buit, heft hij zijn hart op tegen het heilig verbond. Door de potentialis ישׁב ( hij zal terugkeren ) wordt deze nieuwe onderneming in het gezichtspunt van een goddelijk besluit geplaatst, om aan te geven dat hij daardoor zijn eigen vernietiging bewerkstelligt. קדשׁ בּרית betekent niet het heilige volk in verbond met God (v. Lengerke, Maurer, en vele oudere tolken), maar de goddelijke instelling van het Oude Verbond, de Joodse Theocratie. De Joden zijn slechts leden van dit verbond, vgl. Daniël 11:30 . Calvijn heeft gelijk als hij zegt:Mihi simplicior sensus probatur, quod scilicet bellum gerat adversus Deum . Het heilige verbond wordt genoemd in plaats van het verbondsvolk om de onderneming te vertegenwoordigen als een schande tegen het koninkrijk van God, dat in Israël werd gesticht. ועשׂה , en hij zal doen , uitvoeren , wat zijn hart denkt, of wat hij in zijn geest heeft tegen het heilig verbond. De historische vervulling wordt verteld in 1 Macc. 1:22-29. לארצו ושׁב hervat ארצו וישׁב , en leert ons dat Antiochus de eerste aanval op het heilige verbond ondernam bij zijn terugkeer uit Egypte in zijn koninkrijk (naar Antiochië), zoals uitdrukkelijk wordt vermeld in 1 Macc. 1:20.

Vers 29-30
Om Egypte geheel onder zijn macht te brengen, ondernam hij een nieuwe expeditie daarheen ( ישׁוּב , hij komt weer ). Maar deze expeditie was, net als de eerste, niet succesvol ( כ־כ , as-so , vgl. Jozua 14:11 ; Ezechiël 18:4 ). Want de schepen van Chittim komen tegen hem op. כּתּים ציּים , schepen de Chittaei , voor כּתּים מיד צים , Numeri 24:24 , waarvan de uitdrukking is afgeleid כּתּים is Cyprus met zijn belangrijkste stad Κίττιον (nu Chieti of Chitti); zie onder Genesis 10:4. Schepen die uit Cyprus komen, zijn schepen die uit het westen komen, van de eilanden en kusten van de Middellandse Zee. In 1 Macc. 1:1 en 8:5 כּתּים wordt geïnterpreteerd als Macedonië, waarbij Bertholdt en Dereser denken aan de Macedonische vloot waarmee de Romeinse ambassade naar Alexandrië voer. Dit is historisch bewezen, dat de Romeinse ambassade, onder leiding van Popillius, met een vloot in Alexandrië verscheen en Antiochus op gebiedende wijze beval zijn onderneming tegen Egypte op te geven en naar zijn eigen land terug te keren (Liv. xlv. 10-12). De lxx hebben deze woorden daarom vertaald met: καὶ ἥξουσι ̔Ρηωμαῖοι καὶ ἐχώσουσιν αὐτὸν καὶ ἐμβριμήσονται αὐτῷ , en correct, voor zover de profetie de eerste historische prestatie in dat feit heeft ontvangen . , hij zal de moed verliezen, wordt door Hiëronymus terecht uitgelegd: non quod interierit, sed quod omnem arrogantiae perdiderit magnitudinem .

(Opmerking: de historische feiten zijn door Hitzig als volgt kort en overtuigend samengebracht: "Op klacht van de Alexandriërs stuurde de Romeinse senaat een ambassade, aan het hoofd stond C. Popillius Laenas (Polyb. xxix. 1; Liv. xliv. 19). Na te zijn vastgehouden in Delos (Liv. xliv. 29), zetten ze koers naar Egypte na de slag bij Pydna (Liv. xlv. 10). Hier ontmoette hij Antiochus vier Romeinse mijlen van Alexandrië, en presenteerde zich aan hem de boodschap van de senaat. Toen Antiochus uitlegde dat hij de zaak aan zijn raadslieden wilde voorleggen, beschreef Popillius met de staf die hij op zijn hand een cirkel rond de koning droeg, en beval hem zijn antwoord te geven voordat hij deze cirkel verliet. , verward door de omstandigheid, ingediend en trok zich terug uit Egypte (Liv. xlv. 12; Polyb. xxix. 11; Appian, Syr. c. 66; Justinus. xxxiv. 3).”)

וזעם ושׁב , niet: hij was weer woedend, want er wordt niets gezegd over een eerdere זעם . ושׁב , en hij keerde zich om (terug) van zijn expeditie tegen Egypte. Aangezien hij niets kon bereiken tegen de נגב ( het zuiden ), keert hij zijn verontwaardiging tegen Juda om het verbondsvolk te vernietigen (vgl. Daniël 11:28 ). De ושׁב in Daniël 11:30 hervat de ושׁב in Daniël 11:30 , om verder uit te drukken hoe hij zijn woede uitte. Hitzigs interpretatie van de eerste ושׁב van de terugkeer naar Palestina, van de tweede, van de terugkeer van Palestina naar Antiochus, is niet gerechtvaardigd. , hij zal observeren , richt zijn aandacht op de Joden die het heilige verbond hebben verlaten, dwz de afvallige Joden, opdat hij door hun hulp zijn plannen tegen de Mozaïsche religie zou kunnen uitvoeren - partim ornando illos honoribus, partim illorum studiis ad patriam Religionem obliterandam comparatis obsecundando , als CB Michaelis merkt uitstekend op; vgl. 1 Mack. 1:11-16 met 2:18.

Vers 31
Hier wordt vermeld wat hij tot stand heeft gebracht met de hulp van de afvallige Joden. זרעים, wapens , figuurlijk voor hulp ( Daniël 11:5 ), zijn oorlogszuchtige krachten, zoals Daniël 11:15 , Daniël 11:22 . Dat het meervoud. heeft hier de mannelijke vorm, terwijl het in die verzen de vrouwelijke vorm heeft. vorm, geeft geen reden voor een verschil van betekenis, aangezien זרוע in zijn eigenlijke betekenis van arm promiscue voorkomt met beide uitgangen in het meervoud; vgl. voor זרעים Genesis 49:24 ; Jesaja 51:5 ; 2 Koningen 9:24 . מן in ממּנּוּ is niet partitief, een deel van hem , dwz de gastheer als een deel van de koning (Hitzig), maar uit hem, of op zijn bevel. ik,op te staan , niet stil te staan , zoals Hitzig, op grond van de veronderstelling dat Antiochus bij zijn terugkeer uit Egypte een staand legerkorps in Jeruzalem zou plaatsen, zou het, in tegenstelling tot het gebruik van het woord, interpreteren, aangezien עמד niet betekenen stilstaan in de zin van achterblijven , hoewel het betekent volharden, de grond bewaren ( Daniël 11:6 , Daniël 11:15 ). Het wordt betwist of deze זרעים militaire troepen betekenen, troepen van de vijandige koning (Hävernick, v. Leng., Maur., Hitz., Klief.), of zijn handlangers van de afvallige partij van de Joden, en dus in wezen identiek aan בּרית עזבי , Daniël 11:30 (Calvin, Hengstb. Christol. iii. 1, blz. 110, Kran., en anderen). In het voordeel van de laatste opvatting betoogt Kranichfeld dat de בּרית עזבי ( die het verbond verzaken ), volgens Daniël 11:30 , in overweging komen als een steun aan de koning, en de ממּנּוּ van dit vers dat voor ons ligt, verwijst duidelijk naar de eigen leger van de koning, en zou daarom overbodig zijn. Maar deze twee redenen bewijzen niets. De ממּנּוּ is niet overbodig, ook al werd hij gebruikt door het eigen leger van de koning. Aangezien in Daniël 11:30 , Daniël 11:32de koning van het noorden is het onderwerp van de clausule, het was nodig in זרעים om te definiëren in welke relatie ze stonden tot de koning. Maar de andere opmerking, dat de בּרית עזבי in het zicht komt als een steun voor de koning, bewijst niet dat dit dezelfden zijn die het heiligdom ontheiligen en de gruwel der verwoesting opzetten. Integendeel, als ממּנּוּ de causale uitgang aangeeft, kunnen de זרעים niet de afvallige Joden zijn, maar alleen oorlogszuchtige krachten die de koning naar voren leidt. Als we verwijzen naar de afvallige joden, dan moeten we, met Hengstenberg en Gesenius, ממּנּוּ nemen in de zin van eo jubente . Bovendien staan de זרעים duidelijk in contrast met de בּרית מרשׁיעי van Daniël 11:32. Met zijn troepen (militaire troepen) verwoest de koning het heiligdom, en maakt hij door middel van gladde woorden degenen die zondigen tegen de verbondsheidenen. Kranichfeld zelf herkent dit contrast, en zal daarom begrijpen als het onderwerp van וחלּלוּ niet alleen "degenen die het verbond verzaken" ( Daniël 11:30 ), maar deze samen met en inclusief de oorlogszuchtige macht van de vijandige koning. Een hulpmiddel dat de moeilijkheid suggereerde. המקדּשׁ is de tempel, en המעוז ( de kracht ) is in appositie. Deze stelling zegt echter niet dat de tempel werd versterkt (v. Leng., Hitzig, Ewald), maar wijst op de tempel als de geestelijke vesting van Israël. De tempel is de " Feste Burg " (stevige toren) van het heilige verbond ( Daniël 11:28 .)), als de woonplaats van Jehova, die een stevige vesting is voor Zijn volk; vgl. Psalm 31:4-5 , (3, 4); Jesaja 25:4 ; Psalm 18:3 (2). חלּלוּ is in wezen identiek aan מקדּשׁו מכון השׁלך , Daniël 8:11 . De twee volgende clausules geven aan waar de ontheiliging in bestaat: in het wegnemen, het verwijderen van de verklaarde aanbidding van Jehova, en in het plaatsen, opzetten van de gruwel der verwoesting, dwz van het afgodenaltaar op Jehova's altaar van verbrande -offeren; zie onder Daniël 8:11 . משׁמם is niet de genitief, maar een bijvoeglijk naamwoord van השּׁקּוּץ (zonder het lidwoord na het bepaalde zelfstandig naamwoord, zoals bijv. Daniël 8:13 ): de verwoestende gruwel, dat wil zeggen, de gruwel die de verwoesting veroorzaakt. Met betrekking tot de vervulling, vgl. 1 Mack. 1:37, 45, 54.

Verzen 32-35
De gevolgen voor het volk Israël die voortvloeien uit deze zonde tegen het heilig verbond. - De goddelozen zullen heidens worden, dwz zij zullen geheel afvallig worden van de ware God; maar aan de andere kant zullen de vromen gesterkt worden in hun vertrouwen in de Heer. Dit is in het algemeen de strekking van Daniël 11:32, waarvan de eerste helft echter heel anders is geïnterpreteerd. בּרית מרשׁיעי betekent noch "zij die zondig een verbond sluiten" (Hävernick), noch "zondaars onder het verbondsvolk" (v. Lengerke), noch "zij die het verbond veroordelen", dwz zij die het teken van het verbond verwerpen, besnijdenis (Hitzig). De laatste betekenis is volkomen willekeurig. Tegen het tweede is het feit dat רשׁעים in gebruik is voor zondaars; tegen de eerste, dat בּרית הרשׁיע alleen kon betekenen: “het verbond strafbaar verklaren.” הרשׁיע betekent slecht handelen, zondigen, en בּרית kan alleen de accusatief van verwijzing zijn, die ter beperking ondergeschikt is aan het deelwoord (Ewald, §288); letterlijk: “het goddeloos handelen met betrekking tot het verbond. De afwezigheid van het lidwoord in בּרית is geen bewijs tegen de verwijzing van het woord naar het heilig verbond. Het artikel ontbreekt in Daniël waar anders de bepaling uit de verbinding wordt gevonden, bijv.Daniël 8:13 . Zondigen tegen het verbond is weliswaar een sterkere uitdrukking dan בּרית עזב ( het verbond verzaken ), maar het omvat niet het idee van de gehele afvalligheid van God, maar alleen brutale schending van de verbondswet, dus die van בּרית מרשׁיעי het kan heel goed worden geprediceerd יחניף . החניף betekent niet verontreinigen (Kran.), maar ontheiligen , ontheiligen ; en over personen gesproken, om hen tot heidenen te maken , zoals vaak in het Syrisch. חלקּות , vleierijen , hier bedrieglijke beloften van aards voordeel; vgl. onder Daniël 11:21. Zie voor het hier besproken onderwerp 1 Macc. 2:18. אלהיו ידעי zijn de ware belijders van de Heer. Het achtervoegsel bij אלהיו mag noch distributief worden geïnterpreteerd noch naar עם worden verwezen. Aan יחזיקוּ moeten we leveren בּבּרית vanuit de context: “vasthouden aan het verbond”. ועשׂוּ , zoals Daniel 11:17 , Daniel 11:28 , Daniel 11:30 , om het ontwerp uit te voeren. Op welke manier dit wordt gedaan, wordt uitgelegd in Daniël 11:33 en Daniël 11:34 .

Daniël 11:33
משׂכּילי zijn niet de leraren , maar intelligente mensen, degenen die inzicht of begrip hebben. Met het woord worden de vromen bedoeld, zij die hun God kennen ( Daniël 11:32 ). Dit blijkt uit het contrast רשׁעים, Daniël 12:10 . Volgens het OT zijn wijsheid, inzicht, correlatieve ideeën met de vreze Gods, vroomheid, Psalm 14:1 ; Baan 28:28 ; en לרבּים met het artikel, develen, de grote schare van de mensen die zichzelf naar voren schuiven door de verstandige verschijning van de vromen, worden ertoe bewogen zich vast te houden aan de wet van de Heer. Toch zullen zij die begrijpen voor een tijd door het zwaard vallen, enz. Het onderwerp van נכשׁלוּ is niet de רבּים , of die met de leraren (Hitzig), maar de עם משׂכּילי , maar niet allemaal, maar volgens Daniël 11:35 , een aantal van hen; want in Daniël 11:35vallen wordt niet in de eerste plaats bepaald door de leraren, zoals Hitzig denkt, maar alleen het effect dat dat zou hebben op het hele volk. De woorden wijzen op een oorlogszuchtige opstand van de trouwe leden van het verbondsvolk tegen de vijandige koning, en hebben hun eerste historische vervulling gehad in de opstand van de Makkabeeën tegen Antiochus Epiphanes; vgl. 1 Mack. 2 ev. In 1 Macc. 1:57; 2:38; 3:41; 5:13, 2 Mack. 6:11 zijn er voorbeelden van dit vallen door het zwaard. De רבּים na ימים in verschillende Codd . is een waardeloze glans.

Daniël 11:34
Door de val van de vromen in de oorlog zal er weinig hulp komen voor het volk van God. מעט ( kleine )) wordt niet “minachtend gesproken” (Hitzig), maar de hulp wordt zo genoemd in vergelijking met de grote verlossing die in de tijd van het einde tot het volk van God zal komen door de volledige vernietiging van de onderdrukker. We mogen daarom, met Hitzig en anderen, deze uitdrukking niet beperken tot de omstandigheid dat ze met de overwinningen van Judas Maccabaeus (1 Macc. 3:11ff., 23ff., 4:14, etc.) lang niet alles wonnen, want ze kregen ook een nederlaag (1 Macc. 5:60v.). Want met de omverwerping van Antiochus en de bevrijding van de Joden van het Syrische juk was er nog geen volledige hulp aan het volk van God. De "kleine hulp" bestaat hierin, dat door de opstand en de oorlogen van degenen die begrip hadden onder het volk, de theocratie werd behouden, de vernietiging van de dienst van Jehova en van de kerk van God, die door de vijandige koning werd beoogd, werd verhinderd en, zoals de volgende clausules uitdrukken, wordt de zuivering van het volk van God tot stand gebracht. Deze zuivering is het ontwerp en de vrucht van de onderdrukking die God over Zijn volk brengt door middel van de vijandige koning. Het bereiken van dit doel is een "kleine hulp" in vergelijking met de volledige overwinning op de aartsvijand van de tijd van het einde. Velen zullen zich verbinden met de משׂכּילים (Smarts , Daniël 11:33 ) met vleierijen (zoals Daniël 11:21 ). “De successen van Judas en de strengheid waarmee hij en Mattathias de afvalligen behandelden (1 Mack. 2:44; 3:5, 8), hadden tot gevolg dat velen zich bij hen voegden, alleen door huichelarij (1 Mack. 7: 6; 2 Mack. 14:6), die hen weer in de steek liet zodra de gelegenheid zich voordeed; 1 Mack. 6:21vv., 9:23” (Hitzig, Kliefoth).

Daniël 11:35
Dat is de ervaring geweest in alle perioden van de kerkgeschiedenis. Daarom moet de kerk door het zuiveringsproces van de verdrukking gaan, waarbij niet alleen de lauwen wegvallen in tijden van conflict, maar ook velen zelfs מן־המּשׂכּילים . מן is hier partitief. יכּשׁלוּ ( zij zullen vallen ) moet worden begrepen (vgl. Daniël 11:33 , בח נכשׁלוּ) niet alleen van de dood in de strijd, maar van andere calamiteiten, zoals gevangenschap, geplunderd worden, enz. בּהם לצרוף smelten , dwz zuiver door hen, niet wat hen betreft; want ב rof ;meht vertegenwoordigt niet de accusatief, zoals Kranichfeld denkt, ter bevestiging verwijzend naar Ewald, §282. Het gebruik van ב waarover daar gesproken wordt, is van een andere aard. Het achtervoegsel in בּהם verwijst niet alleen naar “zij die begrijpen” (Häv.), noch naar de “velen”, Daniël 11:33 (v. Leng.), en nog minder naar de vleiers in Daniël 11:34 (Maurer), maar aan al dezen tezamen, of aan het hele gezelschap van het volk van God in de som van hun individuen. De werkwoorden וללבּן לברר dienen om de uitdrukking te versterken ( ללבּן voor ללבּין vanwege de assonantie). קץ עד־עת ( tot de tijd van het einde) is verbonden met יכּשׁלוּ , de hoofdgedachte van de passage. Het struikelen en vallen van "zij die begrijpen" (de vromen) zullen doorgaan tot de tijd van het einde, om de reiniging van de mensen teweeg te brengen voor hun verheerlijking in de tijd van het einde. Want het einde strekt zich nog uit tot de vastgestelde tijd (vgl. Daniël 11:27 ); dat wil zeggen, het komt niet binnen met de "kleine hulp" die Israël ontving door het opstaan van "zij die begrijpen" tegen de vijandige koning, dus niet met de kwellingen die hen door Antiochus overkwamen, maar het zal daarna komen bij de door God bepaalde tijd. De bewering dat "het einde verband houdt met de dood van koning Antiochus Epiphanes" (Hitzig, Bleek en anderen) is gebaseerd op een verkeerd begrip van de volgende sectie, Daniël 11:36-45. Integendeel, Kranichfeld heeft terecht opgemerkt dat “de uitspraken in Daniël 11:36-39 incl . met betrekking tot de koning van het noorden, vallen nu, in overeenstemming met de context, in de periode die zal verstrijken op die tijd van het einde dat dan zal worden geprofeteerd.

Vers 36
De vijandige koning die zichzelf verheft boven alle goddelijke en menselijke verordeningen in de tijd van het einde - Daniël 11:36-39 Deze verheerlijking van de koning wordt hier ingeleid door de formule כרצנו ועשׂה , die de eigen wil en de onweerstaanbare macht van zijn optreden uitdrukt; vgl. Daniël 3:16 en Daniël 8:4 - "een gemeenschappelijk kenmerk van Antiochus en Antichrist" (Klief.). Hij zal zich boven elke god verheffen, niet alleen 'subjectief in zijn verheven verbeelding' (Hitzig), maar ook door zijn daden. , elke god, niet alleen de God van Israël, maar ook de goden van de heidenen. Dit is het niet eens met Antiochus. De ἰσόθεα φρονεῖν ὑπερηφανῶς die van hem wordt gezegd, 2 Macc. 9:12, is niet een verheerlijking van zichzelf boven elke god. “Antiochus was geen ; hij wilde zelfs de aanbidding van Zeus universeel maken; en dat hij ooit de tempel verwoestte, betekent niet dat hij zich boven elke god verhief' (Klief.). Veel eerder van Antiochus, zoals Livius (41:20) zegt, in duabus tamen magnis honestisque rebus fere regius erat animus, in urbium donis et deorum cultu . Integendeel, deze woorden die voor ons liggen worden uitdrukkelijk verwezen naar de Antichrist, 2 Thessalonicenzen 2:4 .

Verder zal hij in zijn arrogantie , wonderbaarlijke, dwz goddeloze en verbazingwekkende dingen, spreken tegen de God der goden, dwz de ware God. Deze clausule verklaart en versterkt de מלּל רברבן ( grote dingen spreken ), die over de vijand wordt gezegd in de tijd van het einde, Daniël 7:8 , Daniël 7:11 , Daniël 7:20 . Hierin zal hij voorspoedig zijn, maar alleen totdat de toorn van God tegen Zijn volk ( zoals Daniël 8:19 ) zal zijn volbracht. Betreffende כלה zie in Daniël 9:27 . Deze toorn van God is onherroepelijk vastgesteld ( ), dat Zijn volk geheel zal worden gezuiverd voor de voltooiing van Zijn koninkrijk in heerlijkheid. De perf . נעשׂתה staat niet voor deonvoltooid . omdat het is verordend, maar in de juiste betekenis, volgens welke het de zaak voorstelt als voltooid, geregeld. Hier betekent het dan ook: "want dat wat onherroepelijk is verordend, is volbracht, moet niet worden teruggeroepen, maar moet worden gedaan."

Vers 37
De verheerlijking van zichzelf vooral van de kant van de koning wordt nader beschreven. "Hij zal de goden van zijn vaderen niet beschouwen", dat wil zeggen, hij zal de verering van de goden die hem door zijn vaderen is overgedragen, terzijde schuiven. Ook dit komt niet overeen met Antiochus Epiphanes, van wie de geschiedenis weliswaar vermeldt dat hij de eredienst van de joden wilde onderdrukken, maar het weet niets

(Opmerking: De verklaring in 1 Mack. 1:41 ev.: "Bovendien schreef koning Antiochus aan zijn hele koninkrijk dat alles één volk zou zijn, en dat iedereen zijn wetten zou hebben: zo stemden alle heidenen in volgens het gebod van de koning ," is hier geen bewijs van. "Want", zoals Grimm terecht opmerkt, "het verslag van een dergelijk besluit van Antiochus aan alle(niet Helleense) volkeren van zijn koninkrijk is zeer twijfelachtig. Geen enkele profane historicus vermeldt er iets over, noch Josephus, noch de auteur van het tweede boek van de Makkabeeën in de parallelle passages. Het is waar dat Antiochus, volgens Livius, xli. 20, legde grote eer aan Jupiter door een prachtige tempel voor Tages te bouwen, en volgens Polybius, xxvi. 10, 11, hij overtrof alle koningen die hem voorgingen in dure offers en geschenken ter ere van de goden; maar dit is geen bewijs van een bekerend fanatisme.” Het tegendeel blijkt eerder uit Josephus, Antt. xii. 5. 5, waar de Samaritanen, in een brief aan Antiochus, verklaren, in tegenstelling tot de mening die hun gouverneur over hen had, dat zij naar afkomst en gewoonte geen Joden waren. Hun brief berust op de veronderstelling dat het koninklijk besluit alleen tegen de joden was gericht. vgl. Falthe, Gesch. Macedoniërs , ii. p. 596. Ook Diodorus (xxxiv. 1), naar wie Hitzig verwijst, stelt alleen dat Antiochus τὰ νόμιμα van het Joodse volk wilde ontbinden en de Joden wilde dwingen hun manier van leven op te geven ( τὰς ἀγωγὰς μεταθέσθαι ).

van pogingen die hij deed om de goden en de aanbidding van andere naties te vernietigen. De woorden die volgen, על־חמדּת, begrepen de oude uitleggers van de liefde van vrouwen, of van de echtelijke liefde; de moderne, naar het voorbeeld van JD Michaelis en Gesenius daarentegen, begrijpen ze van de godin Anaïtis of Mylitta, de Assyrische Venus, en verwijzen ze speciaal naar de verwoesting van de tempel van deze godin in Elymaïs (1 Mack. 6: 1, vgl. 2 Mack. 1:13). Ewald zou met de uitdrukking 'het verlangen van vrouwen' eindelijk de Syrische godheid Tammuz-Adonis begrijpen. De verbinding vereist dat we aan een godheid denken, omdat deze woorden tussen twee uitdrukkingen worden geplaatst die naar de goden verwijzen. Maar de verbinding is niet helemaal beslissend; in plaats daarvan geeft de כּל על in de zin aan het einde van het vers aan dat het onderwerp waarover gesproken wordt niet alleen de koning is' Hij verheft zich boven de goden, maar ook boven andere voorwerpen van vrome verering. Een verbaal bewijs dat נשׁים חמדּת de Anaïtis of Adonis aanduidt als de favoriete godheid van vrouwen is niet aangevoerd. Voor deze woordendesiderium mulierum , duiden niet datgene aan wat vrouwen verlangen, maar dat wat vrouwen bezitten wat wenselijk is; vgl. onder 1 Samuël 9:20 . Maar het is onmogelijk dat dit Anaïtis of Adonis kan zijn, maar het is een bezit of kostbare schat van vrouwen. Dit begeerlijke bezit van vrouwen is zonder twijfel liefde; zodat, zoals CB Michaelis heeft opgemerkt, de uitdrukking niet wezenlijk verschilt van נשׁים אהבת , de liefde voor vrouwen, 2 Samuël 1:26. De gedachte: "hij zal de begeerte van vrouwen niet beschouwen, of de liefde van vrouwen", stemt perfect overeen met het verband. Nadat in de eerste clausule is gezegd: hij zal zich bevrijden van alle religieuze eerbied die door zijn vaders is overgedragen, van alle vroomheid jegens de goden waarin hij was opgeleid, wordt vervolgens in de tweede clausule toegevoegd: niet alleen zo, maar in het algemeen van alle vroomheid jegens mensen en God, van alle tedere genegenheden van de liefde van mensen en van God. De 'liefde voor vrouwen' wordt genoemd als een voorbeeld gekozen uit de sfeer van menselijke vroomheid, als die genegenheid van menselijke liefde en gehechtheid waarvoor zelfs de meest egoïstische en meest wilde mannen enige gevoeligheid voelen. Daarbij zal hij zich bevrijden van כּל־אלוהּ , van alle vroomheid of eerbied voor God of voor het goddelijke (Klief.). Deze gedachte wordt dan bevestigd door de laatste zin: "want hij zal zich boven alles grootmaken." Aan על mogen wij niet leveren; want deze clausule geeft niet alleen de reden voor de voorgaande clausule, וגו כּל־אלוהּ על , maar voor beide voorgaande clausules. Hitzig en Kliefoth hebben gelijk in hun interpretatie: "boven alles, of alles, goden en mensen", zal hij zichzelf grootmaken, zichzelf verheffen in arrogantie.

Vers 38
Aan de andere kant zal hij de god van de forten eren. Dat מעזּים bij Theodotion, de Vulgaat, Luther en anderen niet als de eigennaam van een god moet worden beschouwd, wordt nu algemeen erkend. Maar over welke god moet worden begrepen door de 'god van de forten', bestaat er een zeer grote verscheidenheid van meningen. Grotius, CB Michaelis, Gesenius en anderen denken over Mars, de god van de oorlog, zoals hij het bedoelde; Hävernick, v. Lengerke, Maurer en Ewald hebben betrekking op Jupiter Capitolinus, aan wie Antiochus van plan was een tempel in Antiochië op te richten (Livius, xli. 20); anderen, Jupiter Olympius; terwijl Hitzig, door מעזּים te veranderen in ים מעז , fort van de zee, denkt dat Melkart, of de Fenicische Hercules, wordt bedoeld. Maar volgens de volgende passage was deze god niet bekend bij zijn vaders. Dat kon noch van Mars, noch van Jupiter, noch van Melkart worden gezegd. Voeg hieraan toe: "dat als de verklaring hier verwijst naar het eren van Hercules, of Mars, of Zeus, of Jupiter, daarmee alles zou worden ontkend dat eerder werd gezegd dat de koning verstoken was van alle religie" (Klief.). De woorden stemmen dus in geen enkel opzicht overeen met Antiochus, en laten ons niet toe aan een bepaalde heidense godheid te denken. כּנּו על betekent niet op zijn fundament , voetstuk(Häv., v. Leng., Maurer, Hitzig, Ewald), omdat de opmerking dat hij God op zijn voetstuk eerde, volkomen ongepast zou zijn, tenzij ook was gezegd dat hij een standbeeld voor hem had opgericht. כּנּו על heeft hier dezelfde betekenis als in Daniël 11:7 , Daniël 11:20 , Daniël 11:21: "in zijn plaats of plaats" (Gesenius, de Wette, Kliefoth en anderen). Maar het achtervoegsel is niet, met Klief., te verwijzen naar כּל על : in de plaats van dat alles, dat hij niet beschouwde, maar het verwijst naar כּל־אלוהּ : in de plaats van elke god; wat niet wordt weerlegd door het bezwaar dat in dat geval het achtervoegsel meervoud had moeten zijn, omdat het achtervoegsel verbonden is met het enkelvoud אלוה . De 'god van de forten' is de personificatie van oorlog, en de gedachte is deze: hij zal geen andere god beschouwen, maar alleen oorlog; het nemen van forten zal hij zijn god maken; en hij zal deze god vooral aanbidden als middel om de wereldmacht te verwerven. Van deze god, oorlog als voorwerp van vergoddelijking, zou men kunnen zeggen dat zijn vaders niets wisten, omdat geen andere koning oorlog tot zijn religie had gemaakt, zijn god aan wie hij alles offerde, goud, zilver,

Vers 39
Met de hulp van deze god, die onbekend was bij zijn vaders, zal hij zo optrekken tegen de sterke forten dat hij degenen die hem erkennen met eer, macht en rijkdom beloont. Dit is de betekenis van het vers, dat heel anders is weergegeven. De meeste moderne vertolkers scheiden de twee delen van het vers van elkaar, want ze verwijzen de eerste hemistich naar de voorgaande, en in de tweede vinden ze een nieuwe gedachte uitgedrukt. Hהvernick en v. Lengerke leveren een demonstratieve כּה , dus: - zo zal hij samen met de vreemde goden de gewapende forten aandoen, dwz de versterkte tempels met schatten vullen en hun eredienst bevorderen. Maar het supplement כּה is hier even willekeurig als de interpretatie van de gewapende forten van tempels. Hitzig mist het object tot עשׂה, en zoekt het door עם in עם te veranderen: hij bereidt voor de gewapende forten een volk van een vreemde god voor; maar afgezien van het feit dat de verandering van de tekst willekeurig is, is het gebruik van de uitdrukking "mensen van een vreemde god" voor kolonisten het meest bijzonder. Ewald vertaalt de uitdrukking als volgt: "hij gaat met de sterke forten verder als met de vreemde god", en legt uit: "hij houdt van de forten slechts als een god;" maar hij heeft geen bewijs geleverd dat ל עשׂה betekent liefhebben. Het ontbrekende object naar ועשׂה volgt in de tweede hemistich, net als inDeuteronomium 31:4 ; Jozua 8:2 ; Jesaja 10:11 . עשׂה betekent simpelweg iemand iets aandoen (Kran., Klief.). נכר אלוהּ עם , met de hulp van de vreemde god ( עם van assistentie, zoals in 1 Samuël 14:45 ), niet: in de geest van de vreemde god (Kliefoth). מעזּים מבצרי , versterkte , dwz sterke forten , zijn niet de versterkte muren en huizen, maar de bewoners van de versterkte steden. Hiermee doet hij naar zijn wil met de hulp van zijn god, dwz van oorlog, namelijk hierin, dat hij alleen degenen beloont die hem erkennen met eer en macht. אשׁר , wie erkent, sc. hem, de koning die oorlog tot zijn god maakte. Hitzig heeft verkeerd geïnterpreteerd: wie hij erkent. De Keri יכּיר voor de Kethiv הכּיר is hier een onnodige aanvulling, zoals in Jesaja 28:15 met עבּר . Het werkwoord הכּיר is gekozen om na te denken over het woord נכר . Het betekent hem herkennen, op de juiste manier erkennen als wat hij is of wenst te zijn; vgl. Deuteronomium 21:17 . Zo iemand zal hij met eer vermeerderen, hem soevereiniteit over velen verlenen en het land verdelen. בּמחיר is niet tegen betaling, als beloning, in tegenstelling tot חנּם ( gratis ) (Kran.). Dat is hier geen geschikte weergave. Het woord betekent eerder pro praemio, als beloning (Maur., Klief.), als beloning voor de hem toegekende erkenning. De Vulgaat geeft het correct weer volgens de zin gratuito . Hierin vinden de meest moderne uitleggers een verwijzing naar de omstandigheid dat Antiochus de Joodse forten bezette met heidense garnizoenen, en zijn aanhangers beloonde met ereplaatsen en met landbezit (2 Mack. 4:10, 24; 5:15). Maar dit is wat alle veroveraars doen, en het was niet eigen aan Antiochus, zodat het als kenmerkend voor hem kon worden genoemd. De woorden bevatten de algemene gedachte dat de koning eer, macht en bezittingen zal schenken aan degenen die hem erkennen en zich naar zijn wil gedragen, en ze stemmen in nog hogere mate met het karakter van de antichrist overeen dan met dat van Antiochus.

Verzen 40-43
De laatste verbintenissen van de vijandige koning en zijn einde

Door de woorden קץ בּעת , die deze verzen inleiden, worden de volgende gebeurtenissen in de tijd van het einde geplaatst. Uitgaande van de opvatting dat de hele tweede helft van dit hoofdstuk (vs. 21-45) over Antiochus en zijn ondernemingen gaat, vinden de meeste moderne uitleggers in de verzen de profetie van een laatste expeditie van deze Syrische koning tegen Egypte, en citeren ter ondersteuning van deze visie de woorden van Jerome:Et haec Porphyrius ad Antiochum refert, quod undecimo anno regni sui rursus contra sororis filium, Ptolem. Philometorem dimicaverit, qui audiens venire Antiochum congregaverit multa populorum millia, sed Antiochus quasi tempestas valida in curribus et in equitibus et in classe magna ingressus sit terras plurimas et transeundo universa vastaverit, veneritque ad Judaeam et arcemis. Maar over deze expeditie zwijgen niet alleen historici, maar de veronderstelling van zoiets staat in onverzoenlijke tegenspraak met de historische feiten met betrekking tot de laatste ondernemingen van Antiochus. Volgens 1 Macc. 3:27vv., Antiochus, toen hij bericht ontving van de succesvolle opstand van de Makkabeeën en van de overwinning die Judas had behaald, omdat hij ontdekte dat geld hem ontbrak om de oorlog voort te zetten, besloot hij terug te keren naar Perzië, "daar om de schatting van de landen te innen” (1 Mack. 3:31); en nadat hij Lysias gouverneur had gemaakt, gaf hij hem de ene helft van zijn leger, opdat hij daarmee “de sterkte van Israël zou vernietigen en uitroeien”, en met de andere helft vertrok hij uit Antiochië en stak de Eufraat over naar de hoge landen, dwz de hooggelegen landen aan de overzijde van de Eufraat (1 Macc. 3:33-37). Daar hoorde hij van de grote schatten van een rijke stad in Perzië, en besloot deze stad aan te vallen en haar schatten te nemen; maar toen de inwoners bericht kregen van het voornemen van de koning, werd hij teruggedreven en gedwongen terug te keren naar Babylon, zonder iets tot stand te hebben gebracht. Bij zijn terugkeer hoorde hij in Perzië de tijding van de omverwerping van Lysias in een strijd met de Makkabeeën, en van de herbouw van het altaar van Jehovah in Jeruzalem; waarop hij zo overmand werd door angst en ontzetting, dat hij ziek werd en stierf (1 Mack. 6:1-16). De historische waarheid van dit rapport wordt bevestigd door Polybius, die vermeldt ( hij werd teruggedreven en gedwongen om terug te keren naar Babylon, omdat hij niets had bereikt. Bij zijn terugkeer hoorde hij in Perzië de tijding van de omverwerping van Lysias in een strijd met de Makkabeeën, en van de herbouw van het altaar van Jehovah in Jeruzalem; waarop hij zo overmand werd door angst en ontzetting, dat hij ziek werd en stierf (1 Mack. 6:1-16). De historische waarheid van dit rapport wordt bevestigd door Polybius, die vermeldt ( hij werd teruggedreven en gedwongen om terug te keren naar Babylon, omdat hij niets had bereikt. Bij zijn terugkeer hoorde hij in Perzië de tijding van de omverwerping van Lysias in een strijd met de Makkabeeën, en van de herbouw van het altaar van Jehovah in Jeruzalem; waarop hij zo overmand werd door angst en ontzetting, dat hij ziek werd en stierf (1 Mack. 6:1-16). De historische waarheid van dit rapport wordt bevestigd door Polybius, die vermeldt (Fragment . xxxi. 11) dat Antiochus, die wegens geldgebrek in moeilijkheden verkeerde, probeerde de tempel van Artemis en Elymaïs te verwoesten, en als gevolg van het mislukken van zijn ontwerp werd hij ziek in Tabae in Perzië en stierf daar. Door deze vaststaande feiten wordt de veronderstelling van een invasie van Egypte door Antiochus in het elfde, dwz het laatste jaar van zijn regering, uitgesloten. Ook de Romeinen zouden, nadat ze al door hun tussenkomst zijn plan tegen Egypte hadden verijdeld, zeker een nieuwe oorlog hebben voorkomen, en al helemaal niet zouden ze een volledige onderwerping van Egypte en het zuiden hebben toegestaan, wat we na Daniël 11:42 moeten accepteren. , Daniël 11:43. Bovendien blijkt de verklaring van Porphyrius hierdoor verstoken te zijn van historische geldigheid, dat volgens haar Antiochus de aanval op Egypte moet hebben uitgevoerd, terwijl integendeel, volgens de profetie, Daniël 11:40 , de koning van het zuiden begint de oorlog tegen de koning van het noorden, en deze trekt als gevolg van deze aanval door de landen met een machtige legermacht en onderwerpt Egypte.

Om deze redenen hebben v. Lengerke, Maurer en Hitzig de verklaring van Porphyrius als onhistorisch opgegeven en hebben ze zich beperkt tot de veronderstelling dat de sectie ( Daniël 11:40-45 ) slechts een uitgebreide herhaling is van wat al is gezegd . Er is gezegd over Antiochus Epiphanes, volgens welke "de tijd van het einde" ( Daniël 11:40 ) niet de nabije tijd van de dood van Antiochus aanduidt, maar in het algemeen de hele periode van deze koning. Maar dit is, vergeleken met Daniël 11:27 , Daniël 11:35 , onmogelijk. Als dat zo is, volgens Daniël 11:35, zal de verdrukking waarmee het volk van God zal worden bezocht door de vijandige koning voor hun reiniging duren tot de tijd van het einde, dan kan de tijd van het einde waarnaar de profetieën van Daniël 11:40-45 vallen niet het geheel aanduiden duur van het gedrag van deze vijand, maar alleen het einde van zijn regering en van zijn vervolgingen, waarin hij omkomt ( Daniël 11:40 ). Integendeel, de verwijzing naar Daniël 8:17 stelt niets voor, omdat ook daar קץ עת dezelfde betekenis heeft als hier, dwz het duidt het einde van het genoemde tijdperk aan, en wordt alleen meer algemeen uitgedrukt door middel van לעת dan hier, waar door בּעת en de verbinding met Daniël 11:35het einde is scherper gedefinieerd. Hieraan moet worden toegevoegd, dat de inhoud van Daniël 11:40-45 onverenigbaar is met de veronderstelling dat daarin in uitgebreide vorm wordt herhaald wat al over Antiochus is gezegd, want hier wordt iets nieuws aangekondigd, iets waarvan niets is al eerder gezegd. Dit hebben zelfs Maurer en Hitzig niet kunnen ontkennen, maar hebben getracht zoveel mogelijk te verbergen, - Maurer door de opmerking: res a scriptore iterum ac saepius pertractatas esse, extremam vero manum operi defuisse ; en Hitzig door verschillende wendingen - 'zoals het lijkt', 'maar niet nauwkeuriger wordt erkend', 'het feit wordt niet elders gecommuniceerd' - die duidelijk slechts geïmproviseerde veranderingen zijn.

Dus Daniël 11:40-45 is niet van toepassing op Antiochus Epiphanes, maar met de meeste oude uitleggers verwijzen ze alleen naar de laatste vijand van het volk van God, de Antichrist. Deze verwijzing is terecht bevestigd door Kliefoth. We kunnen het echter niet met hem eens zijn in het onderscheiden van deze vijand in Daniël 11:40van de koning van het zuiden en van het noorden, en als we dit vers begrijpen als een aanduiding "dat in de tijd van deze vijandige koning, die de tijd van het einde zal zijn, de koningen van het zuiden zowel als van het noorden zullen aanvallen hem, maar dat hij in hun land zal doordringen en ze zal omverwerpen.” Zonder rekening te houden met de samenhang, is deze interpretatie niet alleen mogelijk, maar het is zelfs heel natuurlijk om het achtervoegsel in עליו en in עמּו te verwijzen naar één en dezelfde persoon, namelijk naar de koning waarover tot nu toe is gesproken, en die gaat verder in Daniël 11:40-45hoofdonderwerp zijn. Maar de verbinding maakt deze verwijzing onmogelijk. Het is inderdaad waar dat het achtervoegsel in עמּו zonder twijfel naar deze koning verwijst, maar het achtervoegsel in עליו kan alleen worden verwezen naar de koning van het zuiden die direct daarvoor is genoemd, die op hem aandringt, omdat de koning tegen wie de koning van het zuiden duwt, en van wie wordt melding gemaakt vv. 21-39, wordt niet alleen duidelijk aangeduid als de koning van het noorden ( Daniël 11:13-21 ), maar volgens Daniël 11:40-43 rukt hij ook op vanuit het noorden tegen het Heilige Land en tegen Egypte; dus moet ook volgens Daniël 11:40-43 identiek zijn aan de koning van het noorden. In Daniël 11:40-43 lezen we niet over een oorlog van de vijandige koning tegen de koning van het zuiden en de koning van het noorden. De woorden waarin Kliefoth dergelijke aanwijzingen vindt, moeten anders worden begrepen.

Daniël 11:40
Als we nu nauwkeuriger naar bijzonderheden kijken, zien we dat קץ עת niet het einde van de vijandige koning is, maar, zoals in Daniël 11:27 , Daniël 11:35 , het einde van de huidige wereldperiode, waarin ook, het is waar, het einde van deze koning vindt plaats ( , Daniël 11:45 ). Voor de figuurlijke uitdrukking יתנגּח ( zal duwen ), vgl. Daniël 8:4. In het woord daar ligt het idee dat de koning van het zuiden de oorlog begint, een aanval doet op de vijandige koning. In de tweede clausule wordt het onderwerp nauwkeuriger gedefinieerd door "de koning van het noorden" omwille van de duidelijkheid, of om dubbelzinnigheid te vermijden, waaruit volgt dat het achtervoegsel in עליו verwijst naar de koning van het zuiden. Als het onderwerp niet werd genoemd, zou in deze clausule "de koning van het zuiden" ervoor kunnen zijn gekozen. De woorden "met strijdwagens en met ruiters en met vele schepen" zijn een oratorisch voorbeeld van het machtige krijgsleger dat de koning van het noorden tentoonspreidde; voor de verdere verklaring, "hij dringt de landen binnen, stroomt over en gaat over" ( ועבר שׁטף zoals Daniël 11:10), is het niet eens met het idee van een vloot, maar verwijst naar landstrijdkrachten. Het meervoud. בּארצות ( in de landen ) is het helemaal niet eens met de expeditie van een Syrische koning tegen Egypte, aangezien er tussen Syrië en Egypte één land lag, Palestina; maar het bewijst ook niet dat "het zuidelijke land en het noordelijke land, de landen van de koningen van het zuiden en van het noorden, worden bedoeld" (Klief.), maar hieruit moet worden verklaard dat de noorden, van waaruit de woedende koning in zijn woede tegen de koning van het zuiden komt, reikte tot ver buiten Syrië. De koning van het noorden wordt gezien als de heerser van het verre noorden.

Daniël 11:41
Doordringend in de landen en ze overspoelend met zijn gastheer, komt hij in het glorieuze land, dat wil zeggen Palestina, het land van het volk van God. Zie Daniël 11:16 en Daniël 8:9 . "En velen zullen worden omvergeworpen." רבּות is niet onzijdig, maar verwijst naar ארצות , Daniël 11:40 . Want “dat het hele land wordt bedoeld, vertegenwoordigd door hun inwoners (vgl. Het werkwoord masc. יכּשׁלוּ [ zal omvergeworpen worden]), gaat uit van de uitzonderingen waarvan de tweede helft van het vers melding maakt” (Kran.). De drie volkeren, Edomieten, Moabieten en Ammonieten, worden voorgesteld als geheel gespaard, omdat ze, zoals Hiëronymus heeft opgemerkt, in het binnenland lagen, uit de weg van de opmars van Antiochus naar Egypte (v. Leng., Hitzig , en anderen). Deze mening spreekt Hitzig met rechtvaardigheid als volkomen oppervlakkig, aangezien Antiochus niet zou hebben nagelaten oorlog tegen hen te voeren, zoals zijn vader bijvoorbeeld de Ammonieten in de oorlog overwon (Polyb. v. 71), als ze geen onbetwistbare bewijzen hadden gegeven van hun onderwerping aan hem. Bovendien is het een historisch feit dat de Edomieten en Ammonieten Antiochus steunden in zijn operaties tegen de Joden (1 Mack. 5:3-8; 4:61); daarom merkt Maurer op, onder ימּלטוּ ( ze zullen ontsnappen ):eorum enim in oppremendis Judaeis Antiochus usus est auxilio . Maar aangezien de koning waarover hier wordt gesproken niet Antiochus is, valt deze historiserende interpretatie vanzelf op de grond. Er wordt verder met justitie bezwaar tegen gemaakt, dat ten tijde van Antiochus het volk Moab niet meer bestond. Na de ballingschap verschijnen de Moabieten niet langer als een natie. Ze worden alleen genoemd ( Nehemia 13:1 en Ezra 9:1), in een passage geciteerd uit de Pentateuch, samen met de Filistijnen en de Hettieten, om de relaties van het heden na de relaties van de tijd van Mozes te karakteriseren. Edom, Moab en Ammon, die door afstamming met Israël verbonden zijn, zijn de oude erfelijke en voornaamste vijanden van dit volk, die bij naam vertegenwoordigers zijn geworden van alle erfelijke en voornaamste vijanden van het volk van God. Deze vijanden ontsnappen aan de omverwerping wanneer de andere naties onder de macht van de Antichrist zinken. עמּון בּני ' ראשׁית, 'de eersteling van de zonen van Ammon', dwz datgene wat het meest gewaardeerd of onderscheiden werd van de Ammonieten als een eersteling, waarmee Kranichfeld de belangrijkste stad van de Ammonieten verstaat. Eenvoudiger verstaan anderen onder de uitdrukking "de bloem van het volk, de kern van de natie"; vgl. Nummers 24:20; Amos 6:1 ; Jeremia 49:35 . De uitdrukking is in zoverre volkomen geschikt als in de bloem van het volk het karakter van de natie zich laat zien, de vijandschap tegen het volk van God het duidelijkst wordt onthuld; maar in deze vijandschap ligt de reden waarom dit volk door de vijand van God wordt gespaard.

Daniël 11:43
Samen met de landen vallen al hun schatten in het bezit van de veroveraar, en ook alle bondgenoten van het gevallen koninkrijk zullen gedwongen worden zich aan hem te onderwerpen. De genitief מצרים behoort niet alleen tot חמות ( kostbare dingen ), maar tot alle eerder genoemde objecten. בּמצעדיו ( op zijn voetstappen ) = בּרגליו , Richteren 4:10 , duidt de kampvolgers aan, maar niet als huursoldaten (v. Leng., Hitz.). De Libiërs en Kusieten vertegenwoordigen alle bondgenoten van de Egyptenaren (vgl. Ezechiël 30:5 ; Nahum 3:9 ), de meest zuidelijke naties van de aarde.

Vers 44-45
Het einde van de vijandige koning

Zoals reeds is gezien, komen de uitspraken in Daniël 11:40-43 over deze koning niet overeen met Antiochus Epiphanes, dus ook de uitspraken over zijn einde zijn in tegenspraak met de historische feiten over het einde van de Syrische koning. Toen de vijandige koning Egypte en zijn schatten in bezit nam en de Libiërs en Kusieten aan hem onderwierp, overstelpen de berichten uit het oosten en het noorden hem met angst. De mas . יבהלהוּ staat ad sensumbetrekking hebben op de personen die tot de meldingen hebben geleid. De berichten wekten zijn woede op, zodat hij eropuit trekt om velen te vernietigen. Zo moeten we denken aan de berichten over opstanden en opstanden in het oosten en noorden van zijn koninkrijk, die hem in Egypte ter ore kwamen. Op deze grond weigert Hitzig, samen met andere uitleggers, de verklaring in Daniël 11:44 te verwijzen naar de expeditie van Antiochus tegen de Parthen en Armeniërs (Tacit. hist . Daniel 11:8 , and App. Syr. c. 45, 46; 1 Mack. 3:37), omdat Antiochus deze expeditie niet vanuit Egypte ondernam; en veeleer, met betrekking tot het oosten, denkt hij aan de berichten uit Jeruzalem over de opstand van Judea (2 Mack. 5:11 ev.; 1 Mack. 1:24), en met betrekking tot het noorden, aan de zeer problematische expeditie tegen de Aradiaei, echter zonder op te merken dat geen enkele schriftschrijver Jeruzalem aanwijst als liggend in het oosten van Egypte. en leiden een expeditie uit Egypte tegen Aradus. Wat Porphyrius zegt

(Opmerking: de woorden zijn: Pugnans contra Aegyptios et Lybias, Aethiopiasque pertransiens, auditet sibi ab aquilone et oriente praelia concitari, unde et regrediens capit Aradios resistentes et omnem in littore Phoenicis vastavit provinciam, confestimque partité bewegen .)

(in Hiëronymus onder Daniël 11:44 ) met betrekking tot een expeditie van Antiochus ondernomen vanuit Egypte en Libië tegen de Aradiaei en de Armeense koning Artaxias, heeft hij alleen uit dit vers en uit mededelingen over de oorlogen van Antiochus tegen de Aradiaei en koning Artaxias verzameld. na wiens gevangenschap, volgens App. Syr . c. 46, hij stierf), zonder enig historisch bewijs daarvoor. Maar hoewel de verklaring van Porphyrius beter bevestigd was, zou deze toch niet overeenkomen met Daniël 11:45 ; want als de koning uittrekt, als gevolg van het bericht dat hem is gebracht, om velen te vernietigen, plant hij, volgens Daniël 11:45, zijn paleistent dichtbij de heilige berg, en hier komt zijn einde; dus ontmoette zijn vernietiging in het Heilige Land, niet ver van Jeruzalem, terwijl Antiochus, volgens Polybius en Porphyrius, stierf in de Perzische stad Tabae bij zijn terugkeer van Perzië naar Babylon.

Daniël 11:45
נטע van het planten van een tent, alleen hier in plaats van het gebruikelijke woord נטה , om uit te spreiden, op te zetten, waarschijnlijk met verwijzing naar de grote paleisachtige tent van de oosterse heerser, wiens palen heel diep in de aarde moeten worden geslagen. vgl. De beschrijving van de tent van Alexander de Grote, die werd opgericht naar het oosterse type, in Polyaen. Strateg . iv. 3. 24, en van de tent van Nadir-Schah in Rosenmüller, A. u. N. Morgl . iv. p. 364f. Deze tenten waren omringd door een groot aantal kleinere tenten voor de bewakers en bedienden, een omstandigheid die het gebruik van het plur verklaart. אהלי wordt door Theodotion, Porphyrius, Jerome en anderen ten onrechte gebruikt voor een nomen propr ., wat in Syrië, paleis of toren betekent. להר בּין = וּבּין בּין , Genesis 1:6 ;Joel 2:17 , van een ruimte tussen twee andere plaatsen of objecten. צבי - קדשׁ-צב הר , de heilige heuvel van de verrukking, dwz van Palestina (vgl. Daniël 8:9), is zonder twijfel de berg waarop de tempel van Jeruzalem stond, zoals v. Leng., Maur., Hitzig en Ewald erkennen. De interpretatie van de berg van de tempel van Anaïtis in Elymaïs (Dereser, Hävernick) behoeft geen weerlegging. Volgens deze kan ימּים de Middellandse Zee en de Dode Zee niet aanduiden, zoals Kliefoth veronderstelt, maar het is slechts het poëtische meervoud. van volheid, als teken van de grote Middellandse Zee. Aangezien nu dit tafereel waar de grote vijand van het volk van God aan zijn einde komt, dwz omkomt, in geen enkel opzicht overeenkomt met de plaats waar Antiochus stierf, maakt de pseudo-Daniël hier volgens Hitzig geen nauwkeurig onderscheid tussen de afzonderlijke expedities van elkaar, en moet tussen de eerste en de tweede helft van het vers het interval tussen de terugkeer van Antiochus uit Egypte en zijn dood hebben weggelaten, omdat Antiochus nooit meer de grond van Palestina betrad. Dergelijke hulpmiddelen veroordelen zichzelf. Met “hij zal aan zijn einde komen”, vgl.Daniël 8:25 , waar het einde van deze vijand van God wordt beschreven als een wezen "gebroken zonder de hand van een mens". Hier wordt de uitdrukking "en niemand zal hem helpen" toegevoegd om de hopeloosheid van zijn omverwerping aan te duiden.

Het plaatsen van de omverwerping van deze vijand met zijn leger in de buurt van de tempelberg stemt overeen met de andere profetieën van het OT, die de beslissende vernietiging van de vijandige wereldmacht door de verschijning van de Heer voor de voltooiing van Zijn koninkrijk op de bergen van Israël ( Ezechiël 39:4 ), of in de vallei van Josafat in Jeruzalem, of in Jeruzalem ( Joël 3:2 , Joel 3:12 .; Zacharia 14:2 ), en bevestigt het resultaat van onze uiteenzetting, dat de vijandige koning, de laatste vijand van de wereldmacht, is de Antichrist. Hiermee is ook de conclusie, Daniël 12:1-3 , in overeenstemming.

Commentaar op Daniël 11 en 12 volgens Matthew Henry

Zijn oorlog met Egypte, zijn tweede expeditie daarheen. Dit wordt beschreven, vers 25, 27 . Antiochus zal zijn macht en moed opwekken tegen Ptolemeus Philometer, koning van Egypte. Ptolemaeus zal daarop worden aangewakkerd om tegen hem te strijden , zal tegen hem optrekken met een zeer groot en machtig leger; maar Ptolemaeus, hoewel hij zo'n groot leger heeft, zal niet in staat zijn voor hem te staan; want het leger van Antiochus zal het zijne omverwerpen en het overweldigen, en grote scharen van het Egyptische leger zullen verslagen neervallen. En geen wonder, want de koning van Egypte zal verraden worden door zijn eigen raadgevers; die weiden van het deel van zijn vlees,die van zijn brood eten en van hem leven, omgekocht door Antiochus, zullen plannen tegen hem bedenken, en zelfs zij zullen hem vernietigen; en welk hek is er tegen zulk verraad? Na de slag zal een vredesverdrag worden opgesteld, en deze twee koningen zullen bijeenkomen in één raadsraad om de vredesartikelen tussen hen in te stellen; maar zij zullen er geen van beiden oprecht in zijn, want zij zullen, in hun voorwendsels en beloften van vriendschap en vriendschap, tegen elkaar liegen, want hun hart zal tegelijkertijd zijn om elkaar al het mogelijke kwaad te doen. En dan is het geen wonder dat het niet voorspoedig zal zijn. De vrede zal niet duren; maar het einde ervan zal zijnop de tijd die door de goddelijke Voorzienigheid is bepaald, en dan zal de oorlog weer uitbreken, als een zweer die alleen maar wordt gevild.

Weer een expeditie tegen Egypte. Van eerstgenoemde keerde hij terug met grote rijkdom ( v. 28 ), en daarom nam hij de eerste gelegenheid om Egypte opnieuw binnen te vallen, op het tijdstip dat door de goddelijke Voorzienigheid was bepaald, twee jaar later, in het achtste jaar van zijn regering, vers 29 . Hij zal naar het zuiden komen. Maar deze poging zal niet slagen, zoals de twee eerstgenoemden deden, noch zal hij zijn punt behalen, zoals hij al eerder had gedaan; want ( vers 30 ) de schepen van Kittim zullen tegen hem optrekken,dat wil zeggen, de marine van de Romeinen, of alleen ambassadeurs van de Romeinse senaat, die in schepen kwamen. Ptolemeus Philometer, koning van Egypte, die nu een strikt bondgenootschap met de Romeinen had, hunkerde naar hun hulp tegen Antiochus, die hem en zijn moeder Cleopatra in de stad Alexandrië had belegerd. De Romeinse senaat zond daarop een ambassade naar Antiochus om hem te bevelen het beleg op te heffen, en toen hij enige tijd wenste om erover na te denken en er met zijn vrienden over te overleggen, tekende Popilius, een van de ambassadeurs, met zijn staf een cirkel over hem, en vertelde hem dat hij, als iemand met gezag, een positief antwoord moest geven voordat hij uit die cirkel kwam; waarop hij, uit vrees voor de Romeinse macht, onmiddellijk werd gedwongen om bevelen te geven voor het opheffen van het beleg en de terugtrekking van zijn leger uit Egypte.Hij zal bedroefd zijn en terugkeren; want het was een grote ergernis voor hem om zo gedwongen te worden toe te geven.

Zijn woede en wrede praktijken tegen de Joden. Dit is dat deel van zijn regering, of beter gezegd wanbestuur, waarop in deze voorspelling het meest wordt ingegaan. Bij zijn terugkeer van zijn expeditie naar Egypte (waarover is geprofeteerd, vers 28 ) deed hij heldendaden tegen de Joden, in het zesde jaar van zijn regering; toen bedierf hij de stad en de tempel. Maar de meest verschrikkelijke storm was bij zijn terugkeer uit Egypte, twee jaar later, geprofeteerd in vers 30 . Toen nam hij Judea mee naar huis; en omdat hij zijn punt in Egypte niet kon behalen vanwege de tussenkomst van de Romeinen, wreekte hij zijn wraak op de arme Joden, die hem geen provocatie gaven, maar God enorm hadden uitgelokt om hem toe te staan het te doen, Dan 8 23 .

Hij had een diepgewortelde antipathie tegen de religie van de Joden: Zijn hart was tegen het heilig verbond, vers 28 . En ( vers 30 ) hij had verontwaardiging over het heilig verbond, dat verbond van eigenaardigheid waardoor de Joden werden ingelijfd als een volk dat onderscheiden was van alle andere naties en boven hen waardig was. Hij haatte de wet van Mozes en de aanbidding van de ware God, en ergerde zich aan de voorrechten van het Joodse volk en de beloften die aan hen werden gedaan. Merk op, dat wat de hoop en vreugde is van het volk van God, is de afgunst van hun naasten, en dat is het heilig verbond. Esau haatte Jacob omdat hij de zegen had gekregen. Degenen die vreemden aan het verbond zijn, zijn er vaak vijanden van.

Hij zette zijn kwaadaardige plannen tegen de Joden voort met de hulp van enkele perfide afvallige Joden. Hij hield contact met degenen die het heilige verbond verlieten ( vers 30 ), sommige van de Joden die hun religie trouw waren, en introduceerde de gebruiken van de heidenen, met wie ze een verbond sloten. Zie de vervulling hiervan, 1 Mac 1 11-15 , waar uitdrukkelijk wordt gezegd over die afvallige Joden, dat zij zich onbesneden maakten en het heilig verbond verlieten. We lezen ( 2 Mac 4 9 ) van Jason, de broer van Onias, de hogepriester, die door de benoeming van Antiochus een school oprichtte in Jeruzalem, om de jeugd op te leiden in de mode van de heidenen;en ( 2 Mac 4 23 , enz.) van Menelaüs, die in de belangen van Antiochus viel, en de man was die hem naar Jeruzalem hielp, nu bij zijn laatste terugkeer uit Egypte. We lezen veel in het boek van de Makkabeeën over het kwaad dat de Joden is aangedaan door deze verraderlijke mannen van hun eigen natie, Jason en Menelaus, en hun partij. Hiervan maakte hij bij alle gelegenheden gebruik. " Degenen die goddeloos handelen tegen het verbond, zoals hun godsdienst opwerpen en de heidenen gehoorzamen, zal hij verderven met vleierijen, om hen te verharden in hun afvalligheid, en om hen te gebruiken als lokaas om anderen binnen te halen." 32 . _ Let op, het is niet vreemd als degenen die hun religie niet naleven, maar in hun gesprekkenslecht doen tegen het verbond, gemakkelijk verdorven worden door vleierijen om hun religie te verlaten. Degenen die schipbreuk lijden van een goed geweten, zullen spoedig schipbreuk lijden van het geloof.

Hij ontwijdde de tempel. Wapens staan van zijn kant ( vers 31 ), niet alleen zijn eigen leger dat hij nu uit Egypte bracht, maar een grote groep deserteurs van de Joodse religie die zich bij hen voegde; en zij verontreinigden het heiligdom van kracht, niet alleen de heilige stad, maar ook de tempel. Het verhaal hiervan hebben we, 1 Mac 1 21 , enz. Hij ging trots het heiligdom binnen, nam het gouden altaar weg, en de kandelaar, enz. En daarom ( vers 25 ) was er grote rouw in Israël; de vorsten en oudsten rouwden, enz. En ( 2 Mac 5 15 , enz.)Antiochus ging de heiligste tempel binnen, Menelaus, die verrader van de wetten en van zijn eigen land, zijn gids was. Antiochus, die had besloten alles om hem heen tot zijn religie te maken, nam het dagelijkse offer weg, vers 31 . Sommigen merken op dat het woord Tammidh, dat niet meer dan dagelijks betekent, alleen hier, en op de parallelle plaats, wordt gebruikt voor het dagelijkse offer, alsof er een ontworpen vrijheid over was om het ofwel van offerande te voorzien, wat werd onderdrukt door Antiochus , of met evangelieaanbidding, die werd onderdrukt door de antichrist. Toen richtte hij de gruwel der verwoesting op het altaar (1 Mac 1 54 ), zelfs een afgodsaltaar ( v. 59 ), en noemde de tempel de tempel van Jupiter Olympius, 2 Mac 6 2 .

Hij vervolgde degenen die hun integriteit behielden. Hoewel er velen zijn die het verbond verlaten en er goddeloos tegen handelen, is er toch een volk dat hun God kent en de kennis van Hem behoudt, en zij zullen sterk zijn en daden verrichten, vers 32 . Wanneer anderen toegeven aan de eisen van de tiran en hun geweten overgeven aan zijn opleggingen, houden ze dapper stand, weerstaan ze de verleiding en maken ze de tiran zelf beschaamd voor zijn poging tot hen. De goede oude Eleazar, een van de belangrijkste schriftgeleerden, spuugde, toen hij het vlees van een zwijnen in zijn mond kreeg, het weer dapper uit, hoewel hij wist dat hij daarvoor moest worden gekweld, en dat was ook zo .. De moeder en haar zeven zonen werden ter dood gebracht wegens het aanhangen van hun religie, 2 Mac 7 . Dit zou heel goed exploits kunnen worden genoemd; want het is een grote prestatie om lijden te verkiezen boven zonde. En het was door geloof, door sterk te zijn in het geloof, dat ze die heldendaden deden, dat ze werden gemarteld en de verlossing niet aanvaardden, zoals de apostel spreekt, waarschijnlijk met verwijzing naar dat verhaal, Heb 11 35 . Of het kan verwijzen naar de militaire moed en prestaties van Judas Maccabuus en anderen in oppositie tegen Antiochus. Let op: de juiste kennis van God is en zal de kracht van de ziel zijn, en in de kracht daarvan doen genadige zielen exploits.Degenen die zijn naam kennen, zullen hun vertrouwen in hem stellen en door dat vertrouwen grote dingen doen. Nu, met betrekking tot dit volk dat hun God kende, wordt ons hier verteld: (1) Dat zij velen zullen onderwijzen, vers 33 . Ze zullen het tot hun taak maken om anderen te laten zien wat ze zelf hebben geleerd over het verschil tussen waarheid en leugen, goed en kwaad. Let op: degenen die de kennis van God hebben, moeten hun kennis doorgeven aan degenen die om hen heen zijn, en deze geestelijke naastenliefde moet uitgebreid zijn: ze moeten velen onderwijzen. Sommigen begrijpen dit van een nieuw opgerichte samenleving voor de verspreiding van goddelijke kennis, genaamd Assideanen, godvrezende mensen, piëtisten(zo betekent de naam), die zowel wetend als ijverig waren in de wet; deze instrueerden velen. Let op: in tijden van vervolging en afvalligheid, die moeilijke tijden zijn, moeten degenen die kennis hebben er gebruik van maken om anderen te versterken en te vestigen. Degenen die het zelf goed begrijpen, moeten doen wat ze kunnen om anderen tot begrip te brengen; want kennis is een talent waarmee geruild moet worden. Of zij zullen velen onderrichten door hun volharding in hun plicht en hun geduldig lijden ervoor. Goede voorbeelden onderwijzen velen, en met velen zijn de krachtigste instructies. (2.) Ze zullen vallendoor de wreedheid van Antiochus, zal worden gemarteld en ter dood gebracht door zijn woede. Hoewel ze zelf zo voortreffelijk en intelligent zijn, en zo nuttig en dienstbaar aan anderen, zal Antiochus hen toch geen genade tonen, maar ze zullen enkele dagen vallen; zo kan worden gelezen, Openbaring 2 10 : U zult tien dagen verdrukking hebben. We lezen veel in de boeken van de Makkabeeën over Antiochus' barbaarse gebruik van de vrome Joden, hoeveel hij in oorlogen heeft gedood en hoeveel hij in koelen bloede heeft vermoord. Vrouwen werden ter dood gebracht omdat ze hun kinderen hadden laten besnijden, en hun kinderen werden om hun nek gehangen, 1 Mac 1 60, 61. Maar waarom heeft God dit geleden? Hoe is dit te rijmen met de gerechtigheid en goedheid van God? Ik antwoord: Heel goed, als we bedenken wat God hiermee bedoelde ( v. 35 ): Sommigen van degenen die verstand hebben, zullen vallen, maar het zal voor het welzijn van de kerk en voor hun eigen geestelijke welzijn zijn. Het zal zijn om ze te beproeven, en te zuiveren, en om ze wit te maken. Ze hadden deze kwellingen zelf nodig. De beste hebben hun vlekken, die moeten worden afgewassen, hun slakken, die moeten worden verwijderd; en hun problemen, in het bijzonder hun aandeel in de publieke problemen,helpen om dit te doen; omdat ze aan hen geheiligd zijn door de genade van God, zijn ze een middel om hun verdorvenheden te doden, ze van de wereld te spenen en ze wakker te maken voor grotere ernst en ijver in religie. Ze proberen ze, zoals zilver in de oven wordt gezuiverd van zijn schuim; ze zuiveren ze, zoals tarwe in de schuur van het kaf wordt gezift; en ze maken ze wit, zoals kleed door de volder van zijn vlekken wordt gewist. Zie 1 Huisdier 1 7 . Hun lijden ter wille van de gerechtigheid zou proberen de natie van de Joden te zuiveren, hen overtuigen van de waarheid, voortreffelijkheid en kracht van die heilige religie die deze begripvollemannen stierven voor hun naleving van. Het bloed van de martelaren is het zaad van de kerk; het is kostbaar bloed, en er mag geen druppel van worden vergoten dan na zo'n waardevolle overweging. (3.) De zaak van de religie, hoewel deze zo wordt aangevochten, zal niet worden aangetast. Wanneer zij vallen , zullen zij niet volkomen neergeworpen worden, maar met een beetje hulp zullen zij holpen worden, vers 34 . Judas Maccabuus, en zijn broeders, en enkelen met hen, zullen het opnemen tegen de tiran en de benadeelde zaak van hun godsdienst verdedigen; zij braken de afgodische altaren af, besneden de kinderen die zij onbesneden bevonden, herstelden de wet uit de hand van de heidenen, en het werk in hun handen was voorspoedig, 1 Mac 2 45 , enz. Let op, degenen die de zaak van religie steunen wanneer deze wordt bedreigd en aangevallen, hoewel ze misschien niet onmiddellijk worden bevrijd en zegevieren, zullen toch aanwezige hulp hebben. En een beetje hulp mag niet worden veracht; maar als de tijden erg slecht zijn, moeten we dankbaar zijn voor een opleving. Evenzo is voorzegd dat velen hen met vleierijen zullen aanhangen; wanneer ze zien dat de Makkabeeën voorspoedig zijn, zullen sommige Joden zich bij hen aansluiten die geen echte vrienden van de religie zijn, maar alleen vriendschap voorwenden met de bedoeling hen te verraden of in de hoop met hen op te staan; maar de vurige beproeving ( v. 35) zal scheiden tussen het kostbare en het verachtelijke, en daardoor zullen degenen die perfect zijn gemanifesteerd worden en degenen die dat niet zijn. (4.) Hoewel deze moeilijkheden lang kunnen voortduren, zal er toch een einde aan komen. Ze zijn voor een bepaalde tijd, een beperkte tijd, vastgelegd in de goddelijke raadsbesluiten. Deze oorlogvoering zal worden volbracht. Tot hiertoe zal de macht van de vijand komen, en niet verder; hier zullen zijn trotse golven worden tegengehouden.

Hij werd erg trots, brutaal en profaan, en, opgeblazen door zijn veroveringen, daagde hij de hemel uit en vertrapte hij alles wat heilig was, vers 36 , enz. En hier begint volgens sommigen een profetie van de antichrist, het pauselijke koninkrijk. Het is duidelijk dat Paulus, in zijn profetie over de opkomst en heerschappij van de mens der zonde, hierop zinspeelt ( 2 Thess 2 4), waaruit blijkt dat Antiochus een type en figuur van die vijand was, zoals Babylon ook was; maar aangezien dit wordt samengevoegd in een voortgezette verhandeling met de voorgaande profetieën over Antiochus, lijkt het mij waarschijnlijk dat het hoofdzakelijk naar hem verwijst, en in hem zijn voornaamste vervulling had, en alleen bij wijze van accomodatie naar de andere verwijst. (1) Hij zal de God van Israël, de enige levende en ware God, die hier de God der goden wordt genoemd, goddeloos onteren . Hij zal, in weerwil van hem en zijn gezag, handelen naar zijn wil tegen zijn volk en zijn heilige religie; hij zal zich boven hem verheffen , zoals Sanherib deed, en wonderbaarlijke dingen tegen hem sprekenen tegen zijn wetten en instellingen. Dit werd vervuld toen Antiochus verbood om offers te brengen in Gods tempel, en beval dat de sabbatten moesten worden ontheiligd, het heiligdom en het heilige volk moesten worden verontreinigd, enz., zodat ze de wet zouden vergeten en alle verordeningen zouden veranderen. en dit op straffe van de dood, 1 Mac 1 45 . 2. Hij zal trots alle andere goden verachten, zich verheffen boven elke god,zelfs de goden van de naties. Antiochus schreef aan zijn eigen koninkrijk dat iedereen de goden die hij had aanbeden moest verlaten en aanbidden zoals hij had bevolen, in tegenstelling tot de gewoonte van alle veroveraars die hem voorgingen, 1 Mac 1 41, 42. En alle heidenen stemden ermee in aan het gebod van de koning; Hoewel ze dol waren op hun goden, vonden ze het niet de moeite waard om voor te lijden, maar omdat hun goden afgoden waren, was het voor hen allemaal hetzelfde welke goden ze aanbaden. Antiochus beschouwde geen enkele god, maar verheerlijkte zichzelf boven alles, vers 37 . Hij was zo trots dat hij dacht dat hij boven de toestand van een sterfelijk mens stond, dat hij de golven van de zee kon beheersen en naar de sterren van de hemel kon reiken,zoals zijn brutaliteit en hoogmoed worden uitgedrukt, 2 Mac 9 8, 10 . Zo droeg hij alles voor zich, totdat de verontwaardiging voorbij was ( vers 36 ), totdat hij zijn lengte had gelopen en de maat van zijn ongerechtigheid had gevuld; want dat wat bepaald is, zal worden gedaan, en niets meer, niets minder. 3. Hij zal, in tegenstelling tot de weg van de heidenen, de god van zijn vaderen veronachtzamen, vers 37 . Hoewel een genegenheid voor de religie van hun voorouders bij de heidenen bijna net zo natuurlijk voor hen was als het verlangen van vrouwen (want als je de eilanden van Chittim doorzoekt , zul je geen voorbeeld vinden van een natie dieveranderde zijn goden, Jer 2 10, 11 ), maar Antiochus zal de god van zijn vaderen niet beschouwen; hij maakte wetten om de religie van zijn land af te schaffen en de afgoden van de Grieken binnen te halen. En hoewel zijn voorgangers de God van Israël hadden geëerd en grote geschenken hadden gegeven aan de tempel in Jeruzalem ( 2 Mac 3 2, 3 ), bracht hij God en zijn tempel de grootste vernederingen op. Zijn gebrek aan respect voor de begeerte van vrouwen kan duiden op zijn barbaarse wreedheid (hij zal geen leeftijd of geslacht sparen, nee, niet de tedere) of zijn onnatuurlijke lusten, of, in het algemeen, zijn minachting voor alles wat mannen van eer hebben. voor, of het kan worden bereikt in iets dat we niet tegenkomen in de geschiedenis. Het is verbonden met de zijne, niet met betrekking tot de god van zijn vaderengeeft te kennen dat de afgoderij van zijn land meer van de bevrediging van het vlees in zich had dan die van andere landen (Lucian heeft over de Syrische godinnen geschreven), en toch zou dat niet de overhand hebben om hem eraan te houden. (4) Hij zal een onbekende god aanstellen, een nieuwe god, vers 38 . In zijn landgoed, in de kamer van de god van zijn vaders (Apollo en Diana, goden van plezier), zal hij de god van de krachten eren, een veronderstelde godheid van macht, een god die zijn vaders niet kenden, noch aanbaden; omdat hij in wijsheid en kracht beschouwd zal worden om zijn vaderen te overtreffen, zal hij deze god eren met goud en zilver en kostbare stenen,denken dat niets te goed is voor de god waar hij zin in heeft. Dit schijnt Jupiter Olympius te zijn, bij de Feniciërs bekend onder de naam Baäl-Semen, de heer van de hemel, maar nooit geïntroduceerd onder de Syriërs totdat Antiochus het introduceerde. Zo zal hij doen in de sterkste vestingen, in de tempel van Jeruzalem, die het heiligdom van kracht wordt genoemd ( vers 31 ), en hier de forten van munitie; daar zal hij het beeld van deze vreemde god oprichten. Sommigen lezen het, Hij zal de munitie van kracht, of van de sterkste God (dat wil zeggen, de stad Jeruzalem), aan een vreemde god toevertrouwen;hij plaatste het onder de bescherming en de regering van Jupiter Olympius. Deze god zal hij niet alleen erkennen, maar zal toenemen met heerlijkheid, door zijn beeld zelfs op Gods altaar te plaatsen. En hij zal ervoor zorgen dat degenen die deze afgod dienen , over velen heersen, zal hen plaatsen in plaatsen van macht en vertrouwen, en zij zullen het land verdelen voor winst, en zullen rijkelijk onderhouden worden uit de winsten van het land. Sommigen van de Mahuzzim, of de god van de krachten, die Antiochus zal aanbidden, begrijpen geld, waarvan wordt gezegd dat het alle dingen beantwoordt, en dat het grote idool is van wereldse mensen.

Nu is hier heel veel dat van toepassing is op de mens van zonde; hij verheft zich boven alles wat god wordt genoemd of wordt aanbeden; vergroot zichzelf vooral; zijn vleiers noemen hem onze heer god de paus. Door het huwelijk te verbieden en het vrijgezelle leven te verheerlijken, pretendeert hij de begeerte van vrouwen niet in acht te nemen; en eert de god van de krachten, de god Mahuzzim, of sterke grepen,heiligen en engelen, die zijn volgelingen als hun beschermers beschouwen, zoals de heidenen vanouds hun demonen deden; deze maken presidenten van verschillende landen, enz. Deze eren ze met enorme schatten die aan hen zijn opgedragen, en daarin denkt de geleerde Mr. Mede dat deze profetie is vervuld, en dat er wordt verwezen naar 1 Tim 4 1, 2 . Hier lijkt weer een expeditie naar Egypte te zijn, of in ieder geval een strijd met Egypte. De Romeinen hadden hem vastgebonden om Ptolemaeus binnen te vallen, maar nu die koning van het zuiden hem aanvalt ( vs. 40 ), doet hij een poging op enkele van zijn gebieden, waarop Antiochus, de koning van het noorden, tegen hem opkomt als een wervelwind, met ongelooflijke snelheid en woede, met wagens, en paarden, en vele schepen, een grote kracht. Hij zal door landen komen, en zal overstromen en voorbijgaan. In deze vliegende mars zullen vele landen door hem worden omvergeworpen; en hij zal het glorieuze land binnengaan , het land van Israël; het is hetzelfde woord dat wordt vertaaldhet aangename land, ch. 8 9 . Hij zal verschrikkelijk werk doen onder de natiën daaromtrent; toch zullen sommigen aan zijn woede ontkomen, in het bijzonder Edom en Moab, en het hoofd van de kinderen van Ammon, vers 41 . Hij stelde deze landen niet onder contributie, omdat ze zich bij hem hadden aangesloten tegen de Joden. Maar vooral het land Egypte zal niet ontkomen, maar hij zal erom bedelen, zo bloot zal hij het uitkleden. Sommigen beschouwen dit als zijn vierde en laatste expeditie tegen Egypte, in het tiende of elfde jaar van zijn regering, onder het voorwendsel de jongere broer van Ptolemaeus Philometer bij te staan tegen hem. We lezen niet over een grote slachting tijdens deze expeditie, maar over een grote plundering; want, zo lijkt het, was hij daarvoor gekomen:Hij zal macht hebben over de schatten van goud en zilver, en alle kostbaarheden van Egypte, vers 43 . Polybius, in Athene, verhaalt dat Antiochus, nadat hij een overvloed aan rijkdom had vergaard, door de jonge Philometer te bederven en de verbond met hem te verbreken, en door de bijdragen van zijn vrienden, een groot deel van de overwinning schonk, in navolging van Paulus Æmilius, en beschrijft de extravagantie ervan; hier wordt ons verteld hoe hij aan dat geld kwam dat hij zo overvloedig uitgaf. Hier wordt eveneens aandacht besteed aan het gebruik dat hij maakte van de Libiërs en Ethiopiërs, die aan Egypte grensden; ze waren op zijn voetstappen; hij had ze aan zijn voet, had ze op zijn wenken, en ze drongen Egypte binnen om hem te dienen.

Hier is een voorspelling van de val en ondergang van Antiochus, zoals eerder ( hfst. 8 25 ), wanneer hij op het hoogtepunt van zijn eer is, overspoeld door overwinning en beladen met buit, berichten uit het oosten en uit het noorden (uit het noordoosten) zal hem lastig vallen, vers 44 . Of hij zal informatie hebben, zowel uit het oosten als uit het noorden, dat de koning van Parthia zijn koninkrijk binnenvalt. Dit dwong hem de ondernemingen die hij in handen had te laten vallen en tegen de Perzen en Parthen die tegen hem in opstand kwamen, in te gaan; en dit gekweldehem, want nu dacht hij volkomen de Joodse natie te ruïneren en uit te roeien, toen die expeditie hem afbrak, waarin hij omkwam. Dit wordt verklaard door een passage in Tacitus (hoewel een goddeloze) waar hij Antiochus prijst voor zijn poging om het bijgeloof van de Joden weg te nemen en de zeden van de Grieken, onder hen ( ut teterrimam gentem in melius mutaret), te verheerlijken van een verfoeilijke natie ), en betreurt dat hij werd verhinderd om het te bereiken door de Parthen oorlog. Nu is hier: 1. De laatste poging van zijn woede tegen de Joden. Wanneer hij merkt dat hij verbijsterd en beschaamd is in zijn zaken, zal hij met grote woede eropuit trekken om te vernietigen en om velen te vernietigen, vers 44 .. Het verhaal hiervan hebben we 1 Mac 3 27 , enz., wat een woede was Antiochus toen hij hoorde van de successen van Judas Maccabuus en de orders die hij aan Lysias gaf om Jeruzalem te vernietigen. Toen plantte hij de tabernakels van zijn paleis, of tenten van zijn hof, tussen de zeeën, tussen de Grote Zee en de Dode Zee. Hij richtte zijn koninklijk paviljoen op in Emmaüs bij Jeruzalem, als teken dat hij, hoewel hij zelf niet aanwezig kon zijn, toch de volledige macht aan zijn kapiteins gaf om de oorlog tegen de Joden met de grootst mogelijke strengheid te vervolgen. Hij zette daar zijn tent, alsof hij de glorieuze heilige berg in bezit had genomen en hem de zijne had genoemd. Let op: wanneer goddeloosheid erg brutaal wordt, kunnen we de ondergang ervan nabij zien. 2. Zijn vertrek:Hij zal aan zijn einde komen en niemand zal hem helpen; God zal hem uitroeien in het midden van zijn dagen en niemand zal zijn val kunnen voorkomen. Dit is hetzelfde met wat was voorzegd hfst. 8 25 ( Hij zal zonder hand gebroken worden ), waar we een blik wierpen op zijn ellendige einde. Merk op, wanneer Gods tijd zal komen om trotse onderdrukkers aan hun einde te brengen, zal niemand hen kunnen helpen, noch geneigd zijn hen te helpen; want degenen die begeren door iedereen gevreesd te worden wanneer ze in hun grootsheid zijn, zullen wanneer ze in nood komen door niemand bemind worden; niemand zal hen ook maar een hand of een gebed geven om hen te helpen; en als de Heere niet helpt, wie dan wel?

Van de koningen die na Antiochus kwamen wordt hier niets geprofeteerd, want dat was de meest kwaadaardige, ondeugende vijand van de kerk, dat was een type van de zoon des verderfs, die de Heer zal verteren met de adem van zijn mond en vernietigen met de helderheid van zijn komst, en niemand zal hem helpen.