Daniël

Boekrol: Daniël (דָּנִיֵּאל = Daniel)
Schrijver: Daniël
Waar geschreven: Babylon
Geschrift voltooid: ca. 536 v.Chr.
Beschreven periode: ca. 618–ca. 536 v.Chr.


In het derde regeringsjaar van koning Jojakim van Juda trok koning Nebukadnezar van Babylon op naar Jeruzalem en belegerde het. Jehovah gaf koning Jojakim van Juda in zijn hand en ook een aantal voorwerpen van het huis van de ware God. Hij bracht de voorwerpen naar het land Sinear, naar het huis van zijn god, en zette ze in de schatkamer van zijn god.

Toen gaf de koning aan Aspenaz, zijn hofmaarschalk, opdracht een aantal Israëlieten te laten komen, onder wie personen van koninklijke en voorname afkomst. Het moesten jonge mannen zijn zonder gebreken, knap van uiterlijk, begiftigd met wijsheid, kennis en inzicht, en geschikt om in het paleis van de koning te dienen. Hij moest ze onderwijzen in het schrift en de taal van de Chaldeeën. Bovendien wees de koning hun een dagelijkse hoeveelheid toe van de lekkernijen van de koning en van de wijn die hij dronk. Ze moesten drie jaar lang worden opgeleid. Aan het eind van die periode zouden ze in dienst van de koning treden.

Onder hen waren enkelen uit de stam Juda: Daniël, Hananja, Misaël en Azarja. De hofmaarschalk gaf hun namen. Daniël gaf hij de naam Beltsazar, Hananja de naam Sadrach, Misaël de naam Mesach en Azarja de naam Abednego.

Daniël nam zich in zijn hart voor zich niet te verontreinigen met de lekkernijen en de wijn van de koning. Daarom vroeg hij de hofmaarschalk toestemming om zich hiervan te onthouden zodat hij zich niet zou verontreinigen. De ware God zorgde ervoor dat de hofmaarschalk vriendelijk en barmhartig voor Daniël was. Toch zei de hofmaarschalk tegen Daniël: ‘Ik ben bang voor mijn heer de koning, die heeft vastgesteld wat jullie eten en drinken. Wat als hij ziet dat jullie er slechter uitzien dan de andere jonge mannen van jullie leeftijd? Dan zou ik door jullie schuldig worden in de ogen van de koning.’ Maar Daniël zei tegen de bewaker die door de hofmaarschalk over Daniël, Hananja, Misaël en Azarja was aangesteld: ‘Neem alstublieft tien dagen een proef met ons, uw dienaren, en laat ons wat groente gegeven worden om te eten en water om te drinken. Vergelijk daarna ons uiterlijk met dat van de jonge mannen die de lekkernijen van de koning eten, en beslis dan over uw dienaren op basis van wat u ziet.’

Hij stemde in met hun voorstel en nam tien dagen een proef met ze. Aan het eind van de tien dagen zagen ze er beter en gezonder uit dan alle jonge mannen die de lekkernijen van de koning aten. De bewaker gaf hun dus geen lekkernijen en wijn meer maar groente. De ware God gaf deze vier jonge mannen kennis en verstand van allerlei geschriften en wijsheid. En aan Daniël werd inzicht gegeven in allerlei visioenen en dromen.

Aan het eind van de periode die de koning had genoemd om ze te laten komen, leidde de hofmaarschalk ze voor Nebukadnezar. Toen de koning met ze sprak, bleek er niemand in de hele groep te zijn als Daniël, Hananja, Misaël en Azarja, en ze traden in dienst van de koning. Telkens als de koning hun vragen stelde over een kwestie die wijsheid en verstand vereiste, merkte hij dat ze tien keer beter waren dan alle magiërs en bezweerders in zijn hele rijk. En Daniël bleef daar tot het eerste jaar van koning Cyrus.

In het tweede jaar van zijn regering kreeg Nebukadnezar een aantal dromen. Hij raakte zo verontrust dat hij niet kon slapen. De koning gaf daarom opdracht de magiërs, bezweerders, tovenaars en Chaldeeën bijeen te roepen om hem te vertellen wat hij gedroomd had. Ze kwamen dus en gingen vóór de koning staan. De koning zei tegen ze: ‘Ik heb een droom gehad en ik ben verontrust omdat ik wil weten wat ik heb gedroomd.’ De Chaldeeën antwoordden de koning in het Aramees: ‘O koning, leef in eeuwigheid! Vertel uw dienaren uw droom en wij zullen zeggen wat hij betekent.’

De koning antwoordde de Chaldeeën: ‘Mijn besluit staat vast. Als jullie me niet vertellen wat ik heb gedroomd en wat de uitleg is, zullen jullie in stukken worden gehakt en worden jullie huizen in een openbaar toilet veranderd. Maar als jullie me de droom en de uitleg wel vertellen, krijgen jullie van mij geschenken, een beloning en grote eer. Zeg me dus wat de droom is en wat hij betekent.’

Ze antwoordden voor de tweede keer: ‘Laat de koning zijn droom aan zijn dienaren vertellen, dan zullen wij zeggen wat hij betekent.’

De koning antwoordde: ‘Ik weet heel goed dat jullie tijd proberen te winnen, want jullie beseffen dat mijn besluit vaststaat. Als jullie me niet vertellen wat ik heb gedroomd, is er maar één vonnis voor jullie allemaal. Maar jullie hebben afgesproken mij te bedriegen en voor te liegen tot de situatie verandert. Zeg me dus wat de droom is en dan zal ik weten dat jullie kunnen uitleggen wat de betekenis is.’

De Chaldeeën antwoordden de koning: ‘Geen mens op aarde kan doen wat de koning eist en geen groot koning of machthebber heeft ooit zoiets van een magiër, bezweerder of Chaldeeër gevraagd. Wat de koning vraagt is moeilijk, en niemand kan het de koning vertellen, behalve de goden, die niet onder de stervelingen wonen.’

Daarop werd de koning woest, en hij gaf het bevel alle wijzen van Babylon om te brengen. Toen het bevel werd gegeven om de wijzen te doden, gingen ze op zoek naar Daniël en zijn vrienden om ook hen ter dood te brengen.

Daniël richtte zich daarop discreet en voorzichtig tot Arioch, de aanvoerder van de koninklijke lijfwacht, die was uitgetrokken om de wijzen van Babylon te doden. Hij vroeg aan Arioch, de beambte van de koning: ‘Waarom heeft de koning zo’n wreed bevel gegeven?’ Daarop lichtte Arioch Daniël over de zaak in. Daniël ging naar de koning en vroeg of hij hem tijd wilde geven om hem de betekenis te vertellen.

Daarna ging Daniël naar zijn huis en bracht hij zijn vrienden Hananja, Misaël en Azarja op de hoogte. Daniël vroeg ze de God van de hemel te smeken barmhartigheid te tonen en dit geheim te onthullen, zodat hij en zijn vrienden niet met de rest van de wijzen van Babylon ter dood gebracht zouden worden.

Toen werd het geheim ’s nachts aan Daniël onthuld in een visioen. Daarom loofde hij de God van de hemel. Daniël zei:

‘Laat de naam van God geprezen worden, voor altijd en eeuwig, want alleen hij heeft wijsheid en macht.

Hij verandert tijden en tijdperken, zet koningen af en stelt koningen aan, geeft wijsheid aan de wijzen en kennis aan wie inzicht hebben.

Hij onthult diepe en verborgen dingen, hij weet wat in de duisternis is, en bij hem woont het licht.

U, God van mijn voorvaders, dank en loof ik, want u hebt me wijsheid en macht gegeven.

En nu hebt u me bekendgemaakt wat we u vroegen, u hebt ons laten weten wat de koning verontrust.’

Toen ging Daniël naar Arioch, die door de koning was aangesteld om de wijzen van Babylon om te brengen. Hij zei tegen hem: ‘Dood de wijzen van Babylon niet. Breng me naar de koning, dan zal ik de koning de droom uitleggen.’

Arioch nam Daniël snel mee naar de koning en zei tegen hem: ‘Ik heb onder de ballingen van Juda een man gevonden die de koning de uitleg kan geven.’ De koning zei tegen Daniël, die de naam Beltsazar had: ‘Kun jij me echt vertellen wat ik heb gedroomd en wat de droom betekent?’ Daniël antwoordde de koning: ‘Geen van de wijzen, bezweerders, magiërs of astrologen kan de koning het geheim vertellen waar hij om vraagt. Maar er is een God in de hemel die geheimen onthult. Hij heeft koning Nebukadnezar bekendgemaakt wat er aan het einde van de dagen zal gebeuren. Dit is uw droom en dit zijn de visioenen die door uw hoofd gingen toen u op uw bed lag:

Op uw bed, o koning, kwamen gedachten bij u op over wat er in de toekomst zal plaatsvinden. De Onthuller van geheimen heeft u bekendgemaakt wat er zal gebeuren. Dit geheim is aan mij onthuld, niet omdat ik meer wijsheid heb dan anderen, maar om de uitleg aan de koning te geven zodat u zou weten wat de gedachten in uw hart zijn.

U, o koning, keek toe, en u zag een reusachtig beeld. Dat beeld was groot en had een heldere glans. Het stond vóór u en de aanblik ervan was afschrikwekkend. Het hoofd van het beeld was van zuiver goud, zijn borst en armen waren van zilver, zijn buik en dijen van koper, zijn benen van ijzer en zijn voeten deels van ijzer en deels van klei. Terwijl u toekeek, werd er een steen uitgehouwen, maar niet door mensenhanden. Die trof het beeld aan zijn voeten van ijzer en klei en verbrijzelde ze. Op dat moment werden het ijzer, de klei, het koper, het zilver en het goud allemaal verpulverd. Het werd als het kaf van de zomerdorsvloer, en de wind voerde het mee zodat er geen spoor meer van werd gevonden. Maar de steen die het beeld trof, werd een grote berg die de hele aarde vulde.

Dat was de droom, en nu zullen we de koning vertellen wat de betekenis is. U, o koning — koning der koningen, aan wie de God van de hemel het koninkrijk, de macht, de kracht en de eer heeft gegeven, in wiens hand hij de mensen heeft gegeven waar ze ook wonen, en ook de dieren van het veld en de vogels van de hemel, en die hij tot heerser over allen heeft gemaakt — u bent het hoofd van goud.

Maar na u zal er een ander koninkrijk opkomen, inferieur aan dat van u, en daarna nog een koninkrijk, een derde, van koper, dat zal heersen over de hele aarde.

En het vierde koninkrijk zal sterk als ijzer zijn. Want zoals ijzer alles verbrijzelt en verpulvert, ja, net als ijzer dat verplettert, zal het al die koninkrijken verbrijzelen en verpletteren.

En dat u zag dat de voeten en de tenen deels van pottenbakkersklei en deels van ijzer waren, betekent dat het koninkrijk verdeeld zal zijn. Maar er zal iets van de hardheid van ijzer in zijn, zoals u zag dat het ijzer vermengd was met zachte klei. Dat de tenen van de voeten deels van ijzer en deels van klei waren, betekent dat het koninkrijk deels sterk en deels broos zal zijn. Dat u zag dat het ijzer vermengd was met zachte klei, betekent dat ze zich zullen vermengen met het volk. Maar ze zullen zich niet aan elkaar hechten, de een aan de ander, net zoals ijzer zich niet vermengt met klei.

In de dagen van die koningen zal de God van de hemel een koninkrijk oprichten dat nooit vernietigd zal worden. En dat koninkrijk zal nooit aan een ander volk worden overgedragen. Het zal al die koninkrijken verbrijzelen en er een eind aan maken. Als enige zal het eeuwig blijven bestaan, precies zoals u zag dat uit de berg een steen werd gehouwen — maar niet door mensenhanden — en dat die het ijzer, het koper, de klei, het zilver en het goud verbrijzelde. De grote God heeft aan de koning bekendgemaakt wat er in de toekomst zal gebeuren. De droom is waar en de uitleg is betrouwbaar.’

Toen liet koning Nebukadnezar zich voorover op de grond vallen voor Daniël en bewees hem eer. Hij gaf bevel hem een geschenk te brengen met een wierookoffer. De koning zei tegen Daniël: ‘Jullie God is echt God der goden, Heer der koningen en Onthuller van geheimen, en daardoor kon jij dit geheim onthullen.’ Toen bevorderde de koning Daniël en hij gaf hem veel prachtige geschenken. Hij maakte hem heerser over de hele provincie Babylon en opperprefect over alle wijzen van Babylon. En op Daniëls verzoek gaf de koning Sadrach, Mesach en Abednego het bestuur over de provincie Babylon, maar Daniël diende aan het hof van de koning.

Koning Nebukadnezar maakte een gouden beeld van 60 el hoog en 6 el breed. Hij richtte het op in de vlakte van Dura in de provincie Babylon. Toen ontbood koning Nebukadnezar de satrapen, prefecten, gouverneurs, raadgevers, schatmeesters, rechters, magistraten en alle bestuurders van de provincies. Ze moesten naar de inwijding komen van het beeld dat koning Nebukadnezar had opgericht.

De satrapen, prefecten, gouverneurs, raadgevers, schatmeesters, rechters, magistraten en alle bestuurders van de provincies kwamen dus bijeen voor de inwijding van het beeld dat koning Nebukadnezar had opgericht. Ze stelden zich op vóór het beeld dat Nebukadnezar had opgericht. De heraut riep luid: ‘O volken, naties en taalgroepen, jullie krijgen dit bevel. Zodra jullie het geluid horen van hoorn, fluit, citer, driehoekige harp, snaarinstrument, doedelzak en alle andere muziekinstrumenten, moeten jullie neervallen en het gouden beeld aanbidden dat koning Nebukadnezar heeft opgericht. Wie niet neervalt om het te aanbidden, zal onmiddellijk in de brandende oven worden gegooid.’ Zodra het geluid te horen was van hoorn, fluit, citer, driehoekige harp, snaarinstrument en alle andere muziekinstrumenten, vielen alle volken, naties en taalgroepen neer om het gouden beeld te aanbidden dat koning Nebukadnezar had opgericht.

Toen kwamen enkele Chaldeeën naar voren en beschuldigden de Joden. Ze zeiden tegen koning Nebukadnezar: ‘O koning, leef in eeuwigheid! U, koning, hebt bevolen dat iedereen die het geluid hoort van hoorn, fluit, citer, driehoekige harp, snaarinstrument, doedelzak en alle andere muziekinstrumenten, moet neervallen om het gouden beeld te aanbidden, en dat wie niet in aanbidding neervalt in de brandende oven gegooid moet worden. Maar er zijn enkele Joden die u het bestuur hebt gegeven over de provincie Babylon: Sadrach, Mesach en Abednego. Deze mannen trekken zich niets van u aan, koning. Ze vereren uw goden niet en ze weigeren het gouden beeld te aanbidden dat u hebt opgericht.’

Nebukadnezar werd woest en beval Sadrach, Mesach en Abednego te halen. De mannen werden voor de koning geleid. Nebukadnezar zei tegen ze: ‘Is het echt waar, Sadrach, Mesach en Abednego, dat jullie mijn goden niet vereren en dat jullie weigeren het gouden beeld te aanbidden dat ik heb opgericht? Als jullie het geluid horen van hoorn, fluit, citer, driehoekige harp, snaarinstrument, doedelzak en alle andere muziekinstrumenten en jullie bereid zijn neer te vallen en het beeld te aanbidden dat ik heb gemaakt, dan is het goed. Maar als jullie weigeren het te aanbidden, zullen jullie onmiddellijk in de brandende oven worden gegooid. En welke god zou jullie dan uit mijn handen kunnen redden?’

Sadrach, Mesach en Abednego antwoordden de koning: ‘O Nebukadnezar, we hoeven u hierop geen antwoord te geven. Als het moet, kan onze God die wij dienen ons redden uit de brandende oven en uit uw handen, koning. Maar zelfs al doet hij dat niet, weet dan, koning, dat wij uw goden niet zullen vereren en het gouden beeld dat u hebt opgericht, niet zullen aanbidden.’

Toen werd Nebukadnezar zo kwaad op Sadrach, Mesach en Abednego dat de uitdrukking op zijn gezicht veranderde. Hij gaf opdracht om de oven zeven keer zo heet te stoken als normaal. Hij beval enkelen van de sterke mannen uit zijn leger om Sadrach, Mesach en Abednego vast te binden en in de brandende oven te gooien.

De mannen werden vastgebonden met kleren en al, met hun boven- en onderkleren en hun mutsen, en ze werden in de brandende oven gegooid. Omdat de koning zo’n streng bevel had gegeven en de oven uitzonderlijk heet was, werden de mannen die Sadrach, Mesach en Abednego naar boven brachten zelf door de vuurvlammen gedood. De drie mannen, Sadrach, Mesach en Abednego, vielen gebonden in de brandende oven.

Toen werd koning Nebukadnezar bang. Hij stond snel op en zei tegen zijn hoge ambtenaren: ‘We hebben toch drie mannen vastgebonden en in het vuur gegooid?’ Ze antwoordden: ‘Ja, koning.’ Hij zei: ‘Kijk! Ik zie vier mannen vrij rondlopen midden in het vuur. Ze zijn ongedeerd en de vierde lijkt op een godenzoon.’

Nebukadnezar liep naar de deur van de brandende oven en zei: ‘Sadrach, Mesach en Abednego, dienaren van de allerhoogste God, kom naar buiten, kom hier!’ Sadrach, Mesach en Abednego kwamen uit het vuur naar buiten. De satrapen, prefecten, gouverneurs en hoge ambtenaren van de koning die daar verzameld waren, zagen dat het vuur het lichaam van de mannen niets had gedaan. Geen haar op hun hoofd was geschroeid, aan hun mantels was niets te zien en ze roken niet eens naar vuur.

Nebukadnezar verklaarde toen: ‘Laat de God van Sadrach, Mesach en Abednego geprezen worden. Hij heeft zijn (hemelse) boodschapper gestuurd en zijn dienaren gered. Ze vertrouwden op hem en gingen tegen het bevel van de koning in. Ze wilden liever sterven dan een andere god dan hun eigen God te dienen of te aanbidden. Daarom geef ik het bevel dat elk volk, elke natie en elke taalgroep die iets beledigends zegt over de God van Sadrach, Mesach en Abednego, in stukken gehakt moet worden en dat zijn huis in een openbaar toilet veranderd moet worden. Want er is geen andere god die kan bevrijden als deze.’

Daarna bevorderde de koning Sadrach, Mesach en Abednego in de provincie Babylon.

‘Van koning Nebukadnezar aan alle volken, naties en taalgroepen die op de hele aarde wonen: Mag jullie vrede toenemen! Graag maak ik de tekenen en wonderen bekend die de allerhoogste God ten aanzien van mij heeft gedaan. Hoe groot zijn zijn tekenen, hoe machtig zijn wonderen! Zijn koninkrijk is een eeuwig koninkrijk en zijn heerschappij duurt van generatie op generatie.

Ik, Nebukadnezar, leidde een zorgeloos leven in mijn huis, een weelderig bestaan in mijn paleis. Ik had een droom die me beangstigde. Terwijl ik op mijn bed lag, joegen de beelden en visioenen die door mijn hoofd gingen me angst aan. Daarom gaf ik bevel alle wijzen van Babylon bij me te brengen om me de droom uit te leggen.

Daarop kwamen de magiërs, bezweerders, Chaldeeën en astrologen binnen. Toen ik ze mijn droom vertelde, konden ze hem niet uitleggen. Ten slotte kwam Daniël bij me, die Beltsazar wordt genoemd, naar de naam van mijn god. In hem is de geest van de heilige goden, en ik vertelde hem de droom:

“Beltsazar, hoofd van de magiërs, ik weet heel goed dat de geest van de heilige goden in je is en dat geen geheim te moeilijk voor je is. Leg me de betekenis uit van de visioenen die ik in mijn droom heb gezien.

In de visioenen die door mijn hoofd gingen terwijl ik op mijn bed lag, zag ik midden op de aarde een boom die enorm hoog was. De boom werd groot en sterk, en de top reikte tot de hemel. Hij was zichtbaar tot de einden van de hele aarde. Zijn loof was prachtig en hij droeg veel vrucht. Er zat voedsel aan voor iedereen. De dieren van het veld zochten er schaduw onder, de vogels van de hemel verbleven op zijn takken en alles wat leefde at ervan.

In de visioenen die door mijn hoofd gingen terwijl ik op mijn bed lag, zag ik een wachter, een heilige, die uit de hemel neerdaalde. Hij riep luid: ‘Hak de boom om, kap de takken, schud de bladeren af en verstrooi de vruchten! Laat de dieren eronder vandaan vluchten en de vogels uit de takken. Maar laat de stronk met zijn wortels in de grond staan, met een band van ijzer en van koper, tussen het gras van het veld. Laat hem vochtig worden van de dauw van de hemel en laat hem de plantengroei van de aarde delen met de dieren. Laat zijn mensenhart worden veranderd in een dierenhart en laten er zeven tijden voorbijgaan. Dit is op bevel van de wachters, dit is op verzoek van de heiligen, zodat de levenden beseffen dat de Allerhoogste de Heerser is over het koninkrijk van de mensheid en dat hij het geeft aan wie hij wil en daarover zelfs de laagste onder de mensen aanstelt.’

Dat was de droom die ik, koning Nebukadnezar, heb gehad. Beltsazar, vertel jij me nu wat hij betekent, want alle andere wijzen van mijn koninkrijk kunnen me niet vertellen wat de betekenis is. Maar jij kunt dat wel, omdat de geest van heilige goden in je is.”

Toen stond Daniël, die Beltsazar wordt genoemd, een ogenblik verbijsterd, en zijn gedachten joegen hem angst aan.

De koning zei: “Beltsazar, laten de droom en de betekenis je geen angst aanjagen.”

Beltsazar antwoordde: “Mijn heer, mag de droom van toepassing zijn op wie u haten en de betekenis op uw vijanden.

U zag een boom die groot en sterk werd, waarvan de top tot de hemel reikte en die voor de hele aarde zichtbaar was, die prachtig loof had en veel vrucht en voedsel voor iedereen, waar de dieren van het veld onder verbleven en die takken had waarop de vogels van de hemel leefden. Die boom bent u, koning, want u bent groot en sterk geworden, uw grootheid is toegenomen en reikt tot de hemel en uw heerschappij tot de einden van de aarde.

En de koning zag een wachter, een heilige, uit de hemel neerdalen die zei: ‘Hak de boom om en vernietig hem, maar laat de stronk met zijn wortels in de grond staan, met een band van ijzer en van koper, tussen het gras van het veld. Laat hem vochtig worden van de dauw van de hemel en laat hem delen met de dieren van het veld totdat er zeven tijden voorbij zijn.’ Dit is de uitleg, koning. Dit is het bevel van de Allerhoogste dat mijn heer de koning moet treffen. U zult worden verdreven van onder de mensen en u zult bij de dieren van het veld wonen. U zult gras te eten krijgen net als de stieren. U zult vochtig worden van de dauw van de hemel, en er zullen zeven tijden voorbijgaan totdat u beseft dat de Allerhoogste de Heerser is over het koninkrijk van de mensheid en dat hij het geeft aan wie hij wil.

Maar dat er werd gezegd dat de boomstronk met zijn wortels moest blijven staan, betekent dat het koninkrijk weer van u zal worden zodra u beseft dat de hemel heerst. Aanvaard daarom alstublieft mijn raad, o koning. Keer u af van uw zonden door te doen wat juist is, en van uw onrechtvaardigheid door barmhartigheid te tonen voor de armen. Misschien zal uw voorspoed dan voortduren.”’

Dit alles overkwam koning Nebukadnezar.

Twaalf maanden later was hij aan het wandelen op het dak van het koninklijk paleis van Babylon. De koning zei: ‘Is dit niet het grote Babylon dat ikzelf door mijn eigen kracht en macht heb gebouwd voor het koninklijk huis en voor de glorie van mijn majesteit?’

De koning had die woorden nog niet uitgesproken of er kwam een stem uit de hemel: ‘Dit wordt tegen je gezegd, koning Nebukadnezar: “Het koninkrijk wordt je ontnomen en je wordt verdreven van onder de mensen. Je zult bij de dieren van het veld wonen en gras te eten krijgen net als de stieren. Er zullen zeven tijden voorbijgaan totdat je beseft dat de Allerhoogste de Heerser is over het koninkrijk van de mensheid en dat hij het geeft aan wie hij wil.”’

Op hetzelfde ogenblik werd het woord aan Nebukadnezar vervuld. Hij werd van onder de mensen verdreven en ging gras eten net als de stieren. Zijn lichaam werd vochtig van de dauw van de hemel, en uiteindelijk was zijn haar zo lang als de veren van een arend en waren zijn nagels als de klauwen van een vogel.

‘Aan het einde van die tijd keek ik, Nebukadnezar, op naar de hemel en kreeg ik mijn verstand terug. Ik prees de Allerhoogste en gaf lof en eer aan degene die eeuwig leeft, want zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij en zijn koninkrijk duurt van generatie op generatie. De bewoners van de aarde stellen niets voor, en hij doet naar zijn eigen wil onder het hemelse leger en de bewoners van de aarde. Er is niemand die hem kan tegenhouden of tegen hem kan zeggen: “Wat hebt u gedaan?”

Ik kreeg toen mijn verstand terug en ook de eer van mijn koninkrijk, mijn majesteit en mijn glorie. Mijn hoge ambtenaren en prominenten zochten mij weer op, ik werd weer over mijn koninkrijk aangesteld en ik kreeg zelfs nog meer grootheid.

Ik, Nebukadnezar, eer, verhef en verheerlijk nu de Koning van de hemel, want al zijn werken zijn waarheid en zijn wegen zijn rechtvaardig, en trotse mensen kan hij vernederen.’

Koning Belsazar gaf een groot feestmaal voor duizend van zijn prominenten, en in hun bijzijn dronk hij wijn. Onder invloed van de wijn gaf Belsazar opdracht de gouden en zilveren voorwerpen te halen die zijn vader Nebukadnezar had weggehaald uit de tempel in Jeruzalem, zodat de koning en zijn prominenten, zijn hoofdvrouwen en zijn bijvrouwen daaruit konden drinken. Toen haalde men de gouden voorwerpen die waren weggehaald uit de tempel van het huis van God in Jeruzalem, en de koning en zijn prominenten, zijn hoofdvrouwen en zijn bijvrouwen dronken eruit. Ze dronken wijn en prezen de goden van goud en zilver, van koper, ijzer, hout en steen.

Op dat ogenblik verschenen er vingers van een mensenhand die begonnen te schrijven op het pleisterwerk van de wand van het koninklijk paleis, tegenover de lampenstandaard. De koning zag de rug van de schrijvende hand. Toen verbleekte de koning en joegen zijn gedachten hem angst aan. Zijn heupen beefden en zijn knieën knikten.

Luid riep de koning om de bezweerders, de Chaldeeën en de astrologen. De koning zei tegen de wijzen van Babylon: ‘Wie dit schrift leest en me vertelt wat het betekent, zal in purper gekleed worden, een gouden ketting om zijn hals krijgen en als de derde in het koninkrijk heersen.’

Toen kwamen alle wijzen van de koning binnen, maar ze waren niet in staat het schrift te lezen of de koning te vertellen wat het betekende. Koning Belsazar werd heel bang en zijn gezicht werd lijkbleek. Ook zijn prominenten waren onthutst.

Naar aanleiding van de woorden van de koning en zijn prominenten kwam de koningin de feestzaal binnen. Ze zei: ‘O koning, leef in eeuwigheid! Laten uw gedachten u geen angst aanjagen, uw gezicht hoeft niet zo bleek te worden. Er is een man in uw koninkrijk die de geest van heilige goden heeft. In de dagen van uw vader werden in hem verlichting, inzicht en wijsheid gevonden als de wijsheid van goden. Koning Nebukadnezar, uw vader, heeft hem aangesteld als hoofd van de magiërs, bezweerders, Chaldeeën en astrologen — uw vader heeft dat gedaan, o koning. Daniël, die door de koning Beltsazar is genoemd, had namelijk een buitengewone geest en kennis en inzicht om dromen uit te leggen, raadsels te verklaren en knopen te ontwarren. Laat Daniël komen, en hij zal u de uitleg geven.’

Daniël werd dus voor de koning geleid. De koning vroeg hem: ‘Ben jij Daniël, de balling die door de koning, mijn vader, uit Juda hierheen is gebracht? Ik heb over jou gehoord dat de geest van goden in je is en dat er verlichting, inzicht en buitengewone wijsheid in je zijn gevonden. De wijzen en bezweerders zijn vóór mij gebracht om dit schrift te lezen en me te vertellen wat de betekenis is, maar ze zijn niet in staat te zeggen wat de boodschap betekent. Ik heb over jou gehoord dat je uitleg kunt geven en knopen kunt ontwarren. Als je dit schrift kunt lezen en me kunt vertellen wat het betekent, zul je in purper gekleed worden, een gouden ketting om je hals krijgen en als de derde in het koninkrijk heersen.’

Daniël antwoordde de koning: ‘U mag uw gaven houden en uw geschenken aan anderen geven. Maar ik zal het schrift voor de koning lezen en hem vertellen wat het betekent. O koning, de allerhoogste God heeft uw vader Nebukadnezar het koninkrijk gegeven en grootheid, eer en majesteit. Door de grootheid die Hij hem gaf, beefden alle volken, naties en taalgroepen van ontzag voor hem. Hij doodde of liet leven wie hij wilde en hij verhief of vernederde wie hij wilde. Maar toen zijn hart trots werd en zijn geest zich verhardde, zodat hij overmoedig handelde, werd hij van de troon van zijn koninkrijk gestoten en werd hem zijn waardigheid ontnomen. Hij werd verdreven van onder de mensen, zijn hart werd als een dierenhart en hij woonde bij de wilde ezels. Hij kreeg gras te eten net als de stieren en zijn lichaam werd vochtig van de dauw van de hemel. Uiteindelijk ging hij beseffen dat de allerhoogste God Heerser is in het koninkrijk van de mensheid en dat hij erover aanstelt wie hij wil.

Maar u, zijn zoon Belsazar, hebt uw hart niet vernederd, hoewel u dat alles wist. In plaats daarvan bent u tegen de Heer van de hemel opgestaan. U hebt de voorwerpen van zijn huis bij u laten brengen. Daarna hebben u en uw prominenten, uw hoofdvrouwen en uw bijvrouwen er wijn uit gedronken en goden van zilver en goud, en van koper, ijzer, hout en steen geprezen, goden die niets zien, niets horen en niets weten. Maar de God die uw adem en al uw wegen in zijn hand heeft, hebt u niet geëerd. Daarom heeft hij de hand gestuurd en dit schrift laten opschrijven. Dit is het schrift dat werd opgeschreven: MENE, MENE, TEKEL en PARSIN.

Dit is de uitleg van de woorden: MENE, God heeft de dagen van uw koninkrijk geteld en er een eind aan gemaakt.

TEKEL, u bent op de weegschaal gewogen en te licht bevonden.

PERES, uw koninkrijk is verdeeld en aan de Meden en de Perzen gegeven.’

Toen gaf Belsazar bevel Daniël in purper te kleden en een gouden ketting om zijn hals te doen. En ze kondigden over hem af dat hij de derde heerser in het koninkrijk zou worden.

Diezelfde nacht werd Belsazar, de Chaldeeuwse koning, gedood. Darius de Meder kreeg het koninkrijk. Hij was toen ongeveer 62 jaar oud.

Darius besloot 120 satrapen over het hele koninkrijk aan te stellen. Boven hen stonden drie hoge ambtenaren, van wie Daniël er één was. Aan hen brachten de satrapen verslag uit, zodat de koning geen verlies zou lijden. Daniël stak ver boven de andere hoge ambtenaren en de satrapen uit, want er was een buitengewone geest in hem. De koning was van plan hem over het hele koninkrijk aan te stellen.

Toen probeerden de hoge ambtenaren en de satrapen een grond te vinden voor een aanklacht tegen Daniël, maar ze konden in zijn bewind geen grond voor een aanklacht of iets corrupts vinden. Hij was betrouwbaar en er werd geen nalatigheid of corruptie bij hem gevonden. Die mannen zeiden toen: ‘We zullen geen enkele grond vinden voor een aanklacht tegen deze Daniël, of we moeten iets tegen hem zoeken in de wet van zijn God.’

De hoge ambtenaren en satrapen gingen dus samen naar de koning, en ze zeiden tegen hem: ‘O koning Darius, leef in eeuwigheid! Alle rijksbestuurders, prefecten, satrapen, hoge rijksambtenaren en gouverneurs vinden na overleg dat er een koninklijk besluit moet worden uitgevaardigd en een verbod moet worden bekrachtigd dat iedereen die binnen 30 dagen een verzoek richt tot een god of een mens in plaats van tot u, o koning, in de leeuwenkuil gegooid moet worden. Vaardig dus nu het besluit uit en onderteken het, o koning, zodat het niet veranderd kan worden, zoals alle wetten van de Meden en de Perzen niet kunnen worden herroepen.’

Daarop ondertekende koning Darius het besluit en het verbod.

Zodra Daniël te weten kwam dat het besluit was ondertekend, ging hij naar zijn huis. In zijn dakvertrek waren open vensters in de richting van Jeruzalem. En drie keer per dag viel hij op zijn knieën om tot zijn God te bidden en hem te loven, zoals ook voor die tijd zijn gewoonte was. Toen drongen de mannen zijn huis binnen en ze troffen Daniël aan terwijl hij smeekgebeden opzond en zijn God om gunst smeekte.

Ze gingen naar de koning en herinnerden hem aan het koninklijk verbod: ‘Hebt u niet een verbod ondertekend dat iedereen die binnen 30 dagen een verzoek richt tot een god of een mens in plaats van tot u, o koning, in de leeuwenkuil gegooid moet worden?’ De koning antwoordde: ‘Dat besluit is uitgevaardigd volgens de wet van de Meden en de Perzen, die niet kan worden herroepen.’ Onmiddellijk zeiden ze tegen de koning: ‘Daniël, een van de ballingen uit Juda, trekt zich niets aan van u, o koning, en van het verbod dat u hebt ondertekend: hij bidt drie keer per dag.’ De koning schrok heel erg toen hij dat hoorde en hij probeerde iets te verzinnen om Daniël te redden. Tot zonsondergang deed hij zijn uiterste best om hem te bevrijden. Uiteindelijk gingen de mannen samen naar de koning, en ze zeiden tegen de koning: ‘Bedenk, koning, dat volgens de wet van de Meden en de Perzen geen enkel verbod of besluit dat de koning uitvaardigt, kan worden veranderd.’

Daarop gaf de koning bevel Daniël te halen en hem in de leeuwenkuil te gooien. De koning zei tegen Daniël: ‘Je God, die jij zo trouw dient, zal je redden.’ Er werd een steen gebracht die op de opening van de kuil werd gelegd, en de koning verzegelde die met zijn zegelring en met de zegelring van zijn prominenten, zodat er niets aan Daniëls zaak kon worden veranderd.

Daarna ging de koning naar zijn paleis. Hij bracht de nacht vastend door en weigerde elke vorm van vermaak, en hij kon niet slapen. Toen het eindelijk licht begon te worden, stond de koning meteen op en haastte zich naar de leeuwenkuil. Zodra hij in de buurt van de kuil kwam, riep hij met een bedroefde stem naar Daniël. De koning vroeg hem: ‘Daniël, dienaar van de levende God, heeft je God, die jij zo trouw dient, je van de leeuwen kunnen redden?’ Onmiddellijk zei Daniël tegen de koning: ‘O koning, leef in eeuwigheid! Mijn God heeft zijn (hemelse) boodschapper gestuurd en de muil van de leeuwen gesloten. Ze hebben me geen kwaad gedaan, omdat ik in zijn ogen onschuldig was. En ook u heb ik niets misdaan, koning.’

De koning was heel blij en gaf bevel Daniël uit de kuil te halen. Toen Daniël uit de kuil werd getrokken, bleek hij ongedeerd te zijn, omdat hij op zijn God had vertrouwd.

De koning gaf bevel de mannen te halen die Daniël hadden beschuldigd. Ze werden in de leeuwenkuil gegooid, samen met hun zonen en hun vrouwen. Nog voordat ze de bodem van de kuil hadden bereikt, grepen de leeuwen hen en verbrijzelden al hun botten.

Toen schreef koning Darius aan alle volken, naties en taalgroepen die op de hele aarde wonen: ‘Mag jullie vrede toenemen! Ik beveel dat in elk machtsgebied van mijn koninkrijk de mensen moeten beven van ontzag voor de God van Daniël. Want hij is de levende God die eeuwig blijft bestaan. Zijn koninkrijk zal nooit vernietigd worden en zijn heerschappij duurt eeuwig. Hij redt en bevrijdt, en hij doet tekenen en wonderen in de hemel en op aarde, want hij heeft Daniël uit de klauwen van de leeuwen gered.’

Het ging Daniël dus goed in het koninkrijk van Darius en het koninkrijk van Cyrus de Pers.

In het eerste jaar van koning Belsazar van Babylon had Daniël een droom en gingen er visioenen door zijn hoofd terwijl hij op zijn bed lag. Hij schreef de droom op en legde een volledig verslag vast. Daniël verklaarde:

‘Tijdens mijn nachtelijke visioenen zag ik dat de vier winden van de hemel de uitgestrekte zee opzweepten. Er kwamen vier enorme beesten uit de zee, allemaal verschillend.

Het eerste leek op een leeuw en had de vleugels van een arend. Terwijl ik toekeek werden zijn vleugels uitgerukt en werd het van de aarde opgetild en op twee voeten overeind gezet als een mens. Ook kreeg het een mensenhart.

Toen verscheen er een ander beest, een tweede, dat op een beer leek. Het richtte zich aan één kant op en het had drie ribben in zijn muil, tussen zijn tanden. Er werd tegen gezegd: “Sta op, eet veel vlees.”

Ik bleef toekijken en zag een ander beest. Het leek op een luipaard, maar het had vier vleugels op zijn rug als die van een vogel. Het beest had vier koppen en het kreeg het gezag om te heersen.

Hierna bleef ik toekijken en zag ik in de nachtelijke visioenen een vierde beest, angstaanjagend, afschrikwekkend en ongewoon sterk, en het had grote ijzeren tanden. Het verslond en verbrijzelde, en wat er overbleef vertrapte het met zijn poten. Het verschilde van alle andere beesten die daarvoor verschenen waren, en het had tien hoorns. Terwijl ik naar de hoorns keek, zag ik een andere hoorn, een kleine, ertussen opkomen, en drie van de eerste hoorns werden ervoor uitgerukt. Ik zag dat er in deze hoorn ogen waren die op mensenogen leken, en er was een mond vol grootspraak.

Terwijl ik toekeek werden er tronen geplaatst en ging de Oude van Dagen zitten. Zijn kleding was zo wit als sneeuw en het haar op zijn hoofd was als zuivere wol. Zijn troon bestond uit vuurvlammen en de wielen ervan waren een brandend vuur. Een vuurstroom vloeide en stroomde voor hem uit. Duizend maal duizend dienden hem en tienduizend maal tienduizend stonden vóór hem. Het Gerechtshof hield zitting en er werden boeken geopend.

Ik bleef toekijken vanwege de grootspraak van de hoorn. Terwijl ik toekeek, werd het beest gedood en werd zijn lichaam vernietigd en aan het brandende vuur prijsgegeven. De andere beesten werd hun heerschappij ontnomen, maar hun leven werd verlengd voor een tijd en een tijdperk.

Ik bleef toekijken en zag in de nachtelijke visioenen dat er met de wolken van de hemel iemand kwam die leek op een mensenzoon. Hij kreeg toegang tot de Oude van Dagen en werd vlak voor hem gebracht. Hij kreeg heerschappij, eer en een koninkrijk, en alle volken, naties en taalgroepen moesten hem dienen. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij die niet zal voorbijgaan, en zijn koninkrijk zal niet worden vernietigd.

Ik, Daniël, was diep in mijn geest geraakt omdat de visioenen die door mijn hoofd gingen, me angst aanjoegen. Ik wendde me tot een van degenen die er stonden en vroeg hem naar de ware betekenis hiervan. Hij gaf antwoord en legde me uit wat die dingen betekenden.

“Die enorme beesten, vier in getal, zijn vier koningen die uit de aarde zullen opkomen. Maar de heiligen van het Opperwezen zullen het koninkrijk ontvangen, en ze zullen het koninkrijk voor eeuwig bezitten, ja, voor altijd en eeuwig.”

Toen wilde ik meer weten over het vierde beest, dat verschilde van alle andere. Het was bijzonder afschrikwekkend, met ijzeren tanden en koperen klauwen. Het verslond en verbrijzelde, en wat er overbleef vertrapte het met zijn poten. Ook wilde ik meer weten over de tien hoorns op zijn kop en over de andere hoorn die opkwam en waarvoor er drie vielen, de hoorn die ogen had en een mond vol grootspraak en die er groter uitzag dan de andere.

Terwijl ik toekeek, voerde die hoorn oorlog tegen de heiligen. Hij had de overhand totdat de Oude van Dagen kwam en er een oordeel werd uitgesproken ten gunste van de heiligen van het Opperwezen en de vastgestelde tijd aanbrak dat de heiligen het koninkrijk in bezit zouden nemen.

Dit zei hij: “Het vierde beest betekent een vierde koninkrijk dat op aarde zal komen. Het zal verschillen van alle andere koninkrijken en het zal de hele aarde verslinden, vertrappen en verbrijzelen. De tien hoorns zijn tien koningen die uit dat koninkrijk zullen opstaan. Na hen zal er nog een ander opstaan, die zal verschillen van de eersten, en hij zal drie koningen vernederen. Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste en hij zal de heiligen van het Opperwezen voortdurend bestoken. Hij zal eropuit zijn tijden en wet te veranderen, en ze zullen in zijn handen worden gegeven voor een tijd, tijden en een halve tijd. Maar het Gerechtshof hield zitting en ontnam hem zijn heerschappij, en hij werd verdelgd en volledig vernietigd.

Het koninkrijk, de heerschappij en de grootheid van de koninkrijken onder heel de hemel werden aan het volk van de heiligen van het Opperwezen gegeven. Hun koninkrijk is een eeuwig koninkrijk en alle regeringen zullen Hem dienen en gehoorzamen.”

Hier eindigt het verslag. Ik, Daniël, had gedachten die me erg verontrustten en ik werd bleek, maar ik bewaarde de woorden in mijn eigen hart.’

In het derde regeringsjaar van koning Belsazar kreeg ik, Daniël, na het visioen dat ik eerder had gekregen opnieuw een visioen. In het visioen was ik in de vesting Susan, die in de provincie Elam ligt. Toen ik het visioen zag, stond ik bij de rivier de Ulai. Ik keek op en zag een ram voor de rivier staan, en hij had twee hoorns. De twee hoorns waren lang, maar de ene was hoger dan de andere, en de hoogste kwam later op. Ik zag de ram stoten naar het westen, naar het noorden en naar het zuiden. Geen enkel wild beest hield tegen hem stand en er was niemand die uit zijn macht kon bevrijden. Hij deed wat hij wilde en hij maakte zich groot.

Terwijl ik toekeek, zag ik uit het westen een geitenbok komen die het hele aardoppervlak doorkruiste zonder de grond te raken. De bok had een opvallende hoorn tussen zijn ogen. Hij ging op de ram met de twee hoorns af die ik bij de rivier had zien staan. In razende woede stormde hij op hem af.

Ik zag hem steeds dichter bij de ram komen. Vol bitterheid stootte hij de ram omver en brak zijn twee hoorns, en de ram had niet de kracht om tegen hem stand te houden. Hij wierp de ram tegen de grond en vertrapte hem, en niemand kon de ram redden uit zijn macht.

De geitenbok maakte zich bijzonder groot, maar zodra hij machtig werd, werd de grote hoorn gebroken. Daarvoor in de plaats kwamen vier opvallende hoorns, gericht naar de vier windstreken van de hemel.

Uit één ervan kwam nog een hoorn, een kleine, die enorm uitgroeide naar het zuiden, naar het oosten en naar het Sieraad. Hij werd zo groot dat hij helemaal tot aan het hemelse leger reikte. Hij liet een deel van het leger en van de sterren naar de aarde vallen en vertrapte ze. Hij verhief zich zelfs tegen de Vorst van het leger. Hem werd het vaste kenmerk ontnomen en de vaste plaats van zijn heiligdom werd omvergehaald. Het leger werd samen met het vaste kenmerk overgeleverd vanwege overtreding. Hij bleef waarheid ter aarde werpen en hij slaagde in wat hij ondernam.

Ik hoorde een heilige spreken, en een andere heilige zei tegen degene die sprak: ‘Hoelang zal het visioen duren over het vaste kenmerk en de overtreding die verwoesting veroorzaakt en over het vertrappen van de heilige plaats en het leger?’ Hij zei tegen me: ‘Het zal 2300 avonden en ochtenden duren, en daarna zal de heilige plaats beslist in de juiste toestand worden hersteld.’

Terwijl ik, Daniël, het visioen zag en probeerde te begrijpen, zag ik plotseling iemand voor me staan die eruitzag als een man. Toen hoorde ik de stem van een man midden in de Ulai en hij riep: ‘Gabriël, zorg dat hij begrijpt wat hij heeft gezien.’ Hij kwam vlak bij de plek waar ik stond, maar ik schrok zo dat ik voorover op de grond viel. Hij zei tegen me: ‘Begrijp, mensenzoon, dat het visioen bestemd is voor de tijd van het einde.’ Terwijl hij met me praatte, viel ik in een diepe slaap met mijn gezicht op de grond. Hij raakte me aan en liet me opstaan waar ik gestaan had. Toen zei hij: ‘Ik zal je vertellen wat er aan het einde van de veroordeling zal gebeuren, want het is bestemd voor de vastgestelde tijd van het einde.

De ram met de twee hoorns die je hebt gezien, stelt de koningen van Medië en Perzië voor. De harige bok stelt de koning van Griekenland voor en de grote hoorn tussen zijn ogen betekent de eerste koning. Dat de hoorn gebroken werd en er vier andere voor in de plaats kwamen, betekent dat er uit zijn volk vier koninkrijken zullen opstaan, maar niet met zijn kracht.

Aan het einde van hun koningschap, als de overtreders de maat vol hebben gemaakt, zal er een koning opstaan die er meedogenloos uitziet en die bedreven is in listen. Zijn macht zal groot worden, maar niet door zijn eigen macht. Hij zal op een bijzondere manier verwoesting aanrichten, en hij zal slagen in alles wat hij onderneemt. Hij zal machtigen ten val brengen, ook het volk dat uit de heiligen bestaat. In zijn sluwheid zal hij bedrog gebruiken om te slagen. Hij zal zich in zijn hart verheffen. In een tijd van veiligheid zal hij velen ten val brengen. Hij zal zelfs opstaan tegen de Vorst der vorsten, maar hij zal gebroken worden zonder mensenhand.

Wat in het visioen werd gezegd over de avonden en de ochtenden is waar, maar je moet het visioen geheimhouden, want het verwijst naar de verre toekomst.’

Ik, Daniël, was uitgeput en een aantal dagen was ik ziek. Toen stond ik op en deed het werk van de koning, maar ik was ontzet door wat ik had gezien en wat niemand kon begrijpen.

In het eerste jaar van Darius, de zoon van Ahasveros — een afstammeling van de Meden die koning was gemaakt over het koninkrijk van de Chaldeeën — in zijn eerste regeringsjaar, onderscheidde ik, Daniël, aan de hand van de boeken hoeveel jaar Jeruzalem in puin zou liggen volgens het woord van Jehovah tot de profeet Jeremia, namelijk 70 jaar. Toen wendde ik me met smeekgebeden tot Jehovah, de ware God, vastend en in zak en as. Ik bad tot Jehovah, mijn God, en ik bekende schuld en zei:

‘O Jehovah, ware God, grote en ontzagwekkende God, u houdt u aan uw verbond en toont loyale liefde voor iedereen die van u houdt en uw geboden naleeft. We hebben gezondigd, gedaan wat verkeerd was en slecht gehandeld, en we zijn in opstand gekomen. We zijn van uw geboden en uw bepalingen afgeweken. We hebben niet geluisterd naar uw dienaren, de profeten, die in uw naam hebben gesproken tot onze koningen, onze vorsten, onze voorouders en het hele volk. Jehovah, u bent rechtvaardig, maar wij moeten ons schamen, ook vandaag — heel Israël, onder wie de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, degenen dichtbij en ver weg, in alle landen waarheen u ze hebt verdreven omdat ze u ontrouw waren.

Jehovah, we moeten ons schamen, en ook onze koningen, onze vorsten en onze voorouders, want we hebben tegen u gezondigd. Jehovah, onze God, u bent barmhartig en vergeeft graag, hoewel we tegen u in opstand zijn gekomen. We hebben niet geluisterd naar uw stem, Jehovah, onze God, door de wetten na te leven die u ons hebt voorgehouden via uw dienaren, de profeten. Heel Israël heeft uw wet overtreden en is afgeweken door niet naar uw stem te luisteren. Daarop hebt u de vloek en de gezworen eed over ons uitgestort waarover geschreven staat in de wet van Mozes, de dienaar van de ware God, want we hebben tegen u gezondigd. U hebt groot onheil over ons gebracht en zo de woorden uitgevoerd die u had gesproken tegen ons en tegen de leiders die ons bestuurden. Onder de hele hemel is nooit zoiets gebeurd als wat in Jeruzalem is gebeurd. Al die ellende is over ons gekomen zoals in de wet van Mozes geschreven staat, en toch hebben we niet uw gunst gezocht, Jehovah, onze God, door ons van onze zonde af te keren en door inzicht te tonen in uw waarheid.

Jehovah, u bleef waakzaam en bracht onheil over ons, want Jehovah, onze God, u bent rechtvaardig in alles wat u doet. En toch hebben we niet naar uw stem geluisterd.

O Jehovah, onze God, die uw volk met een sterke hand uit Egypte hebt geleid en een naam voor uzelf hebt gemaakt tot de dag van vandaag — we hebben gezondigd en gedaan wat verkeerd was. Jehovah, u doet altijd wat rechtvaardig is. Wend daarom alstublieft uw grote woede af van uw stad Jeruzalem, uw heilige berg. Want vanwege onze zonden en de fouten van onze voorouders zijn Jeruzalem en uw volk een mikpunt van spot voor iedereen om ons heen. O onze God, luister naar het gebed en de smeekbeden van uw dienaar. Laat omwille van uzelf, Jehovah, het licht van uw gelaat schijnen over uw heiligdom, dat verwoest is. Open uw oor, o mijn God, en luister! Open toch uw ogen en zie de verwoesting van de stad die naar uw naam genoemd is. Want we richten geen smeekgebeden tot u vanwege onze rechtvaardige daden maar vanwege uw grote barmhartigheid. O Jehovah, luister toch. O Jehovah, vergeef toch. O Jehovah, heb toch aandacht voor ons en grijp in! Stel het niet uit, omwille van uzelf, mijn God, want uw stad en uw volk dragen uw naam.’

Terwijl ik nog sprak en bad en ik mijn zonde en de zonde van mijn volk Israël bekende en mijn verzoek om gunst over de heilige berg van mijn God voorlegde aan Jehovah, mijn God, ja, nog terwijl ik mijn gebed uitsprak, kwam de man Gabriël bij me, die ik eerder in het visioen had gezien. Het was rond de tijd van het avondoffer en ik was volledig uitgeput. Hij gaf me begrip en zei:

‘Daniël, ik ben gekomen om je inzicht en begrip te geven. Bij het begin van je smeekgebed is er een woord uitgegaan, en ik ben gekomen om het aan je over te brengen, want je bent heel geliefd. Let dus goed op en probeer het visioen te begrijpen.

Er zijn voor je volk en je heilige stad 70 weken vastgesteld om de overtreding te beëindigen, om een eind te maken aan zonde, om verzoening te doen voor fouten, om eeuwige rechtvaardigheid te brengen, om het visioen en de profetie te verzegelen en om het heilige der heiligen te zalven. Je moet dit weten en begrijpen: vanaf het moment dat het woord uitgaat om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot Messias de Leider zullen er 7 weken voorbijgaan en ook 62 weken. Ze zal hersteld en herbouwd worden, met een plein en een gracht, maar in moeilijke tijden.

Na de 62 weken zal de Messias worden verwijderd, met niets voor zichzelf.

Het volk van een leider die komt, zal de stad en de heilige plaats vernietigen. Het einde ervan zal zijn door de vloed. En tot het einde zal er oorlog zijn, er is besloten tot verwoestingen.

Hij zal het verbond voor de velen één week van kracht laten blijven. Op de helft van de week zal hij slachtoffer en offergave laten ophouden.

Op de vleugel van walgelijke dingen zal degene komen die verwoesting veroorzaakt, en tot aan de vernietiging zal wat besloten is ook worden uitgestort over degene die woest ligt.’

In het derde jaar van koning Cyrus van Perzië kreeg Daniël, die Beltsazar werd genoemd, een openbaring. De boodschap was waar en ging over een groot conflict. Hij begreep de boodschap en kreeg inzicht in wat hij had gezien.

In die dagen was ik, Daniël, drie volle weken in de rouw. Drie volle weken at ik geen lekkernijen, kwam er geen vlees of wijn in mijn mond en wreef ik me niet met olie in. Op de 24ste dag van de eerste maand bevond ik me aan de oever van de grote rivier, de Tigris. Ik keek op en zag een man in linnen kleding, met om zijn middel een gordel van goud uit Ufaz. Zijn lichaam was als chrysoliet, zijn gezicht zag eruit als de bliksem, zijn ogen waren als vuurfakkels, zijn armen en voeten leken op gepolijst koper en zijn woorden klonken als het geluid van een menigte. Alleen ik, Daniël, zag het visioen. De mannen die bij me waren zagen het visioen niet, maar ze werden bevangen door grote angst. Ze vluchtten weg en verborgen zich.

Ik bleef alleen achter. Toen ik dat grootse visioen zag, bleef er geen kracht in me over. Ik werd lijkbleek en verloor al mijn kracht. Vervolgens hoorde ik hem spreken. Maar terwijl ik hem hoorde spreken, viel ik in een diepe slaap, met mijn gezicht op de grond. Toen raakte een hand me aan en schudde me wakker. Ik kwam omhoog op mijn handen en knieën. Vervolgens zei hij tegen me:

‘Daniël, zeer geliefde man, heb aandacht voor wat ik tegen je ga zeggen. Ga overeind staan, want ik ben naar je toe gestuurd.’

Toen hij dat tegen me zei, stond ik bevend op.

‘Wees niet bang, Daniël’, zei hij tegen me. ‘Vanaf de eerste dag dat je je er met je hele hart op toelegde om begrip te krijgen en je te vernederen voor je God, zijn je woorden gehoord. Ik ben vanwege jouw woorden gekomen. Maar de vorst van het koninkrijk Perzië bood me 21 dagen lang tegenstand. Toen kwam Michaël, een van de voornaamste vorsten, mij te hulp, en ik bleef daar bij de koningen van Perzië. Ik ben gekomen om je te laten begrijpen wat je volk aan het einde van de dagen zal overkomen, want het is een visioen dat bestemd is voor de toekomst.’

Toen hij dat tegen me zei, richtte ik mijn blik op de grond — ik was sprakeloos. Iemand die op een man leek, raakte mijn lippen aan, en ik opende mijn mond en zei tegen degene die voor me stond: ‘Mijn heer, ik sta te trillen door het visioen en ik heb geen kracht. Dus hoe kan ik, uw dienaar, dan met u spreken, mijn heer? Want ik heb geen kracht en ik heb geen adem meer over.’

Degene die eruitzag als een man raakte me opnieuw aan en sterkte me. Hij zei: ‘Wees niet bang, zeer geliefde man. Vrede zij met je. Wees sterk, ja, wees sterk.’ Toen hij met me sprak, voelde ik me gesterkt en ik zei: ‘Spreek, mijn heer, want u hebt me gesterkt.’

Daarop zei hij: ‘Weet je waarom ik bij je gekomen ben? Ik ga zo terug om met de vorst van Perzië te strijden. En als ik vertrek, komt de vorst van Griekenland. Maar ik zal je vertellen wat er in de geschriften van waarheid geschreven staat. Er is niemand die mij hierin krachtig steunt behalve Michaël, jullie vorst.

In het eerste jaar van Darius de Meder stond ik op om hem te steunen en te sterken. Wat ik je nu ga vertellen is de waarheid:

Luister! Nog drie koningen zullen opstaan voor Perzië, en de vierde zal grotere rijkdom vergaren dan alle anderen. En als hij sterk wordt door zijn rijkdom, zal hij alles in beweging brengen tegen het koninkrijk Griekenland.

En er zal een machtige koning opstaan. Zijn heerschappij zal omvangrijk zijn en hij zal doen wat hij wil. Maar wanneer hij is opgestaan, zal zijn koninkrijk uiteenvallen en worden verdeeld naar de vier windstreken van de hemel. Het gaat niet naar zijn nakomelingen en het zal niet zijn als de heerschappij waarmee hij heeft geheerst, want zijn koninkrijk wordt uitgerukt en gaat naar anderen.

De koning van het zuiden, een van zijn vorsten, zal sterk worden. Maar er zal er een zijn die sterker is dan hij en van wie de heerschappij omvangrijk zal zijn, groter dan de regeringsmacht van de eerste.

Na een aantal jaren zullen ze een verbintenis aangaan, en de dochter van de koning van het zuiden zal bij de koning van het noorden komen om een overeenkomst te sluiten. Maar ze zal de kracht van haar arm niet behouden, en hij en zijn arm zullen niet standhouden. Ze zal worden prijsgegeven, zij en degenen die haar hebben gebracht, degene die haar heeft verwekt en degene die haar in die tijd sterk heeft gemaakt. Een spruit uit haar wortels zal opstaan in zijn positie, en hij zal optrekken tegen het leger en tegen de vesting van de koning van het noorden. Hij zal tegen hen optreden en zal overwinnen. Zelfs hun goden, hun metalen beelden, hun kostbare voorwerpen van zilver en van goud en gevangenen zal hij meenemen naar Egypte. Een aantal jaren zal hij op afstand blijven van de koning van het noorden, die tegen het koninkrijk van de koning van het zuiden zal optrekken, maar naar zijn eigen land zal teruggaan.

Zijn zonen zullen zich klaarmaken voor de oorlog en een enorm groot leger samenbrengen. Hij zal beslist optrekken en voortrazen als een vloedgolf. Maar hij zal teruggaan en hij zal oorlog voeren helemaal tot aan zijn vesting.

De koning van het zuiden zal verbitterd worden en uitrukken en strijden tegen hem, de koning van het noorden. Die zal een grote menigte op de been brengen, maar de menigte zal in zijn handen worden gegeven. De menigte zal weggevoerd worden. Zijn hart zal zich verheffen en hij zal tienduizenden ten val brengen, maar hij zal zijn sterke positie niet benutten.

De koning van het noorden zal terugkeren en een menigte op de been brengen die groter is dan de eerste. Aan het einde van de tijden, na een aantal jaren, zal hij beslist komen met een groot leger en veel middelen. In die tijd zullen velen tegen de koning van het zuiden opstaan.

De gewelddadigen onder je volk zullen worden meegesleept in een poging een visioen te laten uitkomen, maar ze zullen struikelen.

De koning van het noorden zal komen, een belegeringsdam opwerpen en een vestingstad innemen. De legers van het zuiden en zijn beste mannen zullen niet standhouden. Ze zullen niet de kracht hebben om stand te houden. Degene die tegen hem optrekt, zal doen wat hij wil, en niemand zal tegen hem standhouden. Hij zal vaste voet krijgen in het Sieraadland en hij zal het vermogen hebben om te vernietigen. Hij zal vastbesloten zijn met de volledige kracht van zijn koninkrijk te komen. Hij zal een overeenkomst sluiten en hij zal slagen in wat hij onderneemt. Het wordt hem toegestaan de dochter van de vrouwen te gronde te richten. Ze zal niet standhouden en ze zal niet de zijne blijven. Hij zal zijn blik richten op de kuststreken en er vele innemen. Een bevelhebber zal de vernedering die hij veroorzaakt laten ophouden, zodat er een eind aan komt. Hij zal hem die vernedering vergelden. Dan zal hij zijn blik weer richten op de vestingen van zijn eigen land. Hij zal struikelen en vallen en hij zal niet gevonden worden.

In zijn positie zal iemand opstaan die een afperser door het prachtige koninkrijk laat trekken, maar binnen enkele dagen zal hij vernietigd worden, al is het niet door woede of oorlog.

Er zal in zijn positie een verachtelijk persoon opstaan, en hem wordt geen koninklijke waardigheid gegeven. Hij zal binnenkomen in een tijd van veiligheid en het koningschap bemachtigen door sluwheid. De stortvloed van troepen zal vanwege hem worden weggevaagd en ze zullen gebroken worden, net als de Leider van het verbond. Vanwege hun verbintenis met hem zal hij bedrog plegen en optrekken en machtig worden door middel van een klein volk. In een tijd van veiligheid zal hij in de beste delen van de provincie komen en doen wat zijn voorvaders en hun voorvaders niet hebben gedaan. Buit en goederen zal hij onder hen verdelen, en tegen vestingen zal hij plannen smeden, maar slechts voor een tijd.

Hij zal zijn kracht en zijn hart tegen de koning van het zuiden opwekken met een groot leger, en de koning van het zuiden zal zich klaarmaken voor de oorlog met een buitengewoon groot en machtig leger. Hij zal niet standhouden, omdat men plannen tegen hem smeedt. Degenen die zijn lekkernijen eten, zullen zijn ondergang veroorzaken.

Zijn leger zal worden weggespoeld en er zullen vele doden vallen.

Het hart van deze twee koningen zal geneigd zijn kwaad te doen, en ze zullen aan één tafel zitten en elkaar leugens vertellen. Maar niets zal slagen, want het einde is nog voor de vastgestelde tijd.

Hij zal naar zijn land teruggaan met een grote hoeveelheid goederen, en zijn hart zal tegen het heilige verbond zijn. Hij zal slagen in wat hij onderneemt en naar zijn land teruggaan.

Op de vastgestelde tijd zal hij terugkomen en tegen het zuiden optrekken. Maar dit keer zal het niet zo gaan als eerst, want de schepen van Kittim zullen hem aanvallen en hij zal vernederd worden.

Hij zal terugkomen en hij zal zijn woede koelen op het heilige verbond en slagen in wat hij onderneemt. Hij zal terugkomen en aandacht geven aan degenen die het heilige verbond verlaten. Er zullen legers opstaan die uit hem voortkomen en ze zullen het heiligdom, de vesting, ontwijden en het vaste kenmerk verwijderen.

En men zal het walgelijke ding dat verwoesting veroorzaakt oprichten.

Degenen die zich misdragen tegen het verbond, zal hij door sluwe woorden tot afval brengen. Maar het volk dat zijn God kent, zal overwinnen en slagen in wat het onderneemt. En degenen onder het volk die inzicht hebben, zullen velen begrip bijbrengen. Ze zullen een aantal dagen tot struikelen worden gebracht door zwaard en vlam, door gevangenschap en plundering. Maar wanneer ze tot struikelen worden gebracht, zullen ze wat hulp krijgen. Velen zullen zich bij hen aansluiten door sluwe praatjes. Een aantal van degenen die inzicht hebben, zullen tot struikelen worden gebracht, zodat er in verband met hen een louteringswerk wordt gedaan en ze gereinigd en wit gemaakt worden, tot de tijd van het einde toe. Want het is nog voor de vastgestelde tijd.

De koning zal doen wat hij wil en hij zal zich verheffen en zich grootmaken boven elke god. Tegen de God der goden zal hij verbijsterende dingen spreken. Hij zal succes hebben totdat de veroordeling tot een eind komt, want wat besloten is moet gebeuren. Hij zal geen respect hebben voor de God van zijn voorvaders en hij zal ook geen respect hebben voor het verlangen van de vrouwen of voor een andere god, maar hij zal zich grootmaken boven iedereen. In plaats daarvan zal hij eer geven aan de god van de vestingen. Aan een god die zijn voorvaders niet kenden, zal hij eer geven door middel van goud, zilver, edelstenen en kostbare dingen. Hij zal in actie komen tegen de sterkste vestingen, samen met een vreemde god. Allen die hem erkennen, overlaadt hij met eer, en hij zal hen laten heersen onder velen. De grond zal hij uitdelen tegen een prijs.

In de tijd van het einde zal de koning van het zuiden met hem in botsing komen. De koning van het noorden zal met wagens, ruiters en veel schepen op hem afstormen. Hij zal de landen binnentrekken en er als een vloedgolf doorheen razen. Hij zal ook het Sieraadland binnentrekken, en veel landen zullen tot struikelen worden gebracht. Maar aan zijn hand zullen ontkomen: Edom, Moab en het belangrijkste deel van de Ammonieten. Hij zal zijn hand blijven uitsteken tegen de landen, en ook Egypte zal niet ontkomen. Hij zal heersen over de verborgen schatten van goud en zilver en over alle kostbare dingen van Egypte. De Libiërs en de Ethiopiërs zullen hem op de voet volgen.

Maar berichten uit het oosten en uit het noorden zullen hem verontrusten. Hij zal in grote woede uittrekken om weg te vagen en velen voor de vernietiging te bestemmen. Hij zal zijn koninklijke tenten planten tussen de grote zee en de heilige Sieraadberg. Hij zal volledig aan zijn eind komen en niemand zal hem te hulp komen.

In die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst die staat ten behoeve van jouw volk. Er zal een moeilijke tijd aanbreken zoals er niet is geweest sinds er een volk is ontstaan tot die tijd. In die tijd zal jouw volk ontkomen, iedereen die geschreven blijkt te staan in het boek. Velen van hen die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken, sommigen tot eeuwig leven en anderen tot schande en eeuwige verachting.

Degenen die inzicht hebben, zullen zo helder stralen als het uitspansel van de hemel, en degenen die de velen tot rechtvaardigheid brengen als de sterren, voor altijd en eeuwig.

Houd de woorden geheim, Daniël, en verzegel het boek tot de tijd van het einde. Velen zullen het grondig onderzoeken, en de ware kennis zal overvloedig worden.’

Ik, Daniël, keek en zag daar twee anderen staan, de ene aan deze oever van de rivier en de andere aan de overkant van de rivier. Een van hen zei tegen de man in de linnen kleding die zich boven het water van de rivier bevond: ‘Hoelang zal het duren tot het einde van deze wonderbare dingen?’ Toen hoorde ik de man in de linnen kleding die zich boven het water van de rivier bevond spreken. Hij hief zijn rechter- en zijn linkerhand op naar de hemel en zwoer bij Hem die eeuwig leeft: ‘Het zal zijn voor een vastgestelde tijd, vastgestelde tijden en een halve tijd. Zodra het verpletteren van de macht van het heilige volk eindigt, zal er aan al deze dingen een eind komen.’

Ik hoorde het, maar ik kon het niet begrijpen. Daarom zei ik: ‘Mijn heer, wat zal de afloop zijn van deze dingen?’

Toen zei hij: ‘Ga, Daniël, want de woorden moeten geheim en verzegeld blijven tot de tijd van het einde. Velen zullen zich reinigen en zich wit maken en gelouterd worden. Slechte mensen zullen zich slecht gedragen, en geen van de slechte mensen zal het begrijpen. Maar degenen die inzicht hebben, zullen het begrijpen.

En vanaf de tijd dat het vaste kenmerk verwijderd is en het walgelijke ding dat verwoesting veroorzaakt is opgericht, zullen er 1290 dagen zijn.

Gelukkig is hij die blijft verwachten en die de 1335 dagen bereikt!

Maar jij moet tot het einde doorgaan. Je zult rusten, maar je zult opstaan tot je bestemming aan het einde van de dagen.’