Genesis

Boekrol: Genesis (Hebr. בְּרֵאשִׁית = Be'reshiet) / 'In het begin'
Schrijver: Mozes
Waar geschreven: Wildernis (Sinai, Negev, red.)
Geschrift voltooid: ca. 1513 v.Chr
Beschreven periode: „In het begin” tot 1657 v.Chr.


In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was woest en leeg, en er lag duisternis over het oppervlak van de watermassa. En Gods geest bewoog zich over het oppervlak van het water.

God zei: ‘Er moet licht komen.’ Toen kwam er licht. Daarna zag God dat het licht goed was, en God begon het licht te scheiden van de duisternis. God noemde het licht ‘dag’, maar de duisternis noemde hij ‘nacht’. En het werd avond en het werd morgen: een eerste dag.

Toen zei God: ‘Er moet een open ruimte tussen de wateren komen als scheiding tussen de ene watermassa en de andere.’ Vervolgens maakte God de open ruimte en hij scheidde de watermassa onder de open ruimte van de watermassa erboven. En het werd zo. God noemde de open ruimte ‘hemel’. En het werd avond en het werd morgen: een tweede dag.

Toen zei God: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen en de droge grond moet tevoorschijn komen.’ En het werd zo. God noemde de droge grond ‘land’, maar het samengestroomde water noemde hij ‘zee’. En God zag dat het goed was.

Vervolgens zei God: ‘Het land moet gras voortbrengen, zaaddragende planten en ook vruchtbomen die vruchten met zaad erin opleveren, naar hun soort.’ En het werd zo. Het land ging gras voortbrengen, zaaddragende planten en ook bomen die vruchten met zaad erin opleverden, naar hun soort. Toen zag God dat het goed was. En het werd avond en het werd morgen: een derde dag.

Toen zei God: ‘Er moeten lichten aan de hemel komen om de dag te scheiden van de nacht. Ze zullen dienen als aanduiding voor seizoenen en voor dagen en jaren. Ze zullen als lichten aan de hemel dienen om op de aarde te schijnen.’ En het werd zo.

En God maakte de twee grote hemellichten: het grootste om te heersen over de dag en het kleinere om te heersen over de nacht, en ook de sterren. God plaatste ze aan de hemel om op de aarde te schijnen, om overdag en ’s nachts te heersen en om het licht te scheiden van de duisternis. Toen zag God dat het goed was. En het werd avond en het werd morgen: een vierde dag.

Daarna zei God: ‘Het water moet wemelen van levende wezens, en er moeten vliegende dieren in de lucht boven de aarde vliegen, langs de hemel.’ En God schiep de grote zeedieren en alle levende wezens waar het water van wemelt, naar hun soort, en alle gevleugelde vliegende dieren naar hun soort. En God zag dat het goed was.

Daarop zegende God ze en zei: ‘Wees vruchtbaar, word talrijk en vul het water van de zee, en laat de vliegende dieren talrijk worden op de aarde.’ En het werd avond en het werd morgen: een vijfde dag.

Toen zei God: ‘De aarde moet levende wezens voortbrengen naar hun soort: tamme dieren, kruipende dieren en wilde dieren, naar hun soort.’ En het werd zo. God maakte de wilde dieren naar hun soort en de tamme dieren naar hun soort en alle kruipende dieren naar hun soort. En God zag dat het goed was.

Daarna zei God: ‘Laten wij de mens maken naar ons beeld, zodat ze op ons lijken. Ze moeten het gezag hebben over de vissen in de zee, de vliegende dieren in de lucht en de tamme dieren, over de hele aarde en alle dieren die daarop rondkruipen.’

Vervolgens schiep God de mens naar zijn beeld, naar Gods beeld schiep hij hem. Als man en als vrouw schiep hij hen. Verder zegende God hen en God zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, vul de aarde en onderwerp haar, en heb het gezag over de vissen in de zee, de vliegende dieren in de lucht en alle dieren die zich op de aarde bewegen.’

Toen zei God: ‘Ik geef jullie alle zaaddragende planten op de hele aarde en alle bomen met zaaddragende vruchten. Dat zal jullie voedsel zijn. Aan alle wilde dieren op het land, alle vliegende dieren in de lucht en alles wat zich op de aarde beweegt waarin leven is, geef ik de groene planten als voedsel.’ En het werd zo.

Daarna zag God alles wat hij gemaakt had en hij zag dat het heel goed was. En het werd avond en het werd morgen: de zesde dag.

Zo werden de hemel en de aarde en alles wat daarbij hoort voltooid. Tegen de zevende dag was God klaar met het werk dat hij gedaan had, en op de zevende dag ging hij rusten van al zijn werk.

Vervolgens zegende God de zevende dag en verklaarde die heilig, want op die dag is God gaan rusten van al zijn scheppingswerk, alles wat hij besloten had te maken.

Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde toen ze werden geschapen, op de dag waarop Jehovah God aarde en hemel maakte.

Er groeiden op aarde nog geen struiken of andere planten, want Jehovah God had het niet laten regenen op de aarde en er waren geen mensen om de grond te bewerken. Maar er steeg wel altijd damp uit de aarde op, die de hele aardbodem bevochtigde.

En Jehovah God vormde de mens uit stof van de aardbodem en in zijn neusgaten blies hij de levensadem, en de mens werd een levend wezen. Ook legde Jehovah God in Eden, in het oosten, een tuin aan. Daarin plaatste hij de mens die hij had gevormd.

Jehovah God liet uit de aardbodem allerlei bomen opschieten, prachtig om te zien en met heerlijke vruchten, en ook de levensboom in het midden van de tuin en de boom van de kennis van goed en kwaad.

In Eden ontsprong een rivier die de tuin van water voorzag, en verderop splitste die zich in vier rivieren. De naam van de eerste is Pison. Die stroomt om het hele land Havila heen, waar goud is. Het goud van dat land is goed, en er zijn daar ook onyxstenen en bdelliumhars. De naam van de tweede rivier is Gihon. Die stroomt om het hele land Kusch heen. De naam van de derde rivier is Hiddekel. Die loopt ten oosten van Assyrië. En de vierde rivier is de Eufraat.

Jehovah God plaatste de mens dus in de tuin van Eden om die te bewerken en ervoor te zorgen. Ook gaf Jehovah God de mens het volgende gebod: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten zo veel je wilt. Maar van de boom van de kennis van goed en kwaad mag je niet eten, want op de dag dat je daarvan eet, zul je zeker sterven.’

Toen zei Jehovah God: ‘Het is niet goed dat de mens alleen blijft. Ik zal een helper voor hem maken als zijn tegenhanger.’ Jehovah God had uit de aardbodem alle wilde dieren op het land en alle vliegende dieren in de lucht gevormd. Hij bracht die vervolgens bij de mens om te zien hoe hij elk dier zou noemen, en elk levend wezen kreeg de naam die de mens eraan gaf. De mens gaf dus namen aan alle tamme dieren, aan de vliegende dieren in de lucht en aan alle wilde dieren op het land, maar voor de mens was er niemand die hem hielp en aanvulde.

Daarom liet Jehovah God de mens in een diepe slaap vallen, en terwijl de mens sliep, nam hij een van zijn ribben weg en maakte toen het vlees op die plaats weer dicht. Jehovah God maakte uit de rib die hij uit de man had genomen een vrouw en bracht haar bij de man.

Toen zei de man: ‘Dit is eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees. Ze zal “mannin” worden genoemd, omdat ze uit de man is genomen.’ Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten, en ze zullen één vlees worden. En de man en zijn vrouw bleven allebei naakt, en toch schaamden ze zich niet.

Van alle wilde dieren op het land die Jehovah God had gemaakt, was de slang het behoedzaamst. De slang zei tegen de vrouw: ‘Heeft God echt gezegd dat jullie niet van alle bomen in de tuin mogen eten?’ De vrouw antwoordde de slang: ‘We mogen de vruchten van de bomen in de tuin eten. Maar over de vruchten van de boom in het midden van de tuin heeft God gezegd: “Jullie mogen er niet van eten en die zelfs niet aanraken, anders zullen jullie sterven.”’

Daarop zei de slang tegen de vrouw: ‘Jullie zullen helemaal niet sterven. Want God weet dat op de dag dat jullie ervan eten, jullie ogen geopend zullen worden en jullie als God zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’

Toen zag de vrouw dat de boom heerlijke vruchten had en een lust voor het oog was — de boom zag er echt prachtig uit. Ze plukte dus een vrucht van de boom en ging ervan eten.

Daarna gaf ze er ook van aan haar man toen die bij haar was, en ook hij ging ervan eten. Toen werden de ogen van hen beiden geopend en ze beseften dat ze naakt waren. Daarom bonden ze vijgenbladeren aan elkaar en deden die rond hun heupen om zich te bedekken.

Later hoorden ze de stem van Jehovah God terwijl hij rond het winderige gedeelte van de dag in de tuin wandelde. Daarop verborgen de man en zijn vrouw zich voor Jehovah God tussen de bomen van de tuin. Maar Jehovah God bleef de man roepen en zei: ‘Waar ben je?’ Uiteindelijk antwoordde hij: ‘Ik hoorde uw stem in de tuin, maar ik was bang omdat ik naakt was en daarom heb ik me verborgen.’ ‘Wie heeft je verteld dat je naakt was?’, vroeg hij. ‘Heb je soms van de boom gegeten waarvan ik je verboden heb te eten?’ De man antwoordde: ‘De vrouw die u mij gegeven hebt, die heeft mij een vrucht van de boom gegeven en dus heb ik gegeten.’ Toen zei Jehovah God tegen de vrouw: ‘Waarom heb je dat gedaan?’ De vrouw antwoordde: ‘De slang heeft me bedrogen en dus heb ik gegeten.’

Vervolgens zei Jehovah God tegen de slang: ‘Omdat je dat hebt gedaan, ben je vervloekt onder de tamme dieren en de wilde dieren op het land. Op je buik zul je kruipen en stof zul je eten, je hele leven lang. En ik zal vijandschap stichten tussen jou en de vrouw en tussen jouw nageslacht en haar nageslacht. Hij zal jouw kop verbrijzelen en jij zult hem in de hiel treffen.’

Tegen de vrouw zei hij: ‘Ik zal je zwangerschap veel zwaarder maken, en met pijn zul je kinderen op de wereld zetten. Je zult sterk verlangen naar je man en hij zal over je heersen.’

En tegen Adam zei hij: ‘Omdat je naar de stem van je vrouw hebt geluisterd en van de boom hebt gegeten waarvan ik had gezegd: “Daar mag je niet van eten”, is de grond vanwege jou vervloekt. Je zult zwoegen om ervan te kunnen eten, je hele leven lang. Doorns en distels zullen er groeien, en je moet de gewassen van het land eten. Je zult je in het zweet werken om brood te eten, totdat je terugkeert naar de grond, want daaruit ben je genomen. Stof ben je en tot stof zul je terugkeren.’

Hierna gaf Adam zijn vrouw de naam Eva, omdat zij de moeder zou worden van iedereen die leeft. En Jehovah God maakte voor Adam en zijn vrouw lange kleren van dierenvellen waarmee ze zich konden kleden. Toen zei Jehovah God: ‘De mens is nu als een van ons geworden als het gaat om de kennis van goed en kwaad. Om nu te voorkomen dat hij zijn hand uitsteekt en ook een vrucht van de levensboom plukt, ervan eet en eeuwig leeft ...’ Daarop zette Jehovah God hem uit de tuin van Eden om de grond te bewerken waaruit hij genomen was. Hij verdreef de mens dus en plaatste aan de oostkant van de tuin van Eden de cherubs en een vlammend zwaard dat voortdurend ronddraaide, om de weg naar de levensboom te bewaken.

Adam had gemeenschap met zijn vrouw Eva en ze werd zwanger. Toen ze Kaïn ter wereld bracht, zei ze: ‘Ik heb met de hulp van Jehovah een mannelijk kind gekregen.’ Later bracht ze zijn broer Abel ter wereld.

Abel werd herder en Kaïn werd landbouwer. Na verloop van tijd bracht Kaïn een offer aan Jehovah van de opbrengst van het land. Maar Abel bracht enkele eerstgeboren dieren van zijn kudde, ook het vet. Terwijl Jehovah Abel en zijn offer goedkeurde, keurde hij Kaïn en zijn offer niet goed. Daarom werd Kaïn woedend en zijn gezicht betrok. Toen zei Jehovah tegen Kaïn: ‘Waarom kijk je zo boos en ongelukkig? Als je je omkeert om het goede te doen, zul je dan niet mijn goedkeuring krijgen? Maar als je je niet omkeert om het goede te doen, ligt bij de deur de zonde op de loer, en die verlangt ernaar je in zijn macht te krijgen. En zul jij hem de baas worden?’

Daarna zei Kaïn tegen zijn broer Abel: ‘Laten we het veld in gaan.’ Toen ze daar waren, viel Kaïn zijn broer Abel aan en doodde hem. Later zei Jehovah tegen Kaïn: ‘Waar is je broer Abel?’ Hij antwoordde: ‘Dat weet ik niet. Moet ik soms op mijn broer passen?’ Daarop zei Hij: ‘Wat heb je gedaan? Luister! Het bloed van je broer roept naar mij vanaf de grond. En nu ben je vervloekt en verbannen van de grond die zijn mond heeft geopend om het bloed van je broer te ontvangen, dat door jou vergoten is. Wanneer je de grond bewerkt, zal die je niet zijn opbrengst geven. Je zult een vluchteling worden die over de aarde rondzwerft.’ Toen zei Kaïn tegen Jehovah: ‘De straf voor mijn misdaad is te zwaar om te dragen. U verdrijft me nu uit dit gebied en ik mag u niet meer onder ogen komen. Ik zal een vluchteling worden die over de aarde rondzwerft, en als iemand me tegenkomt, zal hij me zeker doden.’ Jehovah zei tegen hem: ‘Om die reden zal degene die Kaïn doodt, zevenmaal wraak ondergaan.’

En Jehovah stelde een teken in voor Kaïn zodat niemand die hem tegenkwam, hem zou doodslaan. Toen ging Kaïn weg uit Jehovah’s aanwezigheid en hij vestigde zich in het land Nod, ten oosten van Eden.

Daarna had Kaïn gemeenschap met zijn vrouw. Ze werd zwanger en bracht Henoch ter wereld. Toen bouwde hij een stad en noemde die naar zijn zoon Henoch. Later werd Henoch de vader van Irad. Irad werd de vader van Mehujaël, Mehujaël werd de vader van Methusaël, en Methusaël werd de vader van Lamech.

Lamech nam twee vrouwen. De eerste heette Ada en de tweede Zilla. Ada bracht Jabal ter wereld. Hij werd de stamvader van degenen die in tenten wonen en vee houden. Zijn broer heette Jubal. Hij werd de stamvader van iedereen die op de harp en de fluit speelt. Zilla bracht Tubal-Kaïn ter wereld. Hij werd een smid die allerlei gereedschap van koper en ijzer maakte. En de zus van Tubal-Kaïn heette Naäma. Lamech stelde de volgende woorden op voor zijn vrouwen Ada en Zilla: ‘Hoor mijn stem, vrouwen van Lamech,luister naar wat ik zeg: Een man heb ik gedood omdat hij mij verwondde, ja, een jonge man omdat hij mij sloeg. Als Kaïn 7 keer gewroken moet worden, dan Lamech 77 keer.’

Adam had opnieuw gemeenschap met zijn vrouw, en ze bracht een zoon ter wereld. Ze noemde hem Seth, want ze zei: ‘God heeft mij een ander nageslacht gegeven in de plaats van Abel, omdat Kaïn hem heeft gedood.’ Ook Seth kreeg een zoon, die hij Enos noemde. In die tijd begonnen mensen de naam van Jehovah aan te roepen.

Dit is het boek van Adams geschiedenis. Op de dag waarop God Adam schiep, maakte hij hem zo dat hij op God leek. Als man en als vrouw schiep hij hen. Op de dag waarop ze werden geschapen, zegende hij ze en noemde hij ze ‘mens’.

Toen Adam 130 jaar oud was, werd hij de vader van een zoon die op hem leek, die zijn evenbeeld was, en hij noemde hem Seth. Nadat Adam de vader van Seth was geworden, leefde hij nog 800 jaar. En hij werd de vader van zonen en dochters. In totaal leefde Adam dus 930 jaar en toen stierf hij.

Toen Seth 105 jaar oud was, werd hij de vader van Enos. Nadat Seth de vader van Enos was geworden, leefde hij nog 807 jaar. En hij werd de vader van zonen en dochters. In totaal leefde Seth dus 912 jaar en toen stierf hij.

Toen Enos 90 jaar oud was, werd hij de vader van Kenan. Nadat Enos de vader van Kenan was geworden, leefde hij nog 815jaar. En hij werd de vader van zonen en dochters. In totaal leefde Enos dus 905 jaar en toen stierf hij.

Toen Kenan 70 jaar oud was, werd hij de vader van Mahalalel. Nadat Kenan de vader van Mahalalel was geworden, leefde hij nog 840 jaar. En hij werd de vader van zonen en dochters. In totaal leefde Kenan dus 910 jaar en toen stierf hij.

Toen Mahalalel 65 jaar oud was, werd hij de vader van Jered. Nadat Mahalalel de vader van Jered was geworden, leefde hij nog 830 jaar. En hij werd de vader van zonen en dochters. In totaal leefde Mahalalel dus 895 jaar en toen stierf hij.

Toen Jered 162 jaar oud was, werd hij de vader van Henoch. Nadat Jered de vader van Henoch was geworden, leefde hij nog 800 jaar. En hij werd de vader van zonen en dochters. In totaal leefde Jered dus 962 jaar en toen stierf hij.

Toen Henoch 65 jaar oud was, werd hij de vader van Methusalah. Nadat Henoch de vader van Methusalah was geworden, wandelde hij nog 300 jaar met de ware God. En hij werd de vader van zonen en dochters. In totaal leefde Henoch dus 365 jaar. Henoch bleef met de ware God wandelen. Toen was hij er niet meer, want God nam hem weg.

Toen Methusalah 187 jaar oud was, werd hij de vader van Lamech. Nadat Methusalah de vader van Lamech was geworden, leefde hij nog 782 jaar. En hij werd de vader van zonen en dochters. In totaal leefde Methusalah dus 969 jaar en toen stierf hij.

Toen Lamech 182 jaar oud was, werd hij de vader van een zoon. Hij noemde hem Noach en zei: ‘Hij zal ons verlichting geven bij het werken en zwoegen op de grond die door Jehovah vervloekt is.’ Nadat Lamech de vader van Noach was geworden, leefde hij nog 595 jaar. En hij werd de vader van zonen en dochters. In totaal leefde Lamech dus 777 jaar en toen stierf hij.

Nadat Noach 500 jaar oud was geworden, werd hij de vader van Sem, Cham en Jafeth.

Er kwamen steeds meer mensen op aarde en ze kregen dochters. Het begon de zonen van de ware God op te vallen hoe mooi de dochters van de mensen waren, dus namen ze wie ze maar wilden tot vrouw. Toen zei Jehovah: ‘Mijn geest zal de mens niet voor altijd verdragen, want hij is alleen maar vlees. Daarom zal hij nog 120 jaar leven.’

In die tijd en ook daarna waren de Nefilim op aarde omdat de zonen van de ware God gemeenschap hadden met de dochters van de mensen en zonen bij hen kregen. Dat waren de sterke mannen uit de oudheid, de beroemde mannen.

Toen zag Jehovah hoe groot de slechtheid van de mensen op aarde was en dat hun gedachten en de verlangens van hun hart altijd alleen maar slecht waren. Jehovah had er spijt van dat hij mensen op aarde had gemaakt, en het kwetste hem in zijn hart. Daarom zei Jehovah: ‘Ik zal de mensen die ik heb geschapen van de aarde wegvagen, mensen en ook vee, kruipende dieren en vliegende dieren, want ik heb er spijt van dat ik ze heb gemaakt.’ Maar Noach had Jehovah’s gunst.

Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was een rechtvaardig man. Hij gedroeg zich onberispelijk onder de mensen van zijn tijd. Noach wandelde met de ware God. Na verloop van tijd werd Noach de vader van drie zonen: Sem, Cham en Jafeth. Maar de aarde was verdorven geworden in de ogen van de ware God en was vol geweld. Ja, God keek naar de aarde en zag dat die verdorven was. Alle mensen op aarde leidden een verdorven leven.

Daarna zei God tegen Noach: ‘Ik heb besloten een eind te maken aan het leven van alle mensen, want door hen is de aarde vol geweld. Daarom ga ik ze samen met de aarde vernietigen. Maak een ark van harsachtig hout. Je moet verschillende ruimten in de ark maken en de ark vanbinnen en vanbuiten met teer bestrijken. Zo moet je de ark maken: de ark moet 300 el lang zijn, 50 el breed en 30 el hoog. Je moet een venster maken in de ark, één el onder de bovenrand. De ingang van de ark moet je aan de zijkant maken, en je moet een benedendek maken en daarboven nog twee dekken.

Wat mij betreft, ik ga een watervloed over de aarde brengen om alles onder de hemel dat de levensadem heeft te vernietigen. Alles op aarde zal vergaan. Ik maak een verbond met je, en je moet de ark in gaan, samen met je zonen, je vrouw en de vrouwen van je zonen. Van alle diersoorten moet je er twee in de ark brengen, een mannetje en een vrouwtje, zodat ze samen met jou in leven blijven. Van de vliegende dieren naar hun soort, de tamme dieren naar hun soort en alle kruipende dieren naar hun soort zullen er twee van elk naar je toe komen en naar binnen gaan. Zo zullen ze in leven blijven. En je moet allerlei voedsel verzamelen en met je meenemen, zodat jij en de dieren daarvan kunnen eten.’

Noach deed alles wat God hem had opgedragen. Precies zo deed hij het.

Daarna zei Jehovah tegen Noach: ‘Ga de ark in, jij en je hele gezin, want ik heb gezien dat jij rechtvaardig bent, in tegenstelling tot deze generatie. Van alle reine diersoorten moet je er zeven meenemen, steeds een mannetje en een vrouwtje, en van alle dieren die niet rein zijn maar twee, steeds een mannetje en een vrouwtje, en ook van alle vliegende dieren in de lucht zeven, steeds een mannetje en een vrouwtje, om hun nageslacht in leven te houden op de hele aarde. Want over nog maar zeven dagen laat ik het op de aarde 40 dagen en 40 nachten regenen. En ik zal alle levende wezens die ik gemaakt heb, van de aardbodem wegvagen.’ Toen deed Noach alles wat Jehovah hem had opgedragen.

Noach was 600 jaar oud toen de watervloed over de aarde kwam. En Noach ging samen met zijn vrouw, zijn zonen en de vrouwen van zijn zonen de ark in voordat de vloed begon. Van alle reine dieren en van alle dieren die niet rein zijn en van de vliegende dieren en van alles wat zich over de grond beweegt, kwamen er telkens twee bij Noach in de ark, een mannetje en een vrouwtje, zoals God Noach had opgedragen. Zeven dagen later kwam de watervloed over de aarde.

In het 600ste jaar van Noachs leven, op de 17de dag van de tweede maand, op die dag barstten alle bronnen van de grote watermassa open en werden de sluizen van de hemel geopend. En 40 dagen en 40 nachten lang stortregende het op de aarde. Diezelfde dag nog ging Noach de ark in, samen met zijn zonen, Sem, Cham en Jafeth, zijn vrouw en de vrouwen van zijn drie zonen. Ze gingen naar binnen met alle dieren naar hun soort: wilde dieren, tamme dieren, kruipende dieren, vogels en alle andere gevleugelde dieren. Ze bleven bij Noach in de ark komen, twee aan twee, van elke diersoort die de levensadem had. Er gingen dus mannetjes en vrouwtjes van elke diersoort naar binnen, zoals God hem had opgedragen. Daarna sloot Jehovah de deur achter hem.

De vloed hield 40 dagen aan op de aarde. Het water bleef stijgen en tilde de ark op totdat die hoog boven de aarde dreef. Het water op aarde nam steeds meer toe en bleef maar stijgen, maar de ark dreef op het water. Het water op aarde nam zo sterk toe dat alle hoge bergen onder de hele hemel bedekt werden. Het water steeg tot 15 el boven de bergen.

Alle levende wezens die zich op de aarde bewogen vergingen: de vliegende dieren, de tamme dieren, de wilde dieren, de krioelende dieren en alle mensen. Alles op het droge land dat de levensadem in zijn neusgaten had, stierf. Hij vaagde dus alle levende wezens van de aardbodem weg, met inbegrip van mensen, landdieren, kruipende dieren en de vliegende dieren in de lucht. Ze werden allemaal van de aarde weggevaagd. Alleen Noach en de mensen en dieren die bij hem in de ark waren, bleven in leven. En het water bedekte de aarde 150 dagen lang.

Daarna dacht God aan Noach en aan alle wilde en tamme dieren die bij hem in de ark waren, en God zorgde ervoor dat het op aarde ging waaien, waardoor het water begon te zakken. De bronnen van de watermassa en de sluizen van de hemel werden gesloten, zodat er geen regen meer uit de hemel viel. Toen begon het water geleidelijk van de aardbodem weg te vloeien. Na verloop van 150 dagen was het water een heel eind gezakt. Op de 17de dag van de zevende maand kwam de ark vast te zitten op het Araratgebergte. Het water bleef geleidelijk zakken tot de tiende maand. Op de eerste dag van de tiende maand verschenen de toppen van de bergen.

Na verloop van 40 dagen opende Noach het venster dat hij in de ark had aangebracht en liet hij een raaf los. Die vloog steeds naar buiten en kwam dan weer terug, totdat het water op de aarde opgedroogd was.

Later liet hij een duif los om te zien of het water van de aardbodem was weggevloeid. De duif vond geen plek om neer te strijken en kwam bij hem terug in de ark omdat het hele aardoppervlak nog steeds met water bedekt was. Daarom stak hij zijn hand uit en haalde de duif weer in de ark. Hij wachtte nog eens zeven dagen en liet de duif toen opnieuw los uit de ark. Toen de duif tegen de avond bij hem terugkwam, zag hij dat die een vers olijfblad in zijn snavel had! Zo wist Noach dat het water op aarde gezakt was. Hij wachtte nog eens zeven dagen. Toen liet hij de duif weer los, maar nu kwam die niet meer bij hem terug.

In het 601ste jaar, op de eerste dag van de eerste maand, was het water van de aardbodem weggestroomd. Noach verwijderde de bedekking van de ark en zag dat de grond droog begon te worden. Op de 27ste dag van de tweede maand was de aarde helemaal droog geworden.

Toen zei God tegen Noach: ‘Ga de ark uit, samen met je vrouw, je zonen en de vrouwen van je zonen. Neem alle dieren van elke soort mee naar buiten: de vliegende dieren, de landdieren en alle kruipende dieren, zodat ze zich op aarde kunnen vermenigvuldigen en vruchtbaar zijn en talrijk worden op aarde.’

Noach ging dus naar buiten, samen met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen. Alle landdieren, alle kruipende dieren en alle vliegende dieren, alles wat zich op de aarde beweegt, ging soort bij soort de ark uit. Vervolgens bouwde Noach een altaar voor Jehovah. Hij nam enkele van de reine landdieren en van de reine vliegende dieren en bracht brandoffers op het altaar. Jehovah vond de geur van het offer aangenaam. Daarom zei Jehovah bij zichzelf: ‘Nooit weer zal ik de grond vervloeken vanwege de mens, want het hart van de mens is van jongs af aan geneigd tot het slechte. En nooit weer zal ik alles wat leeft vernietigen, zoals ik heb gedaan. Vanaf nu zal er op aarde nooit een eind komen aan zaaien en oogsten, aan kou en hitte, aan zomer en winter, en aan dag en nacht.’

Vervolgens zegende God Noach en zijn zonen en zei tegen ze: ‘Wees vruchtbaar, word talrijk en vul de aarde. Alle landdieren, alle vliegende dieren in de lucht, alles wat over de grond kruipt en alle vissen in de zee zullen angst en schrik voor jullie blijven voelen. Ze staan nu onder jullie gezag. Alle dieren die leven en bewegen, geef ik jullie als voedsel. Ik geef jullie die allemaal, net zoals ik jullie de groene planten heb gegeven. Alleen vlees met het leven — het bloed — er nog in mogen jullie niet eten. Bovendien zal ik rekenschap eisen voor jullie bloed, jullie leven. Ik zal elk levend wezen ter verantwoording roepen, en elk mens zal ik ter verantwoording roepen voor het leven van zijn medemens. Als iemand het bloed van een mens vergiet, zal zijn eigen bloed door een mens vergoten worden, want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt. En jullie moeten vruchtbaar zijn, talrijk worden, sterk in aantal toenemen op aarde en je vermenigvuldigen.’

Toen zei God tegen Noach en zijn zonen: ‘Ik maak een verbond met jullie en met jullie nageslacht, en met elk levend wezen dat bij jullie is: de vogels, de landdieren en alle levende wezens op aarde met jullie — alle dieren die uit de ark zijn gekomen, alle levende wezens op aarde. Ja, ik maak een verbond met jullie: nooit weer zal alles wat leeft door het water van een vloed worden vernietigd, en nooit weer zal een vloed de aarde verwoesten.’

God voegde eraan toe: ‘Dit is het teken van het verbond dat ik maak tussen mij en jullie en alle levende wezens die bij jullie zijn, voor alle toekomstige generaties. Ik plaats mijn regenboog in de wolken, en die zal dienen als teken van het verbond tussen mij en de aarde. Elke keer dat ik wolken over de aarde laat komen en de regenboog in de wolken verschijnt, zal ik denken aan het verbond dat ik heb gemaakt met jullie en alle levende wezens van elke soort. En nooit weer zal het water een vloed worden om alles wat leeft te vernietigen. Telkens wanneer de regenboog in de wolken verschijnt, zal ik hem zien en denken aan het eeuwige verbond tussen God en alle levende wezens van elke soort op aarde.’

God zei opnieuw tegen Noach: ‘Dit is het teken van het verbond dat ik heb gemaakt tussen mij en alle levende wezens op aarde.’

De zonen van Noach, die uit de ark kwamen, waren Sem, Cham en Jafeth. Cham werd later de vader van Kanaän. Deze drie waren de zonen van Noach, en uit hen is de hele mensheid ontstaan en heeft die zich over de aarde verspreid.

Noach begon het land te bewerken en plantte een wijngaard. Toen hij van de wijn dronk, werd hij dronken en trok hij in zijn tent al zijn kleren uit. Cham, de vader van Kanaän, zag dat zijn vader naakt was en vertelde het aan zijn twee broers, die buiten waren. Sem en Jafeth pakten toen een mantel, legden die over hun schouders en liepen achteruit naar binnen. Zo bedekten ze het naakte lichaam van hun vader terwijl ze de andere kant op keken, zodat ze zijn naaktheid niet zagen.

Toen Noach wakker werd uit zijn roes en te weten kwam wat zijn jongste zoon hem had aangedaan, zei hij: ‘Kanaän zal vervloekt zijn. Laat hij de minste slaaf van zijn broers worden.’ En hij voegde eraan toe: ‘Laat Jehovah, de God van Sem, geprezen worden, en laat Kanaän zijn slaaf worden. Mag God veel ruimte geven aan Jafeth, en laat hij wonen in de tenten van Sem. En laat Kanaän ook de slaaf van hem worden.’

Na de vloed leefde Noach nog 350 jaar. In totaal leefde Noach dus 950 jaar en toen stierf hij.

Dit is de geschiedenis van Sem, Cham en Jafeth, de zonen van Noach. Na de vloed kregen ze zonen. De zonen van Jafeth waren Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras. De zonen van Gomer waren Askenaz, Rifath en Togarma. De zonen van Javan waren Elisa, Tarsis, Kittim en Dodanim. Van hen stammen degenen af die zich over de eilanden hebben verspreid — per taal, per familie en per volk. De zonen van Cham waren Kusch, Mizraïm, Put en Kanaän. De zonen van Kusch waren Seba, Havila, Sabta, Raëma en Sabtecha. De zonen van Raëma waren Scheba en Dedan. Kusch werd de vader van Nimrod. Hij werd de eerste machtige op aarde. Hij werd een geweldig jager en een tegenstander van Jehovah. Daarom wordt er wel gezegd: ‘Een geweldig jager en tegenstander van Jehovah, net als Nimrod.’ De eerste steden van zijn koninkrijk waren Babel, Erech, Akkad en Kalne, in het land Sinear. Vanuit dat land ging hij naar Assyrië en bouwde Ninevé, Rehoboth-Ir, Kalah en Resen, tussen Ninevé en Kalah: dit is de grote stad.

Mizraïm werd de vader van Ludim, Anamim, Lehabim, Naftuhim, Pathrusim, Kasluhim (van wie de Filistijnen afstammen) en Kaftorim.

Kanaän werd de vader van Sidon, zijn eerstgeboren zoon, en van Heth, en ook van de Jebusiet, de Amoriet, de Girgasiet, de Heviet, de Arkiet, de Siniet, de Arvadiet, de Zemariet en de Hamathiet. Later hebben de families van de Kanaänieten zich verspreid. De grens van de Kanaänieten liep van Sidon tot aan Gerar, in de buurt van Gaza, tot aan Sodom, Gomorra, Adma en Zeboïm, in de buurt van Lasa. Dat waren de zonen van Cham, ingedeeld volgens families, talen, landen en volken.

Ook Sem kreeg kinderen. Hij is de voorvader van alle zonen van Heber en de broer van Jafeth, de oudste. De zonen van Sem waren Elam, Assur, Arpachsad, Lud en Aram.

De zonen van Aram waren Uz, Hul, Gether en Mas. Arpachsad werd de vader van Selah, en Selah werd de vader van Heber. Heber kreeg twee zonen. De ene heette Peleg, omdat tijdens zijn leven de aarde verdeeld werd. Zijn broer heette Joktan.

Joktan werd de vader van Almodad, Selef, Hazarmaveth, Jerah, Hadoram, Uzal, Dikla, Obal, Abimaël, Scheba, Ofir, Havila en Jobab. Zij waren allemaal zonen van Joktan.

Hun woongebied strekte zich uit van Mesa tot aan Sefar, het bergland van het Oosten.

Dat waren de zonen van Sem, ingedeeld volgens families, talen, landen en volken.

Dat waren de families van de zonen van Noach, ingedeeld volgens afstamming en volken. Van hen stammen de volken af die zich na de vloed over de aarde hebben verspreid.

De hele aarde had nog steeds één taal en één woordenschat. Toen de mensen naar het oosten trokken, ontdekten ze een vlakte in het land Sinear, en daar gingen ze wonen. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Kom! Laten we van klei blokken maken en die in het vuur bakken.’ Ze gebruikten dus bakstenen in plaats van steen, en asfalt als specie. Toen zeiden ze: ‘Kom! Laten we een stad voor onszelf bouwen en een toren die tot in de hemel reikt. Dan zal onze naam beroemd worden en zullen we niet over de hele aarde verspreid worden.’

Jehovah daalde af om te kijken naar de stad en de toren die de mensen hadden gebouwd. En Jehovah zei: ‘Ze zijn één volk met één taal, en kijk eens waar ze aan begonnen zijn. Nu is niets van wat ze verder nog van plan zijn onmogelijk voor ze. Kom! Laten we afdalen en hun taal verwarren, zodat ze elkaars taal niet meer begrijpen.’ Zo verspreidde Jehovah de mensen daarvandaan over de hele aarde, en geleidelijk stopten ze met de bouw van de stad. Daarom werd de stad Babel genoemd, want Jehovah verwarde daar de taal van de hele aarde, en daarvandaan verspreidde Jehovah de mensen over de hele aarde.

Dit is de geschiedenis van Sem. Twee jaar na de vloed, toen Sem 100 jaar oud was, werd hij de vader van Arpachsad. Nadat Sem de vader van Arpachsad was geworden, leefde hij nog 500 jaar. En hij werd de vader van zonen en dochters.

Toen Arpachsad 35 jaar oud was, werd hij de vader van Selah. Nadat Arpachsad de vader van Selah was geworden, leefde hij nog 403 jaar. En hij werd de vader van zonen en dochters.

Toen Selah 30 jaar oud was, werd hij de vader van Heber. Nadat Selah de vader van Heber was geworden, leefde hij nog 403 jaar. En hij werd de vader van zonen en dochters.

Toen Heber 34 jaar oud was, werd hij de vader van Peleg. Nadat Heber de vader van Peleg was geworden, leefde hij nog 430 jaar. En hij werd de vader van zonen en dochters.

Toen Peleg 30 jaar oud was, werd hij de vader van Rehu. Nadat Peleg de vader van Rehu was geworden, leefde hij nog 209 jaar. En hij werd de vader van zonen en dochters.

Toen Rehu 32 jaar oud was, werd hij de vader van Serug. Nadat Rehu de vader van Serug was geworden, leefde hij nog 207 jaar. En hij werd de vader van zonen en dochters.

Toen Serug 30 jaar oud was, werd hij de vader van Nahor. Nadat Serug de vader van Nahor was geworden, leefde hij nog 200 jaar. En hij werd de vader van zonen en dochters.

Toen Nahor 29 jaar oud was, werd hij de vader van Terah. Nadat Nahor de vader van Terah was geworden, leefde hij nog 119 jaar. En hij werd de vader van zonen en dochters. Nadat Terah 70 jaar oud was geworden, werd hij de vader van Abram, Nahor en Haran.

Dit is de geschiedenis van Terah. Terah werd de vader van Abram, Nahor en Haran, en Haran werd de vader van Lot. Terwijl zijn vader Terah nog leefde, stierf Haran in zijn geboorteland, in Ur van de Chaldeeën. Abram en Nahor trouwden allebei. Abrams vrouw heette Sarai en Nahors vrouw heette Milka. Milka was de dochter van Haran, die ook de vader van Jiska was. Sarai was onvruchtbaar, ze had geen kinderen.

Toen verliet Terah Ur van de Chaldeeën om naar het land Kanaän te gaan, samen met zijn zoon Abram en zijn kleinzoon Lot, de zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, de vrouw van zijn zoon Abram. Maar toen ze in Haran waren aangekomen, gingen ze daar wonen. Terah leefde 205 jaar. Toen stierf Terah in Haran.

Jehovah zei tegen Abram: ‘Verlaat je land, je familie en het huis van je vader en ga naar het land dat ik je zal laten zien. Ik zal je tot een groot volk maken. Ik zal je zegenen en je naam groot maken, en je zult een zegen worden. Wie jou zegent, zal ik zegenen, en wie jou kwaad toewenst, zal ik vervloeken. Alle families van de aarde zullen via jou beslist gezegend worden.’

Abram vertrok dus, zoals Jehovah hem had opgedragen, en Lot ging met hem mee. Abram was 75 jaar oud toen hij Haran verliet. Abram ging op weg naar het land Kanaän. Hij nam zijn vrouw Sarai mee en Lot, de zoon van zijn broer, en ook alle bezittingen die ze hadden verzameld en de slaven die in Haran bij hen waren. Toen ze het land Kanaän bereikten, trok Abram door het land tot aan de plek die Sichem wordt genoemd, in de buurt van de grote bomen van Moré. In die tijd woonden de Kanaänieten in het land. Toen verscheen Jehovah aan Abram en zei: ‘Dit land zal ik aan jouw nageslacht geven.’ Daarom bouwde hij daar een altaar voor Jehovah, die aan hem verschenen was. Later trok hij vandaar naar het bergland ten oosten van Bethel en zette hij zijn tent op tussen Bethel in het westen en Ai in het oosten. Daar bouwde hij een altaar voor Jehovah en ging de naam van Jehovah aanroepen. Daarna brak Abram het kamp op en trok met zijn kamp van de ene plaats naar de andere, richting de Negev.

Er brak hongersnood uit in het land en Abram ging naar Egypte om daar een tijdlang te wonen, want de hongersnood in het land was heel zwaar. Toen hij op het punt stond Egypte binnen te gaan, zei hij tegen zijn vrouw Sarai: ‘Luister, ik weet dat je een mooie vrouw bent. Als de Egyptenaren jou zien en beseffen dat je mijn vrouw bent, zullen ze mij vermoorden en jou in leven laten. Zeg alsjeblieft dat je mijn zus bent, dan zal ik dankzij jou goed behandeld worden en zal mijn leven gespaard worden.’

Zodra Abram in Egypte kwam, zagen de Egyptenaren dat de vrouw heel mooi was. De hofbeambten van de farao zagen haar ook en prezen haar aan bij de farao, zodat ze naar het huis van de farao werd gehaald. Vanwege haar behandelde hij Abram goed en gaf hij hem schapen, runderen, ezels en ezelinnen, slaven en slavinnen, en kamelen. Toen trof Jehovah de farao en zijn huis met zware plagen vanwege Abrams vrouw Sarai. De farao riep Abram bij zich en zei: ‘Wat heb je me aangedaan? Waarom heb je me niet verteld dat ze je vrouw is? Waarom heb je gezegd: “Het is mijn zus”? Ik stond op het punt haar tot vrouw te nemen! Hier is je vrouw. Neem haar mee en verdwijn!’ Daarop gaf de farao zijn mannen opdracht om Abram met zijn vrouw en alles wat hij had het land uit te brengen.

Abram trok met zijn vrouw en alles wat hij had vanuit Egypte naar de Negev, en Lot ging met hem mee. Abram was heel rijk: hij had veel vee, zilver en goud. Hij trok met zijn kamp van de ene plaats naar de andere, van de Negev naar Bethel, totdat hij op de plek tussen Bethel en Ai kwam waar zijn tent eerder had gestaan, de plaats waar hij toen een altaar had gebouwd. Daar riep Abram de naam van Jehovah aan.

Lot, die met Abram meetrok, had zelf ook schapen, runderen en tenten. Daardoor was er niet genoeg land voor hen allemaal. Ze hadden zo veel bezittingen dat ze niet bij elkaar konden blijven wonen. Het gevolg was dat er ruzie ontstond tussen de herders van Abram en die van Lot. (In die tijd woonden de Kanaänieten en de Ferezieten in het land.) Daarom zei Abram tegen Lot: ‘Laat er alsjeblieft geen ruzie zijn tussen jou en mij en tussen jouw herders en mijn herders, want we zijn broeders. Het hele land ligt voor je open. Laten we uit elkaar gaan. Als jij naar links gaat, ga ik naar rechts, maar als jij naar rechts gaat, ga ik naar links.’ Lot keek om zich heen en zag dat de hele Jordaanstreek rijk was aan water (voordat Jehovah Sodom en Gomorra verwoestte).

Het hele gebied tot aan Zoar was als de tuin van Jehovah en als het land Egypte. Toen koos Lot voor zichzelf de hele Jordaanstreek, en hij verplaatste zijn kamp naar het oosten. Zo gingen ze uit elkaar. Abram bleef in het land Kanaän, maar Lot ging bij de steden in de streek wonen. Uiteindelijk zette hij zijn tenten op in de buurt van Sodom. De mannen van Sodom waren slecht en zondigden zwaar tegen Jehovah.

Nadat Lot was weggegaan, zei Jehovah tegen Abram: ‘Kijk alsjeblieft om je heen, naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen, want het hele land dat je ziet, zal ik als een blijvend bezit aan jou en je nageslacht geven. En ik zal je nageslacht zo talrijk maken als de stofdeeltjes op aarde. Alleen als iemand de stofdeeltjes op aarde kon tellen, zou je nageslacht geteld kunnen worden. Trek nu in de lengte en in de breedte door het land, want aan jou zal ik het geven.’ Abram bleef dus in tenten wonen. Later ging hij wonen bij de grote bomen van Mamré, die in Hebron zijn. Daar bouwde hij een altaar voor Jehovah.

In die tijd was Amrafel koning van Sinear, Arioch koning van Ellasar, Kedorlaomer koning van Elam en Tideal koning van Gojim. Deze koningen voerden oorlog tegen koning Bera van Sodom, koning Birsa van Gomorra, koning Sineab van Adma, koning Semeber van Zeboïm en de koning van Bela, oftewel Zoar, en ze trokken gezamenlijk op naar de Siddimvallei, dat wil zeggen de Zoutzee.

Ze hadden Kedorlaomer 12 jaar gediend, maar in het 13de jaar kwamen ze in opstand. In het 14de jaar gingen Kedorlaomer en de koningen die hem steunden in de aanval, en ze versloegen de Refaïeten in Asteroth-Karnaïm, de Zuzieten in Ham, de Emieten in Schavé-Kirjathaïm en de Horieten in hun Seïrgebergte, tot aan El-Paran, dat aan de rand van de woestijn ligt. Daarna gingen ze terug en ze kwamen in En-Mispat, oftewel Kades. Ze veroverden het hele gebied van de Amalekieten en versloegen de Amorieten die in Hazezon-Tamar woonden.

Toen trok de koning van Sodom ten strijde, en ook de koning van Gomorra, de koning van Adma, de koning van Zeboïm en de koning van Bela, oftewel Zoar. Ze stelden zich in de Siddimvallei in gevechtsformatie op tegen koning Kedorlaomer van Elam, koning Tideal van Gojim, koning Amrafel van Sinear en koning Arioch van Ellasar — vier koningen tegen de vijf. De Siddimvallei was vol asfaltputten.

De koningen van Sodom en Gomorra sloegen op de vlucht en vielen daarin. De rest vluchtte naar de bergen. Daarop namen de overwinnaars alle bezittingen en al het voedsel van Sodom en Gomorra mee en vertrokken weer. Toen ze weggingen, namen ze ook Lot, de zoon van Abrams broer, en zijn bezittingen mee. Lot woonde namelijk in Sodom.

Later kwam een man die ontkomen was, het aan Abram, de Hebreeër, vertellen. Die woonde toen bij de grote bomen van Mamré, de Amoriet, de broer van Eskol en Aner. Deze mannen waren bondgenoten van Abram. Zo kreeg Abram te horen dat zijn familielid gevangengenomen was. Daarop bracht hij 318 getrainde mannen op de been, die in zijn huis geboren waren, en hij achtervolgde de vijanden tot aan Dan. ’s Nachts verdeelde hij zijn mannen, en hij en zijn mannen gingen in de aanval en versloegen hen. Hij achtervolgde ze tot aan Hoba, dat ten noorden van Damaskus ligt. Hij bracht zijn familielid Lot en zijn bezittingen terug. Ook bracht hij de rest van de bezittingen, de vrouwen en de andere gevangenen terug.

Na Abrams terugkeer van zijn overwinning op Kedorlaomer en de koningen die hem steunden, kwam de koning van Sodom hem tegemoet in het Schavé-dal, oftewel het Koningsdal. En koning Melchizedek van Salem bracht brood en wijn. Hij was priester van de allerhoogste God. Hij zegende hem en zei: ‘Mag Abram gezegend worden door de allerhoogste God, de Maker van hemel en aarde. En mag de allerhoogste God geprezen worden, die je onderdrukkers aan je heeft overgeleverd!’

En Abram gaf hem een tiende deel van alles. Daarna zei de koning van Sodom tegen Abram: ‘Geef mij de mensen. De bezittingen mag je houden.’ Maar Abram zei tegen de koning van Sodom: ‘Ik zweer met opgeheven hand bij Jehovah, de allerhoogste God, de Maker van hemel en aarde, dat ik niets wat van u is zal aannemen, zelfs geen draad of sandaalriem, zodat u niet kunt zeggen: “Ik heb Abram rijk gemaakt.” Ik zal niets aannemen behalve wat de jonge mannen al hebben gegeten. Maar de mannen die met me mee zijn gegaan, Aner, Eskol en Mamré, laat hen hun deel van de buit nemen.’

Hierna kwam het woord van Jehovah in een visioen tot Abram: ‘Wees niet bang, Abram. Ik ben een schild voor je. Je beloning zal heel groot zijn.’ Abram antwoordde: ‘Soevereine Heer Jehovah, wat zult u mij geven? Ik heb namelijk nog steeds geen kinderen en mijn erfenis zal gaan naar een man uit Damaskus, Eliëzer.’ Abram zei verder: ‘U hebt mij geen nageslacht gegeven, en een van mijn dienaren volgt me op als erfgenaam.’ Vervolgens kwam het woord van Jehovah tot hem: ‘Deze man zal niet je erfgenaam zijn, maar je eigen zoon zal je als erfgenaam opvolgen.’

Toen leidde hij hem naar buiten en zei: ‘Kijk alsjeblieft omhoog naar de hemel en tel de sterren, als je dat kunt.’ Vervolgens zei hij: ‘Zo zal je nageslacht worden.’ En Abram geloofde in Jehovah en Hij rekende het hem als rechtvaardigheid toe. Toen voegde Hij eraan toe: ‘Ik ben Jehovah, die jou uit Ur van de Chaldeeën heeft geleid om je dit land in bezit te geven.’ ‘Soevereine Heer Jehovah,’ vroeg Abram, ‘hoe kan ik er zeker van zijn dat ik het in bezit zal nemen?’ Hij antwoordde: ‘Haal een driejarige koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif.’ Abram haalde dus al die dieren, sneed ze in tweeën en legde de helften tegenover elkaar, maar de vogels sneed hij niet door. Er kwamen roofvogels op de kadavers af, maar Abram joeg ze steeds weg.

Toen de zon bijna onderging, viel Abram in een diepe slaap, en een grote, angstaanjagende duisternis overviel hem. Vervolgens zei Hij tegen Abram: ‘Je moet weten dat je nakomelingen vreemdelingen zullen worden in een land dat niet van hen is, en dat ze daar slaven zullen worden en 400 jaar lang slecht behandeld zullen worden. Maar het volk dat ze zullen dienen, zal ik oordelen, en daarna zullen ze met veel bezittingen wegtrekken. Wat jou betreft, je zult na een lang en goed leven in vrede naar je voorvaders gaan en begraven worden. Maar de vierde generatie zal hier terugkomen, want dan pas zullen de Amorieten zo veel overtredingen hebben begaan dat de maat vol is.’

Toen de zon was ondergegaan en het heel donker was geworden, verscheen er een rokende oven, en er ging een brandende fakkel tussen de dierhelften door. Op die dag maakte Jehovah een verbond met Abram en zei: ‘Aan jouw nageslacht zal ik dit land geven, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de Eufraat: het land van de Kenieten, de Kenizzieten, de Kadmonieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Refaïeten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Girgasieten en de Jebusieten.’

Abrams vrouw Sarai had hem geen kinderen geschonken. Maar ze had een Egyptische slavin die Hagar heette. Daarom zei Sarai tegen Abram: ‘Luister! Jehovah heeft me geen kinderen laten krijgen. Heb alsjeblieft gemeenschap met mijn slavin. Misschien kan ik via haar kinderen krijgen.’ Abram luisterde naar wat Sarai zei. Toen Abram tien jaar in het land Kanaän woonde, gaf Abrams vrouw Sarai haar Egyptische slavin Hagar aan haar man Abram tot vrouw. Hij had dus gemeenschap met Hagar en ze werd zwanger. Zodra ze merkte dat ze zwanger was, ging ze op haar meesteres neerkijken.

Hierop zei Sarai tegen Abram: ‘Het onrecht dat mij wordt aangedaan, is jouw schuld. Ik heb zelf mijn slavin in je armen gelegd, maar zodra ze merkte dat ze zwanger was, ging ze op me neerkijken. Laat Jehovah oordelen tussen jou en mij.’ Abram zei tegen Sarai: ‘Het is jouw slavin. Doe met haar wat jou het beste lijkt.’ Toen maakte Sarai haar het leven zo moeilijk dat ze wegliep.

Later vond de (hemelse) boodschapper van Jehovah Hagar bij een waterbron in de woestijn, de bron langs de weg naar Sur. Hij vroeg: ‘Hagar, slavin van Sarai, waar kom je vandaan en waar ga je naartoe?’ Ze antwoordde: ‘Ik ben weggelopen bij Sarai, mijn meesteres.’ De (hemelse) boodschapper van Jehovah zei toen: ‘Ga terug naar je meesteres en onderwerp je aan haar.’ Vervolgens zei de (hemelse) boodschapper van Jehovah: ‘Ik zal je heel veel nakomelingen geven, zo veel dat ze niet te tellen zijn.’ De (hemelse) boodschapper van Jehovah voegde eraan toe: ‘Je bent nu zwanger en je zult een zoon ter wereld brengen. Je moet hem Ismaël noemen, want Jehovah heeft gehoord hoe zwaar je het hebt. Hij zal als een wilde ezel zijn. Hij zal zich tegen iedereen keren en iedereen zal zich tegen hem keren, en hij zal tegenover al zijn broeders wonen.’

Toen riep ze de naam aan van Jehovah, die tegen haar sprak, en ze zei: ‘U bent een God die ziet.’ Ze zei namelijk: ‘Heb ik hier echt degene gezien die mij ziet?’ Daarom werd de put Beër-Lachai-Roï genoemd. (De put ligt tussen Kades en Bered.) Hagar schonk Abram dus een zoon, en Abram noemde de zoon die ze baarde Ismaël. Abram was 86 jaar oud toen Hagar Ismaël ter wereld bracht.

Toen Abram 99 jaar oud was, verscheen Jehovah aan hem en zei tegen hem: ‘Ik ben God de Almachtige. Leef naar mijn wil en gedraag je onberispelijk. Ik zal mijn verbond met je bevestigen, en ik zal je veel, heel veel nakomelingen geven.’

Hierop liet Abram zich voorover op de grond vallen, en God zei verder tegen hem: ‘Wat mij betreft, ik heb een verbond met je gemaakt, en je zult beslist de vader van vele volken worden. Je zult niet langer Abram heten maar Abraham, want ik zal je de vader maken van vele volken. Ik zal je bijzonder vruchtbaar maken, en er zullen volken van je afstammen en koningen uit je voortkomen.

Ik zal me houden aan het verbond tussen mij en jou en je nageslacht in alle generaties na jou. Het is een eeuwig verbond, om God te zijn voor jou en je nageslacht. En ik zal aan jou en aan je nageslacht het land geven waar je als vreemdeling woont — het hele land Kanaän — als een blijvend bezit, en ik zal hun God zijn.’

God zei verder tegen Abraham: ‘Wat jou betreft, je moet je houden aan mijn verbond, jij en je nageslacht in alle generaties na jou. Dit is het verbond tussen mij en jullie, waar jij en je nageslacht je aan moeten houden: Elke man onder jullie moet besneden worden. Jullie moeten je voorhuid laten verwijderen. Het zal een teken zijn van het verbond tussen mij en jullie. In al jullie generaties moet elke jongen van acht dagen oud besneden worden, iedereen die in het huis geboren is en ook iedereen die niet van jullie nageslacht is en die gekocht is van een vreemdeling. Iedere man die in je huis geboren is en iedere man die je hebt gekocht, moet besneden worden, en mijn verbond, dat is aangebracht in jullie vlees, zal een blijvend verbond zijn. Als een onbesneden man zijn voorhuid niet laat wegnemen, moet die man uit zijn volk worden verwijderd. Hij heeft mijn verbond verbroken.’

Verder zei God tegen Abraham: ‘Wat je vrouw Sarai betreft, je moet haar geen Sarai noemen, want Sara zal haar naam worden. Ik zal haar zegenen en jou bij haar een zoon geven. Ik zal haar zegenen en er zullen volken van haar afstammen. Koningen van volken zullen uit haar voortkomen.’ Toen liet Abraham zich voorover op de grond vallen. Hij lachte en zei bij zichzelf: ‘Zal een man van 100 jaar oud nog een kind krijgen, en zal Sara, een vrouw van 90 jaar oud, een kind ter wereld brengen?’

Abraham zei dus tegen de ware God: ‘Mag Ismaël toch door u gezegend worden!’ Daarop zei God: ‘Echt, je vrouw Sara zal je een zoon schenken, en je moet hem Isaäk noemen. Via hem zal ik mijn verbond voortzetten als een eeuwig verbond voor zijn nageslacht. Maar wat Ismaël betreft, ik heb je gehoord. Ik zal hem zegenen en hem vruchtbaar maken en hem veel, heel veel nakomelingen geven. Hij zal 12 stamhoofden voortbrengen en ik zal een groot volk uit hem laten voortkomen. Maar mijn verbond zal ik voortzetten via Isaäk, die Sara je volgend jaar rond deze tijd zal schenken.’

Nadat God dat tegen Abraham had gezegd, ging hij bij hem vandaan. Toen nam Abraham zijn zoon Ismaël en alle mannen die in zijn huis geboren waren en iedereen die hij had gekocht, alle mannen van Abrahams huis, en nog diezelfde dag verwijderde hij hun voorhuid, zoals God tegen hem had gezegd. Abraham was 99 jaar oud toen hij zijn voorhuid liet verwijderen. En zijn zoon Ismaël was 13 jaar oud toen hij zijn voorhuid liet verwijderen.

Op die dag werd Abraham besneden en ook zijn zoon Ismaël. Alle mannen van zijn huis, iedereen die in het huis geboren was en iedereen die van een vreemdeling was gekocht, allemaal werden ze net als hij besneden.

Later verscheen Jehovah aan Abraham bij de grote bomen van Mamré. Het was op het heetst van de dag en Abraham zat bij de ingang van zijn tent. Toen hij opkeek, zag hij een eindje verderop drie mannen staan. Meteen haastte hij zich van de ingang van de tent naar ze toe en boog diep. Hij zei: ‘Jehovah, als ik uw goedkeuring heb, ga uw dienaar dan alstublieft niet voorbij. Ik zal wat water laten halen zodat uw voeten gewassen kunnen worden. Daarna kunt u uitrusten onder de boom. Nu u bij uw dienaar bent gekomen, zal ik wat brood halen zodat u weer op krachten kunt komen. Daarna kunt u verder reizen.’ Ze antwoordden: ‘Prima. Doe maar wat je hebt gezegd.’

Abraham haastte zich naar de tent, naar Sara. ‘Snel!’, zei hij. ‘Neem drie maten meelbloem, kneed het deeg en maak er broden van.’ Vervolgens liep Abraham vlug naar de kudde en koos een malse jonge stier uit. Hij gaf die aan zijn dienaar, die zich haastte om het dier klaar te maken. Daarna pakte hij boter, melk en de jonge stier die hij had laten klaarmaken en zette hun alles voor. Terwijl ze aten, bleef hij bij hen onder de boom staan.

Ze zeiden tegen hem: ‘Waar is je vrouw Sara?’ Hij antwoordde: ‘In de tent.’ Toen zei een van hen: ‘Volgend jaar rond deze tijd zal ik bij je terugkomen en dan zal je vrouw Sara een zoon hebben.’ Maar Sara stond te luisteren bij de ingang van de tent, achter de man. Abraham en Sara waren al op hoge leeftijd, en Sara was te oud om nog kinderen te krijgen. Daarom lachte Sara in zichzelf en zei: ‘Zal ik echt nog die vreugde kennen, ook al ben ik verwelkt en is mijn heer oud?’ Toen zei Jehovah tegen Abraham: ‘Waarom heeft Sara gelachen en gezegd: “Zal ik echt een kind krijgen, ook al ben ik oud?” Is er ook maar iets onmogelijk voor Jehovah? Volgend jaar rond deze tijd zal ik bij je terugkomen en dan zal Sara een zoon hebben.’ Maar Sara ontkende het en zei: ‘Ik heb niet gelachen!’, want ze was bang. Maar hij zei: ‘Jawel, je hebt wél gelachen.’

Toen de mannen opstonden om te vertrekken, keken ze naar beneden in de richting van Sodom. Abraham liep een eind met ze mee. Jehovah zei: ‘Zou ik voor Abraham verborgen houden wat ik ga doen? Het staat vast dat uit Abraham een groot en machtig volk zal voortkomen, en alle volken op aarde zullen via hem gezegend worden. Want ik heb hem leren kennen en weet dat hij zijn zonen en al zijn nakomelingen zal opdragen Jehovah’s weg te volgen door te doen wat goed en juist is, zodat Jehovah kan doen wat hij Abraham heeft beloofd.’

Toen zei Jehovah: ‘Er wordt luid over Sodom en Gomorra geklaagd, en hun zonden zijn heel groot. Ik zal afdalen om te zien of het geklaag dat me bereikt heeft over hun slechte daden terecht is. En als dat niet zo is, zal ik het te weten komen.’

De mannen vertrokken en gingen in de richting van Sodom, maar Jehovah bleef bij Abraham. Abraham kwam dichterbij en zei: ‘Gaat u echt de goede mensen samen met de slechte mensen vernietigen? Stel dat er 50 rechtvaardigen in de stad zijn, zult u hen dan vernietigen? Zou u de plaats niet vergeven vanwege die 50 rechtvaardigen? Het is ondenkbaar dat u de goede met de slechte mensen ter dood zou brengen, zodat het met de goede mensen net zo zou aflopen als met de slechte! Dat zou u nooit doen. Zal de Rechter van de hele aarde niet doen wat rechtvaardig is?’ Toen zei Jehovah: ‘Als ik in Sodom 50 rechtvaardigen in de stad vind, zal ik de hele plaats vanwege hen vergeven.’ Daarop zei Abraham: ‘Alstublieft Jehovah, mag ik zo vrij zijn om tot u te spreken, hoewel ik stof en as ben? Stel dat er aan de 50 rechtvaardigen vijf ontbreken. Zult u dan de hele stad verwoesten vanwege die vijf?’ Hij antwoordde: ‘Ik zal de stad niet verwoesten als ik er 45 vind.’

Maar Abraham sprak opnieuw tot hem en zei: ‘Stel dat er 40 worden gevonden.’ Hij antwoordde: ‘Dan zal ik het niet doen vanwege die 40.’ Maar hij zei verder: ‘Jehovah, word alstublieft niet kwaad, maar laat me verder spreken: stel dat er maar 30 worden gevonden.’ Hij antwoordde: ‘Ik zal het niet doen als ik er 30 vind.’ Maar hij vervolgde: ‘Alstublieft Jehovah, mag ik zo vrij zijn nog een keer tot u te spreken? Stel dat er maar 20 worden gevonden.’ Hij antwoordde: ‘Ik zal de stad niet verwoesten vanwege die 20.’ Ten slotte zei hij: ‘Jehovah, word alstublieft niet kwaad, maar laat me nog één keer spreken: stel dat er maar tien worden gevonden.’ Hij antwoordde: ‘Ik zal de stad niet verwoesten vanwege die tien.’ Nadat Jehovah dat tegen Abraham had gezegd, ging hij weg, en Abraham ging terug naar de plek waar hij woonde.v Tegen de avond kwamen de twee (hemelse) boodschappers in Sodom aan, en Lot zat in de poort van Sodom. Toen Lot hen zag, stond hij op, ging hun tegemoet en boog diep. Hij zei: ‘Alstublieft, heren, kom mee naar het huis van uw dienaar om daar te overnachten, en laat uw voeten wassen. Dan kunt u morgen vroeg opstaan en uw reis vervolgen.’ Ze antwoordden: ‘Nee, we overnachten wel op het plein.’ Maar hij bleef zo aandringen dat ze met hem meegingen naar zijn huis. Hij maakte een feestmaal voor ze klaar en bakte ongezuurd brood, en ze gingen eten.

Voordat ze konden gaan slapen, werd het huis omsingeld door een grote menigte uit de stad — alle mannen van Sodom, jong en oud. Ze bleven naar Lot schreeuwen: ‘Waar zijn de mannen die vanavond bij je zijn gekomen? Breng ze naar buiten, dan kunnen we seks met ze hebben.’

Lot ging naar buiten en deed de deur achter zich dicht. Hij zei: ‘Mijn broeders, doe alsjeblieft niet zoiets slechts. Ik heb twee dochters, die nog nooit gemeenschap met een man hebben gehad. Laat me die bij jullie brengen, dan kunnen jullie met ze doen wat jullie willen. Maar doe deze mannen niets aan, want ze zijn onder de bescherming van mijn huis gekomen.’ ‘Ga aan de kant!’, zeiden ze. ‘Hij is maar een vreemdeling die hier is komen wonen en toch durft hij ons de wet voor te schrijven! Kijk maar uit, we zullen jou nog iets ergers aandoen dan hun.’

De menigte kwam op Lot af en probeerde de deur open te breken. Maar de mannen trokken Lot het huis in en sloten de deur. Vervolgens sloegen ze de mannen bij de ingang van het huis, van klein tot groot, met blindheid, zodat die tevergeefs probeerden de deur te vinden.

Toen zeiden de mannen tegen Lot: ‘Heb je hier nog meer familie? Schoonzonen, zonen en dochters — neem iedereen in de stad die bij je hoort mee, weg uit deze plaats! Want wij gaan deze plaats verwoesten: het geklaag tegen hen is zo luid geworden voor Jehovah dat Jehovah ons heeft gestuurd om de stad te verwoesten.’ Lot ging dus naar buiten en drong er bij zijn schoonzonen, die met zijn dochters zouden trouwen, op aan: ‘Schiet op! Ga weg uit deze plaats, want Jehovah gaat de stad vernietigen!’ Maar zijn schoonzonen namen hem niet serieus.

Zodra het licht begon te worden, drongen de (hemelse) boodschappers bij Lot aan: ‘Snel! Ga hier weg met je vrouw en je twee dochters, anders zul je vernietigd worden als de stad wordt gestraft voor haar zonde!’ Toen hij bleef treuzelen, pakten de mannen zijn hand vast, en ook die van zijn vrouw en zijn twee dochters, want Jehovah had medelijden met hem. Ze brachten hem naar buiten en leidden hem de stad uit. Zodra ze hen tot aan de rand van de stad hadden gebracht, zei een van hen: ‘Vlucht voor je leven! Kijk niet om en blijf nergens in het gebied stilstaan! Vlucht naar de bergen, anders word je vernietigd!’

Toen zei Lot tegen hen: ‘Alstublieft Jehovah, niet daarheen! U hebt uw dienaar uw gunst gegeven en u toont grote goedheid voor mij door me in leven te houden. Maar ik kan onmogelijk naar de bergen vluchten, want ik ben bang dat het onheil me inhaalt en ik sterf. Alstublieft, dit stadje is dichtbij en daar kan ik naartoe vluchten. Het is maar een klein plaatsje. Mag ik daar alstublieft heen vluchten? Het is maar een klein plaatsje. Dan zal ik het overleven.’ Daarop antwoordde hij: ‘Goed, ook hierin zal ik je tegemoetkomen. Ik zal het stadje waarover je het hebt, niet verwoesten. Snel! Vlucht daarheen, want ik kan niets doen voordat je daar aangekomen bent!’ Daarom noemde hij die plaats Zoar.

De zon was al opgegaan toen Lot in Zoar aankwam. Toen liet Jehovah zwavel en vuur op Sodom en Gomorra regenen — het kwam van Jehovah, uit de hemel. Zo verwoestte hij die steden en de hele streek, met alle inwoners van de steden en alles wat op het land groeide. Maar Lots vrouw, die achter hem liep, keek om en werd een zoutpilaar.

Abraham stond vroeg in de morgen op en ging naar de plaats waar hij voor Jehovah had gestaan. Hij keek naar beneden in de richting van Sodom en Gomorra en van de hele streek. Daar zag hij dikke rookwolken van het land opstijgen, zoals de rook van een kalkoven! Zo hield God rekening met Abraham toen hij de steden in de streek verwoestte: hij stuurde Lot weg uit de steden die hij vernietigde, de steden waar Lot had gewoond.

Later vertrok Lot met zijn twee dochters uit Zoar en hij ging in de bergen wonen, omdat hij niet in Zoar durfde te blijven. Hij en zijn twee dochters gingen in een grot wonen. De oudste zei tegen de jongste: ‘Onze vader is oud, en er is hier geen man om gemeenschap mee te hebben, zoals op de hele aarde gebruikelijk is. Kom, laten we onze vader wijn te drinken geven en bij hem gaan liggen, dan kunnen we de geslachtslijn van onze vader in stand houden.’

Die avond voerden ze hun vader dronken met wijn. Toen ging de oudste naar binnen en ging bij haar vader liggen, maar hij wist niet wanneer ze ging liggen en wanneer ze weer opstond. De volgende dag zei de oudste tegen de jongste: ‘Ik heb de afgelopen nacht bij mijn vader gelegen. Laten we hem ook vanavond wijn te drinken geven. Ga jij dan naar binnen en ga bij hem liggen. Dan kunnen we de geslachtslijn van onze vader in stand houden.’ Ook die avond voerden ze hun vader dronken met wijn. Toen ging de jongste bij hem liggen, maar hij wist niet wanneer ze ging liggen en wanneer ze weer opstond. Zo werden Lots beide dochters zwanger van hun vader. De oudste kreeg een zoon en ze noemde hem Moab. Hij is de vader van de huidige Moabieten. Ook de jongste kreeg een zoon en ze noemde hem Ben-Ammi. Hij is de vader van de huidige Ammonieten.

Abraham brak zijn kamp op en ging naar het gebied van de Negev. Hij ging tussen Kades en Sur wonen. Toen Abraham een tijdlang in Gerar verbleef, zei hij steeds over zijn vrouw Sara dat ze zijn zus was. Daarop liet koning Abimelech van Gerar Sara bij zich halen. Later verscheen God ’s nachts in een droom aan Abimelech en zei tegen hem: ‘Je bent zo goed als dood vanwege de vrouw die je bij je hebt genomen, want ze is getrouwd, ze hoort bij een andere man.’ Maar Abimelech had haar niet aangeraakt. Daarom zei hij: ‘Jehovah, zult u een volk doden dat onschuldig is? Heeft hijzelf niet tegen me gezegd dat ze zijn zus was en heeft zij niet gezegd dat hij haar broer was? Ik heb dit in alle oprechtheid gedaan, zonder verkeerde bedoelingen.’ Toen zei de ware God in de droom tegen hem: ‘Ik weet dat je dit in alle oprechtheid hebt gedaan. Daarom heb ik je ervan weerhouden tegen me te zondigen en heb ik niet toegelaten dat je haar zou aanraken. Geef de vrouw nu terug aan haar man, want hij is een profeet, en hij zal smeekgebeden voor je opzenden zodat je blijft leven. Maar als je haar niet teruggeeft, zul je zeker sterven, jij en iedereen die bij je hoort.’

Abimelech stond ’s morgens vroeg op en riep al zijn dienaren bij zich. Toen hij hun vertelde wat er was gebeurd, werden ze heel bang. Vervolgens liet Abimelech Abraham bij zich komen en zei tegen hem: ‘Wat heb je ons aangedaan? Welke zonde heb ik tegen je begaan dat je mij en mijn koninkrijk zo’n grote zonde hebt laten begaan? Wat je me hebt aangedaan, is echt verkeerd.’ Verder zei Abimelech tegen Abraham: ‘Met welke bedoeling heb je dit gedaan?’ Abraham zei: ‘Ik dacht bij mezelf: ze hebben in deze omgeving vast geen ontzag voor God en ze zullen me doden vanwege mijn vrouw. En trouwens, ze is echt mijn zus: ze is de dochter van mijn vader, alleen niet de dochter van mijn moeder, en ze is mijn vrouw geworden. Toen God me liet rondzwerven, ver van het huis van mijn vader, zei ik tegen haar: “Laat zien dat je loyale liefde voor me hebt door overal waar we komen te zeggen dat ik je broer ben.”’

Toen nam Abimelech schapen, runderen en slaven en slavinnen en gaf die aan Abraham. Ook gaf hij hem zijn vrouw Sara terug. Abimelech zei: ‘Mijn land ligt voor je open. Je kunt gaan wonen waar je wilt.’ En tegen Sara zei hij: ‘Ik geef je broer 1000 zilverstukken. Het is voor iedereen die bij je hoort en voor alle anderen een teken van je onschuld. Je naam is gezuiverd.’ Toen zond Abraham smeekgebeden op tot de ware God, en God genas Abimelech, zijn vrouw en zijn slavinnen, zodat ze kinderen kregen. Jehovah had alle vrouwen van het huis van Abimelech namelijk onvruchtbaar gemaakt vanwege Abrahams vrouw Sara.

Jehovah dacht aan Sara, zoals hij had gezegd, en Jehovah deed voor Sara wat hij had beloofd. Sara werd zwanger en schonk Abraham op zijn oude dag een zoon, op de vastgestelde tijd die God hem had genoemd. Abraham noemde de pasgeboren zoon die Sara hem schonk, Isaäk. Hij besneed zijn zoon Isaäk toen die acht dagen oud was, zoals God hem had opgedragen. Abraham was 100 jaar oud toen zijn zoon Isaäk werd geboren. Sara zei: ‘God heeft ervoor gezorgd dat ik kan lachen. Iedereen die het hoort, zal met me meelachen.’ En ze voegde eraan toe: ‘Wie had ooit tegen Abraham durven zeggen: “Sara zal kinderen de borst geven”? En toch heb ik hem op zijn oude dag een zoon geschonken.’

Het kind werd groter en de dag kwam dat Isaäk geen borstvoeding meer kreeg. Op die dag gaf Abraham een groot feestmaal. Maar Sara zag dat de zoon die Abraham bij Hagar, de Egyptische, had gekregen, Isaäk steeds belachelijk maakte. Daarom zei ze tegen Abraham: ‘Jaag deze slavin en haar zoon weg, want mijn zoon Isaäk zal zijn erfenis niet delen met de zoon van deze slavin!’ Maar het stond Abraham helemaal niet aan wat ze over zijn zoon zei. Toen zei God tegen Abraham: ‘Erger je niet aan wat Sara over de jongen en je slavin zegt. Luister naar haar, want wat je nageslacht genoemd zal worden, zal via Isaäk zijn. Maar ook uit de zoon van de slavin zal ik een volk laten voortkomen, omdat hij jouw nageslacht is.’

Abraham stond ’s morgens vroeg op, nam brood en een leren waterzak en gaf die aan Hagar. Hij legde die dingen op haar schouder en stuurde haar en de jongen weg. Ze vertrok en dwaalde rond in de woestijn van Berseba. Uiteindelijk raakte het water in de leren zak op, en ze legde de jongen onder een struik. Zelf ging ze een eindje verderop zitten, op ongeveer een boogschot afstand, want ze zei: ‘Ik wil de jongen niet zien sterven.’ Terwijl ze daar zat, begon ze hard te huilen.

Toen hoorde God de stem van de jongen, en Gods (hemelse) boodschapper riep vanuit de hemel naar Hagar: ‘Wat is er, Hagar? Wees niet bang, want God heeft de stem gehoord van de jongen, die daar ligt. Sta op, help de jongen overeind en neem hem bij de hand, want ik zal een groot volk uit hem laten voortkomen.’ Toen opende God haar ogen en ze zag een waterput. Ze ging ernaartoe, vulde de leren zak met water en gaf de jongen te drinken. En God was met de jongen terwijl hij opgroeide. Hij leefde in de woestijn en werd boogschutter. Hij ging in de woestijn van Paran wonen, en zijn moeder koos voor hem een vrouw uit Egypte.

In die tijd kwam Abimelech met zijn legeraanvoerder Pichol bij Abraham en zei: ‘God is met je in alles wat je doet. Zweer mij nu daarom hier bij God dat je mij, mijn zonen en mijn nakomelingen niet zult bedriegen, en dat je voor mij en het land waar je woont dezelfde loyale liefde zult tonen als ik voor jou heb getoond.’ ‘Ik zweer het’, zei Abraham.

Maar Abraham klaagde bij Abimelech over de waterput die de dienaren van Abimelech met geweld in bezit hadden genomen. Abimelech antwoordde: ‘Ik weet niet wie dat heeft gedaan en je hebt me er niets over verteld. Ik hoor het vandaag voor het eerst.’ Daarop nam Abraham schapen en runderen en gaf die aan Abimelech, en ze maakten een verbond. Toen Abraham zeven ooilammetjes van zijn kudde apart zette, vroeg Abimelech hem: ‘Waarom heb je die zeven lammetjes apart gezet?’ Hij antwoordde: ‘U moet de zeven lammetjes van me aannemen als een getuigenis dat ik deze put heb gegraven.’ Hij noemde die plaats Berseba omdat ze daar allebei een eed hadden gezworen. Ze maakten in Berseba dus een verbond, waarna Abimelech en zijn legeraanvoerder Pichol teruggingen naar het land van de Filistijnen. Daarna plantte Abraham in Berseba een tamariskboom en daar riep hij de naam aan van Jehovah, de eeuwige God. En Abraham bleef nog lange tijd in het land van de Filistijnen wonen.

Hierna testte de ware God Abraham. Hij zei tegen hem: ‘Abraham!’, waarop hij antwoordde: ‘Hier ben ik!’ Vervolgens zei hij: ‘Neem alsjeblieft je zoon Isaäk, je enige zoon, van wie je zo veel houdt, en ga naar het land Moria. Offer hem daar als brandoffer op een van de bergen die ik je zal aanwijzen.’

Abraham stond dus ’s morgens vroeg op, zadelde zijn ezel en nam twee van zijn bedienden en zijn zoon Isaäk mee. Hij hakte het hout voor het brandoffer en ging op weg naar de plek die de ware God hem had aangewezen. Op de derde dag keek Abraham op en zag de plek in de verte liggen. Abraham zei tegen zijn bedienden: ‘Blijven jullie hier met de ezel. De jongen en ik gaan daarnaartoe om God te aanbidden en komen dan bij jullie terug.’

Toen pakte Abraham het hout voor het brandoffer en legde het op de schouders van zijn zoon Isaäk. Vervolgens nam hij het vuur en het mes, en ze gingen samen verder. Toen zei Isaäk tegen zijn vader Abraham: ‘Vader.’ Hij antwoordde: ‘Wat is er, mijn zoon?’ ‘We hebben hier vuur en hout,’ zei Isaäk, ‘maar waar is het schaap voor het brandoffer?’ Abraham antwoordde: ‘God zelf zal voorzien in het schaap voor het brandoffer, mijn zoon.’ En ze liepen samen verder.

Uiteindelijk kwamen ze bij de plek die de ware God had aangewezen, en Abraham bouwde daar een altaar en stapelde het hout erop. Hij bond zijn zoon Isaäk aan handen en voeten en legde hem op het altaar, boven op het hout. Toen pakte Abraham het mes om zijn zoon te doden. Maar de (hemelse) boodschapper van Jehovah riep vanuit de hemel naar hem: ‘Abraham, Abraham!’, waarop hij antwoordde: ‘Hier ben ik!’ Vervolgens zei hij: ‘Raak de jongen niet aan en doe hem niets. Nu weet ik dat je ontzag hebt voor God, want je hebt mij je zoon, je enige, niet onthouden.’

Toen keek Abraham op en zag een stukje verderop een ram die met zijn hoorns vastzat in de struiken. Abraham ging erheen, pakte de ram en offerde die als brandoffer in plaats van zijn zoon. En Abraham noemde die plaats Jehovah-Jireh. Daarom wordt er nog steeds gezegd: ‘Op de berg van Jehovah zal erin worden voorzien.’

De (hemelse) boodschapper van Jehovah riep een tweede keer vanuit de hemel naar Abraham en zei: ‘Jehovah verklaart: “Ik zweer bij mijzelf: omdat je dit hebt gedaan en je mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden, zal ik je beslist zegenen en zal ik je nageslacht beslist zo talrijk maken als de sterren aan de hemel en als de zandkorrels aan de zee, en je nageslacht zal de steden van zijn vijanden in bezit nemen. En door jouw nageslacht zullen alle volken op aarde een zegen voor zichzelf verkrijgen, omdat jij naar mijn stem hebt geluisterd.”’ Hierna ging Abraham terug naar zijn bedienden, en ze gingen samen weer op weg naar Berseba. Abraham bleef in Berseba wonen.

Later kreeg Abraham het bericht: ‘Milka heeft je broer Nahor zonen geschonken: Uz, de eerstgeboren zoon, zijn broer Buz, Kemuël (de vader van Aram), Chesed, Hazo, Pildas, Jidlaf en Bethuël.’ Bethuël werd de vader van Rebekka. Deze acht zonen schonk Milka aan Nahor, de broer van Abraham. Zijn bijvrouw, die Reüma heette, kreeg ook zonen: Tebah, Gaham, Tahas en Maächa.

Sara leefde 127 jaar. Zo lang leefde Sara. Ze stierf in Kirjath-Arba, dat wil zeggen Hebron, in het land Kanaän, en Abraham ging om Sara rouwen en huilen. Toen ging Abraham weg bij het lichaam van zijn overleden vrouw, en hij zei tegen de zonen van Heth: ‘Ik woon als vreemdeling bij jullie. Geef me hier een plek die ik als begraafplaats kan gebruiken. Dan kan ik mijn vrouw daar begraven.’ De zonen van Heth antwoordden Abraham: ‘Luister naar ons, mijn heer. Wij zien u als een leider van God. U mag uw vrouw begraven op onze beste begraafplaats. Niemand van ons zal u zijn begraafplaats weigeren en u verhinderen uw vrouw te begraven.’

Toen stond Abraham op en boog voor de zonen van Heth, de bewoners van het land. Hij zei tegen ze: ‘Als jullie ermee instemmen dat ik mijn vrouw begraaf, luister dan naar mij. Dring er bij Efron, de zoon van Zohar, op aan dat hij de grot van Machpela, die zijn eigendom is, aan mij verkoopt. De grot ligt aan de rand van zijn veld. Laat hij de grot in jullie bijzijn voor het volledige bedrag in zilver aan mij verkopen, zodat ik een plek heb die ik als begraafplaats kan gebruiken.’’’

Onder de zonen van Heth die daar zaten, bevond zich ook Efron zelf. De Hethiet Efron antwoordde Abraham in aanwezigheid van de zonen van Heth en van iedereen die de poort van de stad in ging. Hij zei: ‘Nee, mijn heer! Luister naar mij. Ik geef u het veld en ook de grot die daar is. Die geef ik aan u in aanwezigheid van de zonen van mijn volk. Begraaf uw vrouw.’ Daarop boog Abraham voor de bewoners van het land en zei in aanwezigheid van de mensen tegen Efron: ‘Alstublieft, luister naar mij! Ik wil u het volledige bedrag in zilver voor het veld geven. Neem het van me aan, dan kan ik mijn vrouw daar begraven.’

Toen antwoordde Efron Abraham: ‘Mijn heer, luister naar mij. Dit stuk grond is 400 zilveren sikkels waard, maar wat betekent dat tussen u en mij? Begraaf gerust uw vrouw daar.’ Abraham luisterde naar Efron, en Abraham woog voor Efron het bedrag in zilver af dat hij in aanwezigheid van de zonen van Heth genoemd had: 400 zilveren sikkels, volgens het gewicht dat gangbaar was bij de handelaars. Zo werd het veld van Efron in Machpela, dat tegenover Mamré lag — het veld met de grot en alle bomen die binnen de grenzen van het veld stonden — overgedragen aan Abraham als zijn gekochte eigendom. De zonen van Heth en iedereen die de poort van de stad in ging, waren daarbij aanwezig. Daarna begroef Abraham zijn vrouw Sara in de grot van het veld van Machpela tegenover Mamré, dat wil zeggen Hebron, in het land Kanaän. Zo werd het veld met de grot door de zonen van Heth overgedragen aan Abraham om het te gebruiken als begraafplaats.

Abraham was oud geworden, hoogbejaard. En Jehovah had Abraham in alles gezegend. Abraham zei tegen zijn dienaar, de oudste van zijn huis, die het beheer had over al zijn bezittingen: ‘Leg je hand alsjeblieft onder mijn bovenbeen en zweer bij Jehovah, de God van de hemel en de God van de aarde, dat je voor mijn zoon geen vrouw zult kiezen uit de dochters van de Kanaänieten, die om me heen wonen. In plaats daarvan moet je naar mijn land en naar mijn familie gaan, en daar een vrouw voor mijn zoon Isaäk uitkiezen.’

Maar zijn dienaar zei tegen hem: ‘Wat als de vrouw niet met me mee wil komen naar dit land? Moet ik uw zoon dan terugbrengen naar het land waar u vandaan komt?’ Abraham antwoordde: ‘Nee, je mag mijn zoon daar niet heen brengen. Jehovah, de God van de hemel, heeft me weggehaald uit het huis van mijn vader en uit het land van mijn familie. Hij heeft met me gesproken en mij gezworen: “Aan jouw nageslacht zal ik dit land geven.” Hij zal zijn (hemelse) boodschapper voor je uit sturen, en je zult daar zeker een vrouw voor mijn zoon vinden. Als de vrouw niet met je mee wil gaan, ben je niet langer aan deze eed gebonden. Maar je mag mijn zoon daar niet heen brengen.’ Toen legde de dienaar zijn hand onder het bovenbeen van zijn meester Abraham en zwoer hem dat.’

De dienaar vertrok met tien kamelen van zijn meester en nam ook allerlei kostbare geschenken van zijn meester mee. Zo ging hij op weg naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor. Buiten de stad liet hij de kamelen neerknielen bij een waterput. Het was tegen de avond, rond de tijd dat de vrouwen altijd water kwamen putten. Vervolgens zei hij: ‘Jehovah, God van mijn meester Abraham, laat me vandaag alstublieft slagen en toon uw loyale liefde voor mijn meester Abraham. Ik sta hier bij een waterbron, en de dochters van de mannen van de stad komen er zo aan om water te putten. Mag het zo gebeuren: Ik zal tegen een jonge vrouw zeggen: “Laat me alsjeblieft wat drinken uit je waterkruik.” Als ze dan antwoordt: “Ga uw gang en ik zal ook uw kamelen te drinken geven”, laat zij dan de vrouw zijn die u voor uw dienaar Isaäk uitkiest. Laat me op die manier zien dat u loyale liefde voor mijn meester toont.’

Nog voordat hij was uitgesproken, kwam Rebekka eraan, de dochter van Bethuël, de zoon van Milka, de vrouw van Abrahams broer Nahor. Op haar schouder droeg ze een waterkruik. De jonge vrouw was heel mooi en ze was maagd; ze had nog nooit gemeenschap met een man gehad. Ze liep naar beneden, naar de bron, vulde haar waterkruik en kwam weer naar boven. De dienaar ging snel naar haar toe en zei: ‘Geef me alsjeblieft een slokje water uit je kruik.’ Ze antwoordde: ‘Ga uw gang, mijn heer.’ Onmiddellijk haalde ze de kruik van haar schouder en gaf hem te drinken.

Nadat ze hem te drinken had gegeven, zei ze: ‘Ik zal ook water putten voor uw kamelen, totdat ze genoeg gedronken hebben.’ Ze goot haar kruik vlug leeg in de drinkbak en liep steeds weer naar de put om water te halen, en ze putte water voor al zijn kamelen. Al die tijd keek de man zwijgend en vol verbazing toe, terwijl hij zich afvroeg of Jehovah zijn reis had laten slagen of niet.

Toen de kamelen genoeg gedronken hadden, pakte de man een gouden neusring die een halve sikkel woog en twee gouden armbanden die tien sikkels wogen, en gaf die aan haar. Hij zei: ‘Vertel eens, van wie ben je een dochter? En is er in het huis van je vader plaats voor ons om te overnachten?’ Ze antwoordde: ‘Ik ben de dochter van Bethuël, de zoon van Milka en Nahor.’ Ze zei verder: ‘We hebben stro en veel voer, en ook plaats om te overnachten.’

Toen viel de man op zijn knieën en boog diep voor Jehovah. Hij zei: ‘Laat Jehovah, de God van mijn meester Abraham, geprezen worden, want hij is loyale liefde en trouw blijven tonen voor mijn meester. Jehovah heeft me naar het huis van de familie van mijn meester geleid.’

De jonge vrouw ging snel naar het huis van haar moeder om te vertellen wat er gebeurd was. Rebekka had een broer die Laban heette. Laban haastte zich naar de man die buiten bij de bron was. Zodra hij de neusring had gezien en de armbanden die zijn zus Rebekka om had en hij haar had horen vertellen wat de man tegen haar had gezegd, ging hij naar de man toe, die nog steeds bij zijn kamelen stond, bij de bron. Hij zei meteen: ‘Kom, jij op wie Jehovah’s zegen rust. Waarom blijf je hier buiten staan? Ik heb het huis klaargemaakt en heb plaats gemaakt voor de kamelen.’ De man kwam in het huis, en hij zadelde de kamelen af en gaf ze stro en voer. Ook gaf hij hem water om zijn voeten en de voeten van zijn mannen te wassen. Maar toen hem iets te eten werd voorgezet, zei hij: ‘Ik wil niet eten voordat ik heb verteld wat ik te zeggen heb.’ Laban zei dus: ‘Vertel maar.’

Toen zei hij: ‘Ik ben de dienaar van Abraham. Jehovah heeft mijn meester overvloedig gezegend en hem heel rijk gemaakt door hem schapen en runderen, zilver en goud, slaven en slavinnen, en kamelen en ezels te geven. En Sara, de vrouw van mijn meester, heeft hem een zoon geschonken toen ze al oud was, en mijn meester zal hem alles geven wat hij heeft. Mijn meester heeft me een eed laten zweren. Hij zei: “Je mag voor mijn zoon geen vrouw kiezen uit de dochters van Kanaän, het land waar ik woon. Nee, je moet naar het huis van mijn vader en naar mijn familie gaan, en daar moet je een vrouw voor mijn zoon uitkiezen.” Maar ik zei tegen mijn meester: “Wat als de vrouw niet met me mee wil gaan?” Toen antwoordde hij: “Ik heb altijd naar Jehovah’s wil geleefd. Hij zal zijn (hemelse) boodschapper met je mee sturen en je reis zeker laten slagen. Je moet voor mijn zoon een vrouw kiezen uit mijn familie en uit het huis van mijn vader. Je zult alleen ontslagen worden van je eed als je naar mijn familie bent gegaan en ze haar niet aan je willen geven. Dan zul je vrij zijn van je eed.”

Toen ik vandaag bij de bron kwam, zei ik: “Jehovah, God van mijn meester Abraham, als u mijn reis wilt laten slagen, laat dan het volgende gebeuren. Ik sta hier bij een bron. Als een jonge vrouw water komt putten, zal ik zeggen: ‘Laat me alsjeblieft wat water drinken uit je kruik.’ Als ze antwoordt: ‘Ga uw gang en ik zal ook water putten voor uw kamelen’, laat zij dan de vrouw zijn die Jehovah heeft uitgekozen voor de zoon van mijn meester.”

Ik had dat nog maar nauwelijks in mezelf gezegd of Rebekka kwam eraan, met haar kruik op haar schouder. Ze liep naar beneden, naar de bron, en ging water putten. Toen zei ik tegen haar: “Geef me alsjeblieft wat te drinken.” Ze haalde de kruik snel van haar schouder en zei: “Ga uw gang en ik zal ook uw kamelen te drinken geven.” Toen dronk ik wat water, en ze gaf ook de kamelen te drinken. Daarna vroeg ik haar: “Van wie ben je een dochter?”, waarop ze antwoordde: “Van Bethuël, de zoon van Nahor en Milka.”

Toen deed ik de ring in haar neus en de armbanden om haar polsen. Ik viel op mijn knieën en boog diep voor Jehovah, en ik prees Jehovah, de God van mijn meester Abraham, die mij op de juiste weg had geleid om de kleindochter van de broer van mijn meester te vinden als vrouw voor zijn zoon. Als jullie loyale liefde en trouw voor mijn meester willen tonen, vertel het me dan, maar zo niet, vertel het me dan ook, zodat ik weet waar ik aan toe ben.’

Toen antwoordden Laban en Bethuël: ‘Dit komt van Jehovah. We kunnen geen ja of nee tegen je zeggen. Hier is Rebekka. Neem haar mee en vertrek, en laat haar de vrouw worden van de zoon van je meester, zoals Jehovah heeft gezegd.’ Toen Abrahams dienaar dat hoorde, boog hij zich meteen diep voor Jehovah neer. Vervolgens haalde de dienaar zilveren en gouden voorwerpen en kledingstukken tevoorschijn en gaf die aan Rebekka, en hij gaf kostbare geschenken aan haar broer en haar moeder. Daarna aten en dronken hij en de mannen die bij hem waren, en ze overnachtten daar.

Toen hij ’s morgens opstond, zei hij: ‘Laat me teruggaan naar mijn meester.’ Daarop zeiden haar broer en haar moeder: ‘Laat de jonge vrouw nog minstens tien dagen bij ons blijven. Daarna kan ze gaan.’ Maar hij antwoordde: ‘Houd me niet langer op nu Jehovah mijn reis heeft laten slagen. Laat me vertrekken, zodat ik kan teruggaan naar mijn meester.’ Toen zeiden ze: ‘Laten we de jonge vrouw roepen en het haar zelf vragen.’ Ze riepen Rebekka en vroegen haar: ‘Wil je met deze man meegaan?’ Ze antwoordde: ‘Ik ben bereid te gaan.’

Toen lieten ze hun zus Rebekka en haar voedster meegaan met Abrahams dienaar en zijn mannen. En ze zegenden Rebekka en zeiden tegen haar: ‘Zus van ons, we hopen dat je duizenden maal tienduizend nakomelingen krijgt en dat je nageslacht de steden in bezit neemt van degenen die hen haten.’ Rebekka en haar bedienden stonden op, gingen op de kamelen zitten en volgden de man. De dienaar nam Rebekka dus mee en vertrok.

Isaäk woonde in het gebied van de Negev. Op een dag was hij teruggekomen uit de omgeving van Beër-Lachai-Roï. Tegen het vallen van de avond liep hij buiten in het veld rond om te mediteren. Toen hij opkeek, zag hij kamelen aankomen. Ook Rebekka keek op en zag Isaäk. Ze liet zich snel van haar kameel glijden en vroeg aan de dienaar: ‘Wie is die man die ons daar in het veld tegemoetkomt?’ De dienaar antwoordde: ‘Dat is mijn meester.’ Daarop bedekte ze zich met haar sluier. De dienaar vertelde Isaäk alles wat hij had gedaan. Daarna bracht Isaäk haar naar de tent van zijn moeder Sara. Zo nam hij Rebekka tot vrouw en hij ging van haar houden. En Isaäk vond troost na het verlies van zijn moeder.

Abraham trouwde opnieuw, met een vrouw die Ketura heette. Na verloop van tijd schonk ze hem Zimran, Joksan, Medan, Midian, Jisbak en Suah. Joksan werd de vader van Scheba en Dedan. De zonen van Dedan waren Assurim, Letusim en Leümmim. De zonen van Midian waren Efa, Efer, Hanoch, Abida en Eldaä. Zij waren allemaal nakomelingen van Ketura.

Later gaf Abraham zijn hele bezit aan Isaäk, maar aan de zonen van zijn bijvrouwen gaf Abraham geschenken. Toen stuurde hij ze nog tijdens zijn leven in oostelijke richting, weg van zijn zoon Isaäk, naar het land van het Oosten. In totaal heeft Abraham 175 jaar geleefd. Na een lang en goed leven blies Abraham de laatste adem uit en stierf, oud en voldaan, en hij werd tot zijn volk vergaderd.

Zijn zonen Isaäk en Ismaël begroeven hem in de grot van Machpela, in het veld van Efron, de zoon van de Hethiet Zohar, dat tegenover Mamré ligt. Dat was het veld dat Abraham van de zonen van Heth had gekocht. Daar werd Abraham begraven, bij zijn vrouw Sara. Na de dood van Abraham bleef God zijn zoon Isaäk zegenen. Isaäk woonde dicht bij Beër-Lachai-Roï.

Dit is de geschiedenis van Ismaël, de zoon die Abraham gekregen had bij Sara’s slavin Hagar, de Egyptische. Dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, zijn nakomelingen: Nebajoth, Ismaëls eerstgeboren zoon, vervolgens Kedar, Adbeël, Mibsam, Misma, Duma, Massa, Hadad, Tema, Jetur, Nafis en Kedma. Zij zijn de zonen van Ismaël en de 12 hoofden van hun stammen, en dit zijn hun namen volgens hun dorpen en hun tentenkampen. En Ismaël leefde 137 jaar. Toen blies hij de laatste adem uit en stierf, en hij werd tot zijn volk vergaderd. Het gebied waar ze gingen wonen, strekte zich uit van Havila bij Sur, in de buurt van Egypte, tot Assyrië. Hij vestigde zich vlak bij al zijn broeders.

En dit is de geschiedenis van Isaäk, de zoon van Abraham. Abraham werd de vader van Isaäk. Isaäk was 40 jaar oud toen hij trouwde met Rebekka, de dochter van de Arameeër Bethuël uit Paddan-Aram en de zus van de Arameeër Laban. Isaäk bad steeds vurig tot Jehovah voor zijn vrouw omdat ze onvruchtbaar was. Jehovah luisterde naar zijn verzoek en Rebekka werd zwanger. En er ontstond een worsteling tussen de zonen in haar buik. Daarom zei ze: ‘Als het zo moet gaan, waarom leef ik dan nog?’ Toen vroeg ze Jehovah om raad. Jehovah zei tegen haar: ‘Er zijn twee volken in je buik, en de twee volken die uit jou voortkomen zullen uiteengaan. Het ene volk zal sterker zijn dan het andere, en de oudste zal de jongste dienen.’

Toen ze moest bevallen, bleek er inderdaad een tweeling in haar buik te zitten. Het eerste kind dat tevoorschijn kwam, was rossig en helemaal behaard, alsof hij een haren mantel aanhad. Daarom noemden ze hem Esau. Daarna kwam zijn broer tevoorschijn, en met zijn hand hield hij de hiel van Esau vast. Daarom noemde Isaäk hem Jakob. Isaäk was 60 jaar oud toen ze geboren werden.

De jongens groeiden op. Esau werd een uitstekend jager die vaak buiten in het veld was, maar Jakob bleef bij de tenten. Hij was een onberispelijk man. Isaäk hield meer van Esau omdat hij graag het wild at dat Esau meebracht, maar Rebekka hield meer van Jakob. Op een keer was Jakob aan het koken toen Esau uitgeput terugkwam uit het veld. Esau zei tegen Jakob: ‘Geef me snel wat van dat rode daar, want ik ben doodop!’

Daarom kreeg hij ook de naam Edom. Jakob antwoordde: ‘Alleen als je mij je eerstgeboorterecht verkoopt!’ ‘Ik sterf van de honger!’, zei Esau. ‘Wat heb ik dan aan een eerstgeboorterecht?’ Daarop zei Jakob: ‘Zweer het me eerst!’ Dat deed Esau en zo verkocht hij zijn eerstgeboorterecht aan Jakob. Toen gaf Jakob Esau brood en linzensoep, en hij ging eten en drinken. Daarna stond hij op en ging weg. Zo toonde Esau minachting voor het eerstgeboorterecht.

Er brak hongersnood uit in het land, een andere dan de eerste hongersnood, die er in de tijd van Abraham was geweest. Daarom ging Isaäk naar Gerar, naar koning Abimelech van de Filistijnen. Toen verscheen Jehovah aan hem en zei: ‘Ga niet naar Egypte. Ga in het land wonen dat ik je aanwijs. Woon als vreemdeling in dit land, en ik zal steeds met je zijn en je zegenen, want aan jou en aan je nageslacht zal ik al deze gebieden geven, en ik zal de eed nakomen die ik aan je vader Abraham heb gezworen: “Ik zal je nageslacht zo talrijk maken als de sterren aan de hemel en aan jouw nageslacht zal ik al deze gebieden geven. En door jouw nageslacht zullen alle volken op aarde een zegen voor zichzelf verkrijgen.” Want Abraham heeft naar mijn stem geluisterd en hij heeft zich gehouden aan mijn vereisten, mijn geboden, mijn voorschriften en mijn wetten.’ Isaäk bleef dus in Gerar.

Toen de mannen in die plaats hem vragen stelden over zijn vrouw, zei hij steeds: ‘Ze is mijn zus.’ Hij durfde niet te zeggen dat ze zijn vrouw was, want hij zei: ‘Anders doden de mannen van de plaats me misschien vanwege Rebekka.’ Ze was namelijk een heel mooie vrouw. Er ging een tijd voorbij. Op een keer keek koning Abimelech van de Filistijnen uit het venster en zag hij dat Isaäk zijn vrouw Rebekka liefkoosde. Meteen riep Abimelech Isaäk bij zich en zei: ‘Waarom heb je gezegd dat ze je zus is? Ze is je vrouw!’ Isaäk antwoordde: ‘Ik heb dat gezegd omdat ik bang was dat ik vanwege haar zou sterven.’ Maar Abimelech zei: ‘Wat heb je ons aangedaan? Stel dat iemand van het volk met je vrouw had geslapen. Dan zou je schuld op ons hebben geladen!’ Toen gebood Abimelech het hele volk: ‘Iedereen die deze man en zijn vrouw aanraakt, zal beslist ter dood worden gebracht!’

Isaäk ging in dat land zaaien, en hij oogstte in dat jaar 100 keer zo veel als hij had gezaaid, want Jehovah zegende hem. Isaäk werd rijk en het ging zelfs zo goed met hem dat hij heel rijk werd. Hij kwam in het bezit van kudden schapen en kudden runderen en een groot aantal bedienden, en de Filistijnen werden jaloers op hem.

Daarom gooiden de Filistijnen de putten die de bedienden van zijn vader in de tijd van Abraham hadden gegraven, vol met aarde. Toen zei Abimelech tegen Isaäk: ‘Ga weg uit deze omgeving, want je bent veel te sterk voor ons geworden.’ Isaäk vertrok dus, sloeg zijn kamp op in het dal van Gerar en ging daar wonen. En Isaäk groef de waterputten open die in de tijd van zijn vader Abraham waren gegraven maar die de Filistijnen na Abrahams dood hadden dichtgegooid. Hij gaf ze dezelfde namen als zijn vader ze had gegeven.

Terwijl de bedienden van Isaäk in het dal aan het graven waren, vonden ze een put met helder water. De herders van Gerar maakten ruzie met de herders van Isaäk en zeiden: ‘Het water is van ons!’ Hij noemde de put dan ook Esek, omdat ze ruzie met hem hadden gemaakt. Daarna groeven ze een andere put, en ook daarover werd ruzie gemaakt. Daarom noemde hij die put Sitna. Later vertrok hij vandaar en groef een andere put, maar daarover maakten ze geen ruzie. Daarom noemde hij die put Rehoboth en zei: ‘Want nu heeft Jehovah ons volop ruimte gegeven en ons vruchtbaar gemaakt in het land.’

Vandaar ging hij naar Berseba. Jehovah verscheen die nacht aan hem en zei: ‘Ik ben de God van je vader Abraham. Wees niet bang, want ik ben met je en ik zal je zegenen en je nageslacht talrijk maken vanwege mijn dienaar Abraham.’ Daarom bouwde hij op die plek een altaar en riep de naam van Jehovah aan. Isaäk sloeg daar zijn tent op, en zijn dienaren groeven er een put.

Later kwam Abimelech uit Gerar bij hem, met zijn raadgever Ahuzzath en zijn legeraanvoerder Pichol. Isaäk zei tegen ze: ‘Waarom zijn jullie bij me gekomen? Jullie hadden toch een hekel aan me en hebben me toch uit jullie omgeving weggestuurd?’ Maar ze antwoordden: ‘We hebben duidelijk gezien dat Jehovah met je is. Daarom zeiden we: “Laten we een verplichting aangaan met een eed tussen jou en ons. En laten we een verbond met je maken dat jij ons geen kwaad zult doen net zoals wij jou niets hebben aangedaan. Want wij hebben je steeds goed behandeld en je in vrede laten vertrekken. Jij bent nu de gezegende van Jehovah.”’ Toen gaf hij een feestmaal voor ze, en ze aten en dronken. De volgende morgen stonden ze vroeg op en zwoeren een eed aan elkaar. Daarna deed Isaäk hun uitgeleide en ze gingen in vrede bij hem weg. Op die dag kwamen de bedienden van Isaäk hem vertellen over de put die ze hadden gegraven. Ze zeiden: ‘We hebben water gevonden!’ Daarom noemde hij de put Seba. Vandaar dat de naam van de stad tot op deze dag Berseba is.

Toen Esau 40 jaar oud was, trouwde hij met Judith, de dochter van de Hethiet Beëri, en ook met Basmath, de dochter van de Hethiet Elon. Ze bezorgden Isaäk en Rebekka veel verdriet.

Toen Isaäk oud geworden was en zijn ogen zo slecht waren geworden dat hij niet meer kon zien, riep hij Esau, zijn oudste zoon, bij zich en zei: ‘Mijn zoon!’ Hij antwoordde: ‘Hier ben ik.’ Isaäk zei verder: ‘Ik ben oud geworden. Ik weet niet hoelang ik nog te leven heb. Pak daarom alsjeblieft je wapens, je pijlkoker en je boog. Ga het veld in om te jagen en schiet een stuk wild voor mij. Maak dan een gerecht voor me klaar dat ik heel lekker vind en breng het bij me zodat ik het kan eten. Daarna zal ik je zegenen voordat ik sterf.’

Maar Rebekka luisterde mee terwijl Isaäk met zijn zoon Esau praatte. Esau ging het veld in om op wild te jagen en dat mee te brengen. Rebekka zei tegen haar zoon Jakob: ‘Ik hoorde je vader net tegen je broer Esau zeggen: “Breng me een stuk wild en maak een lekker gerecht voor me klaar, zodat ik het kan eten. Dan kan ik je vóór mijn dood zegenen met Jehovah als getuige.” Mijn zoon, luister goed en doe wat ik je opdraag. Ga alsjeblieft naar de kudde en haal twee van de beste geitenbokjes voor me, zodat ik daar voor je vader een lekker gerecht van kan maken zoals hij het graag heeft. Breng het vervolgens naar je vader, zodat hij het kan eten. Dan kan hij jou voor zijn dood zegenen.’

Jakob zei tegen zijn moeder Rebekka: ‘Maar mijn broer Esau is erg behaard, terwijl ik een gladde huid heb. Stel dat mijn vader me aanraakt. Dan komt het over alsof ik hem belachelijk wil maken, en dan breng ik een vloek over me in plaats van een zegen.’ Toen zei zijn moeder: ‘Laat de vloek die voor jou bedoeld is op mij komen, mijn zoon. Doe gewoon wat ik zeg en ga ze voor me halen.’ Hij ging ze dus halen en bracht ze naar zijn moeder, en zijn moeder maakte een lekker gerecht klaar zoals zijn vader het graag had. Daarna nam Rebekka de beste kleren die ze van haar oudste zoon Esau in huis had, en ze liet haar jongste zoon Jakob die aandoen. Over zijn handen en over het onbehaarde deel van zijn hals trok ze het vel van de geitenbokjes. Toen gaf ze het heerlijke gerecht en het brood dat ze gemaakt had aan haar zoon Jakob.

Hij ging naar zijn vader en zei: ‘Vader.’ Isaäk antwoordde: ‘Hier ben ik. Wie ben je, jongen?’ Jakob zei tegen zijn vader: ‘Ik ben Esau, uw eerstgeboren zoon. Ik heb gedaan wat u me opgedragen hebt. Ga alstublieft rechtop zitten en eet wat van het wild, dan kunt u me zegenen.’ Daarop zei Isaäk tegen zijn zoon: ‘Hoe heb je het zo snel kunnen vinden, mijn zoon?’ Hij antwoordde: ‘Jehovah, uw God, heeft het naar me toe geleid.’ Toen zei Isaäk tegen Jakob: ‘Kom eens dichterbij, jongen, zodat ik kan voelen of je echt mijn zoon Esau bent.’ Jakob kwam dichter bij zijn vader Isaäk, en nadat hij hem had aangeraakt, zei hij: ‘Het is de stem van Jakob, maar het zijn de handen van Esau.’ Hij herkende hem niet omdat zijn handen behaard waren, net zoals die van zijn broer Esau. Daarom zegende hij hem.

Daarna vroeg hij: ‘Ben je echt mijn zoon Esau?’, waarop hij antwoordde: ‘Ja.’ Toen zei hij: ‘Mijn zoon, geef me wat van het wild te eten, dan zal ik je zegenen.’ Jakob bracht het naar hem toe en hij ging eten. Ook bracht Jakob hem wijn en hij dronk ervan. Toen zei zijn vader Isaäk tegen hem: ‘Kom eens dichterbij, mijn zoon, en geef me een kus.’ Hij kwam dus dichterbij en kuste hem, en Isaäk kon de geur van zijn kleren ruiken. Toen zegende hij hem en zei: ‘De geur van mijn zoon is als de geur van het veld, dat Jehovah gezegend heeft. Mag de ware God je dauw uit de hemel geven en vruchtbare grond, en graan en nieuwe wijn in overvloed. Mogen volken je dienen en mogen naties voor je buigen. Word meester over je broeders, en mogen de zonen van je moeder voor je buigen. Laat iedereen die jou vervloekt, zelf vervloekt worden, en laat iedereen die jou zegent, zelf gezegend worden.’

Vlak nadat Isaäk Jakob had gezegend en Jakob bij zijn vader Isaäk was weggegaan, kwam zijn broer Esau terug van de jacht. Ook hij maakte een lekker gerecht klaar en bracht het naar zijn vader. Hij zei tegen zijn vader: ‘Vader, kom overeind en eet wat van het wild, dan kunt u me zegenen.’ Daarop zei zijn vader Isaäk tegen hem: ‘Wie ben je?’ Hij antwoordde: ‘Ik ben Esau, uw eerstgeboren zoon.’ Isaäk begon hevig te trillen en zei: ‘Maar wie was het dan die op wild heeft gejaagd en het bij me heeft gebracht? Ik heb het al gegeten voordat jij kwam en ik heb hem gezegend — en gezegend zal hij worden!’

Toen Esau de woorden van zijn vader hoorde, begon hij heel luid en verbitterd te schreeuwen. Hij zei tegen zijn vader: ‘Zegen mij, vader, zegen ook mij!’ Maar hij zei: ‘Je broer is bij me gekomen en heeft me bedrogen om de zegen te krijgen die voor jou bedoeld was.’ Toen zei Esau: ‘Hij heet niet voor niets Jakob, want hij heeft me nu al twee keer van mijn plaats verdrongen. Mijn eerstgeboorterecht heeft hij al afgepakt en nu ook nog mijn zegen!’ Daarna vroeg hij: ‘Hebt u geen zegen meer over voor mij?’ Maar Isaäk antwoordde: ‘Ik heb hem als meester over je aangesteld en ik heb hem al zijn broeders als dienaar gegeven. Ook heb ik hem voorzien van graan en nieuwe wijn. Dus wat kan ik dan nog voor jou doen, mijn zoon?’ Toen zei Esau tegen zijn vader: ‘Hebt u dan maar één zegen, vader? Zegen mij, vader, zegen ook mij!’ Vervolgens barstte Esau in tranen uit en begon luid te huilen. Zijn vader Isaäk zei tegen hem: ‘Ver van de vruchtbare grond zul je wonen, en ver van de dauw uit de hemel. Je zult leven van je zwaard, en je zult je broer dienen. Maar wanneer je er niet meer tegen kunt, zul je zijn juk van je nek werpen.’

Esau koesterde wrok tegen Jakob omdat zijn vader hem had gezegend, en Esau bleef bij zichzelf zeggen: ‘Het duurt niet lang meer of er zal over mijn vader gerouwd worden. Daarna ga ik mijn broer Jakob vermoorden.’ Toen Rebekka te horen kreeg wat haar oudste zoon Esau van plan was, liet ze meteen haar jongste zoon Jakob roepen. Ze zei tegen hem: ‘Luister! Je broer Esau is van plan wraak te nemen en je te vermoorden. Doe daarom wat ik zeg, mijn zoon. Vertrek snel naar mijn broer Laban in Haran. Blijf een tijdje bij hem wonen, totdat de woede van je broer bedaard is. Ik zal je laten terughalen als de woede van je broer bekoeld is en hij vergeten is wat je hem hebt aangedaan. Waarom zou ik jullie allebei op één dag moeten verliezen?’ Daarna bleef Rebekka tegen Isaäk zeggen: ‘Door de dochters van Heth heb ik een hekel aan mijn leven gekregen. Als Jakob ook met een van de dochters van Heth trouwt, zoals deze dochters van het land, wat heb ik dan nog aan mijn leven?’

Daarom riep Isaäk Jakob bij zich, zegende hem en droeg hem op: ‘Je mag niet trouwen met een van de dochters van Kanaän. Vertrek naar Paddan-Aram, naar het huis van Bethuël, de vader van je moeder, en kies daar een vrouw uit de dochters van Laban, de broer van je moeder. God de Almachtige zal je zegenen en je vruchtbaar en talrijk maken, en er zullen vele volken uit je voortkomen. Hij zal jou en je nageslacht de zegen van Abraham geven, zodat je het land in bezit kunt nemen waar je als vreemdeling woont, het land dat God aan Abraham heeft gegeven.’

Zo stuurde Isaäk Jakob op weg, en hij vertrok naar Paddan-Aram, naar Laban, de zoon van de Arameeër Bethuël en de broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Esau. Esau kwam te weten dat Isaäk Jakob had gezegend en hem naar Paddan-Aram had gestuurd om daar een vrouw te zoeken, en dat hij hem bij het geven van zijn zegen had opgedragen: ‘Trouw niet met een van de dochters van Kanaän.’ Hij zag dat Jakob zijn vader en moeder gehoorzaamde en naar Paddan-Aram vertrok. Toen besefte Esau dat zijn vader Isaäk de dochters van Kanaän afkeurde. Daarom ging Esau naar Ismaël en nam Mahalath tot vrouw, naast de vrouwen die hij al had. Zij was de dochter van Abrahams zoon Ismaël en de zus van Nebajoth.

Jakob verliet dus Berseba en ging op weg naar Haran. Na een tijdje koos hij een plaats om te overnachten, want de zon was al ondergegaan. Daarom pakte hij een van de stenen die daar lagen, legde die onder zijn hoofd en ging slapen. Toen kreeg hij een droom. Hij zag een trap die vanaf de aarde helemaal tot aan de hemel reikte, en daarlangs zag hij de (hemelse) boodschappers van God omhooggaan en afdalen. En Jehovah stond bovenaan en zei: ‘Ik ben Jehovah, de God van je vader Abraham en de God van Isaäk. Het land waarop je ligt, zal ik aan jou en je nageslacht geven. En je nageslacht zal beslist zo talrijk worden als de stofdeeltjes op aarde en je zult je uitbreiden naar het westen, naar het oosten, naar het noorden en naar het zuiden, en via jou en je nageslacht zullen alle families van de aarde beslist gezegend worden. Ik ben met je en ik zal je beschermen, waar je ook naartoe gaat, en ik zal je naar dit land terugbrengen. Ik zal je niet verlaten totdat ik heb gedaan wat ik je beloofd heb.’

Toen werd Jakob wakker en zei: ‘Jehovah is aanwezig op deze plaats en ik wist het niet.’ Hij was diep onder de indruk en zei: ‘Wat een ontzagwekkende plaats! Dit moet wel het huis van God zijn, dit is de poort van de hemel.’ Jakob stond ’s morgens vroeg op. Hij nam de steen waarop hij met zijn hoofd had gelegen, zette die rechtop als een zuil en goot er olie over uit. Hij noemde die plaats Bethel, maar vóór die tijd heette de stad Luz.

Toen legde Jakob de volgende gelofte af: ‘Als God met me blijft en me tijdens mijn reis beschermt, en hij me brood geeft om te eten en kleren om te dragen, en ik veilig bij het huis van mijn vader terugkom, dan zal Jehovah hebben bewezen dat hij mijn God is. En deze steen die ik hier als zuil heb neergezet, zal een huis van God worden, en ik beloof u een tiende deel te geven van alles wat u mij geeft.’

Daarna vervolgde Jakob zijn reis en trok hij verder naar het gebied van de mensen van het Oosten. Op een dag zag hij ergens in het veld een put waar drie kudden schapen omheen lagen, want de schapen kregen altijd uit die put te drinken. De put was afgedekt met een grote steen. Als dan alle kudden daar bijeen waren gedreven, rolden de herders de steen van de put af en gaven ze de schapen te drinken. Daarna legden ze de steen weer op de put.

Jakob vroeg hun: ‘Mijn broeders, uit welke plaats komen jullie?’ Ze antwoordden: ‘We komen uit Haran.’ Toen vroeg hij: ‘Kennen jullie Laban, de kleinzoon van Nahor?’, waarop ze zeiden: ‘Ja, die kennen we.’ ‘Hoe gaat het met hem?’, vroeg hij. ‘Goed’, antwoordden ze. ‘Kijk, daar komt zijn dochter Rachel aan met de schapen!’ Toen zei hij: ‘Het is nog midden op de dag! Het is niet de tijd om de kudden bijeen te drijven. Geef de schapen te drinken en laat ze dan verder grazen.’ Ze zeiden: ‘Dat mogen we pas doen als alle kudden bijeengedreven zijn en de steen van de opening van de put is afgerold. Dan kunnen we de schapen te drinken geven.’

Terwijl hij nog met ze aan het praten was, kwam Rachel met de schapen van haar vader. Ze was namelijk herderin. Toen Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, de broer van zijn moeder, met Labans schapen, ging hij naar de put toe, rolde de steen eraf en gaf Labans schapen te drinken. Toen kuste Jakob Rachel en barstte in tranen uit. Jakob vertelde haar dat hij familie van haar vader was, de zoon van Rebekka. Ze rende weg om het aan haar vader te vertellen.

Zodra Laban het nieuws hoorde over Jakob, de zoon van zijn zus, ging hij vlug naar hem toe. Hij omhelsde en kuste hem en nam hem mee naar zijn huis. Jakob vertelde Laban alles wat er gebeurd was. Laban zei tegen hem: ‘Het is duidelijk dat je mijn eigen vlees en bloed bent.’ Jakob bleef een volle maand bij hem.

Toen zei Laban tegen Jakob: ‘Al ben je familie van me, je hoeft niet voor niets voor me te werken. Zeg maar wat je loon moet zijn.’ Laban had twee dochters. De oudste heette Lea en de jongste Rachel. De ogen van Lea hadden geen glans, terwijl Rachel een heel mooie en aantrekkelijke vrouw was geworden. Jakob was verliefd op Rachel. Daarom zei hij: ‘Ik ben bereid zeven jaar bij u te werken voor Rachel, uw jongste dochter.’ Laban antwoordde: ‘Ik kan haar beter aan jou geven dan aan een andere man. Blijf dus maar hier.’ Jakob werkte zeven jaar voor Rachel, maar voor hem leken het maar een paar dagen omdat hij zo veel van haar hield.

Toen zei Jakob tegen Laban: ‘De tijd is om, dus geef me nu mijn vrouw, zodat ik met haar kan slapen.’ Daarop nodigde Laban alle inwoners van de plaats uit en hield een feestmaal. Maar in de loop van de avond bracht hij zijn dochter Lea bij Jakob, zodat hij met haar zou slapen. Laban gaf ook zijn slavin Zilpa aan zijn dochter Lea mee.

De volgende ochtend zag Jakob dat het Lea was! Hij zei tegen Laban: ‘Wat hebt u me aangedaan? Ik heb toch voor Rachel bij u gewerkt? Waarom hebt u me bedrogen?’ Laban antwoordde: ‘Het is hier niet de gewoonte om de jongste dochter vóór de oudste uit te huwelijken. Breng eerst de bruiloftsweek met deze vrouw door. Daarna krijg je ook de andere vrouw als je nog eens zeven jaar bij me werkt.’

Dat deed Jakob; hij bracht de bruiloftsweek met de eerste vrouw door. Daarna gaf Laban hem zijn dochter Rachel tot vrouw. Bovendien gaf Laban aan zijn dochter Rachel zijn slavin Bilha mee.

Toen sliep Jakob ook met Rachel; hij hield meer van Rachel dan van Lea. En hij werkte nog eens zeven jaar voor Laban. Toen Jehovah zag dat Lea minder geliefd was, zorgde hij ervoor dat ze kinderen kon krijgen, maar Rachel was onvruchtbaar. Lea werd zwanger en kreeg een zoon, die ze Ruben noemde, want ze zei: ‘Jehovah heeft mijn ellende gezien. Nu zal mijn man van me gaan houden.’ Ze werd opnieuw zwanger en bracht een zoon ter wereld. Toen zei ze: ‘Jehovah heeft naar me geluisterd, want ik was niet geliefd en daarom heeft hij mij ook deze zoon gegeven.’

Om die reden noemde ze hem Simeon. Ze werd nog een keer zwanger en kreeg weer een zoon. Ze zei: ‘Dit keer zal mijn man zich aan mij hechten, omdat ik hem drie zonen heb geschonken.’ Daarom noemde ze hem Levi. Ze werd weer zwanger en kreeg nog een zoon. Ze zei: ‘Dit keer zal ik Jehovah loven.’ Vandaar dat ze hem Juda noemde. Daarna kreeg ze een tijdlang geen kinderen meer.

Omdat Rachel Jakob nog steeds geen kinderen had geschonken, werd ze jaloers op haar zus. Ze zei tegen Jakob: ‘Geef me kinderen, anders ga ik dood.’ Jakob werd boos op Rachel en zei: ‘Neem ik soms de plaats van God in? Hij is het die je geen kinderen heeft laten krijgen!’ Ze zei: ‘Hier is mijn slavin Bilha. Slaap met haar, zodat zij voor mij kinderen kan voortbrengen, dan kan ook ik kinderen krijgen, via haar.’ Daarop gaf ze hem haar slavin Bilha tot vrouw, en Jakob sliep met haar. Bilha werd zwanger en schonk Jakob een zoon.

Toen zei Rachel: ‘God is als mijn rechter opgetreden. Hij heeft ook naar mijn stem geluisterd en me een zoon gegeven.’ Daarom noemde ze hem Dan. Later werd Rachels slavin Bilha opnieuw zwanger en ze schonk Jakob een tweede zoon. ‘Ik heb een zware worsteling met mijn zus gehad en ik heb gewonnen!’, zei Rachel. Vandaar dat ze hem Naftali noemde.

Toen Lea merkte dat ze geen kinderen meer kreeg, gaf ze haar slavin Zilpa aan Jakob tot vrouw. En Lea’s slavin Zilpa schonk Jakob een zoon. Lea zei: ‘Ik heb geluk gehad!’ Daarom noemde ze hem Gad. Daarna schonk Lea’s slavin Zilpa Jakob een tweede zoon. Toen zei Lea: ‘Wat ben ik gelukkig! Want de vrouwen zullen me gelukkig prijzen.’ Om die reden noemde ze hem Aser.

In de tijd van de tarweoogst wandelde Ruben in het veld en vond daar alruinen. Hij bracht ze naar zijn moeder Lea. Toen zei Rachel tegen Lea: ‘Geef me alsjeblieft wat van de alruinen van je zoon.’ Maar ze antwoordde: ‘Is het niet genoeg dat je mijn man hebt afgepakt? Wil je nu ook nog de alruinen van mijn zoon hebben?’ Rachel zei: ‘Goed dan. Als jij me de alruinen van je zoon geeft, zal Jakob vannacht met jou slapen.’

Toen Jakob ’s avonds terugkwam van het veld, kwam Lea hem tegemoet en zei: ‘Je moet met mij slapen, want ik heb je gehuurd met de alruinen van mijn zoon.’ Daarom sliep hij die nacht met haar. God verhoorde Lea: ze werd zwanger en schonk Jakob een vijfde zoon. Toen zei Lea: ‘God heeft me mijn loon gegeven omdat ik mijn slavin aan mijn man gegeven heb.’ Daarom noemde ze hem Issaschar. Lea werd later opnieuw zwanger en schonk Jakob een zesde zoon. Toen zei Lea: ‘God heeft mij een mooi geschenk gegeven. Eindelijk zal mijn man me aanvaarden, want ik heb hem zes zonen geschonken.’ Vandaar dat ze hem Zebulon noemde. Daarna kreeg ze een dochter, die ze de naam Dina gaf.

Uiteindelijk dacht God aan Rachel, en God verhoorde haar door ervoor te zorgen dat ze kinderen kon krijgen. Ze werd zwanger en kreeg een zoon. Toen zei ze: ‘God heeft mijn schande weggenomen!’ Ze noemde hem Jozef en zei: ‘Jehovah geeft me nog een zoon erbij.’

Nadat Rachel Jozef had gekregen, zei Jakob meteen tegen Laban: ‘Laat me gaan, zodat ik naar mijn plaats en naar mijn land kan gaan. Geef me mijn vrouwen en mijn kinderen, voor wie ik bij u heb gewerkt, dan ga ik. U weet zelf heel goed hoe hard ik voor u heb gewerkt.’ Daarop zei Laban tegen hem: ‘Als ik je goedkeuring heb ... Ik heb uit de voortekens begrepen dat Jehovah mij zegent vanwege jou.’ Hij zei verder: ‘Zeg maar hoeveel loon je wilt, dan geef ik het je.’ Jakob antwoordde: ‘U weet hoe hard ik voor u heb gewerkt en hoe het met uw kudde gaat sinds ik ervoor zorg. Voordat ik kwam, had u niet veel, maar uw kudde is enorm gegroeid en Jehovah heeft u gezegend sinds ik hier ben. Dus wanneer kan ik nu eens iets voor mijn eigen huis doen?’

Toen vroeg Laban: ‘Wat moet ik je geven?’ Jakob antwoordde: ‘U hoeft mij helemaal niets te geven! Ik zal uw kudde blijven hoeden en verzorgen, maar dan moet u het volgende voor me doen. Vandaag zal ik uw hele kudde langsgaan. En u moet alle schapen eruit halen die gespikkeld of gevlekt zijn, alle jonge rammen die donkerbruin zijn en alle geiten die gevlekt of gespikkeld zijn. Vanaf nu moeten die mijn loon worden. U kunt zelf zien of ik eerlijk ben als u op een dag mijn loon komt inspecteren. Als u bij mij geiten aantreft die niet gespikkeld of gevlekt zijn of jonge rammen die niet donkerbruin zijn, mag u die als gestolen beschouwen.’

Laban zei: ‘Prima! Ik neem je voorstel aan.’ Nog diezelfde dag zette hij alle gestreepte en gevlekte bokken apart, alle gespikkelde en gevlekte geiten, alle dieren waaraan iets wits te zien was en ook alle donkerbruine jonge rammen, en hij vertrouwde ze toe aan zijn zonen. Daarna zorgde hij ervoor dat er een afstand van drie dagreizen tussen hemzelf en Jakob was, en Jakob hoedde de overgebleven kudden van Laban.

Jakob nam takken van de storax-, amandel- en plataanboom die net waren afgesneden. Hij schilde ze zo dat er witte plekken zichtbaar werden in het hout. Toen legde hij de takken die hij had geschild vlak voor het vee in de drinkbakken waar ze altijd kwamen drinken, zodat de dieren bij de takken bronstig zouden worden wanneer ze kwamen drinken.

De dieren werden steeds bronstig bij de takken en kregen dan gestreepte, gespikkelde en gevlekte jongen. Vervolgens zette Jakob de jonge rammen apart en keerde hij de koppen van het vee naar de gestreepte en de donkerbruine dieren onder Labans kudden. Toen zette hij zijn eigen kudden apart en hij hield ze gescheiden van Labans kudden.

En telkens wanneer de sterke dieren bronstig werden, legde Jakob de takken in de drinkbakken, in het zicht van de kudden, zodat ze bronstig zouden worden bij de takken. Maar bij de zwakke dieren legde hij de takken niet neer. Zo kreeg Laban altijd de zwakke dieren, maar Jakob de sterke. Jakob werd heel rijk. Hij kreeg grote kudden en ook slaven en slavinnen, en kamelen en ezels.

Na een tijdje hoorde hij dat de zonen van Laban zeiden: ‘Jakob heeft alles genomen wat van onze vader was. Hij is rijk geworden van de bezittingen van onze vader.’ Als Jakob naar het gezicht van Laban keek, zag hij dat zijn houding tegenover hem niet meer was zoals vroeger. Uiteindelijk zei Jehovah tegen Jakob: ‘Ga terug naar het land van je voorvaders en naar je familie, en ik zal steeds met je zijn.’ Toen liet Jakob Rachel en Lea naar het veld komen waar zijn kudde was. Hij zei tegen ze: ‘Ik heb gemerkt dat de houding van jullie vader tegenover mij veranderd is, maar de God van mijn vader is met me geweest. Jullie weten zelf dat ik voor jullie vader heb gewerkt zo hard ik kon. Hij heeft geprobeerd me te bedriegen en hij heeft mijn loon tien keer veranderd, maar God heeft niet toegelaten dat hij me benadeelde. Als hij zei: “Je krijgt de gespikkelde dieren als loon”, dan kregen alle dieren gespikkelde jongen. Maar als hij zei: “Je krijgt de gestreepte dieren als loon”, dan kregen alle dieren gestreepte jongen. Zo nam God elke keer het vee van jullie vader af en gaf het aan mij.

Op een keer, toen het vee bronstig werd, keek ik op en zag ik in een droom dat de bokken die de geiten besprongen gestreept, gespikkeld en gevlekt waren. Toen zei de (hemelse) boodschapper van de ware God in de droom tegen me: “Jakob!”, en ik antwoordde: “Hier ben ik.” Hij zei verder: “Kijk eens goed, dan zie je dat alle bokken die de geiten bespringen gestreept, gespikkeld en gevlekt zijn, want ik heb alles gezien wat Laban je aandoet. Ik ben de ware God van Bethel, waar je een zuil hebt gezalfd en waar je mij een gelofte hebt gedaan. Vertrek onmiddellijk uit dit land en ga terug naar je geboorteland.”’

Toen zeiden Rachel en Lea tegen hem: ‘Er valt voor ons toch niets meer te erven in het huis van onze vader! In zijn ogen zijn we vreemdelingen, want hij heeft ons verkocht en het geld dat hij voor ons heeft gekregen, heeft hij opgemaakt. Alle rijkdom die God onze vader heeft afgenomen, is van ons en van onze kinderen. Doe dus alles wat God je heeft opgedragen.’

Toen maakte Jakob zich klaar en hij zette zijn kinderen en zijn vrouwen op de kamelen. Vervolgens bracht hij al zijn vee bij elkaar en alle bezittingen die hij verzameld had. Met het vee dat in Paddan-Aram zijn eigendom was geworden, ging hij op weg naar zijn vader Isaäk in het land Kanaän.

Terwijl Laban zijn schapen aan het scheren was, stal Rachel de huisgoden van haar vader. Jakob was de Arameeër Laban te slim af door weg te lopen zonder het hem te vertellen. Zo vluchtte hij met alles wat hij had. Hij stak de Rivier over en ging toen in de richting van het bergland van Gilead. Op de derde dag kreeg Laban te horen dat Jakob was weggelopen. Samen met zijn familieleden achtervolgde hij hem over een afstand van zeven dagreizen. In het bergland van Gilead haalde hij hem in. Toen kwam God ’s nachts in een droom bij de Arameeër Laban en zei tegen hem: ‘Pas goed op je woorden als je met Jakob spreekt.’

Jakob had zijn tent in het bergland van Gilead opgezet en ook Laban en zijn familie hadden hun kamp opgeslagen in het bergland. Laban ging naar Jakob toe en zei tegen hem: ‘Wat heb je gedaan? Waarom heb je me voor de gek gehouden en mijn dochters als krijgsgevangenen weggevoerd? Waarom ben je in het geheim weggelopen en heb je me bedrogen door het me niet te vertellen? Als je het had gezegd, had ik feestelijk afscheid van je kunnen nemen met gezang en met de tamboerijn en de harp. Maar je hebt me niet de kans gegeven om mijn kleinkinderen en mijn dochters te kussen. Dat was heel dom van je. Ik zou jullie makkelijk kwaad kunnen doen, maar de God van jullie vader heeft vannacht tegen me gezegd: “Pas goed op je woorden als je met Jakob spreekt.” Je bent vertrokken omdat je zo graag terug wilt naar het huis van je vader, maar waarom heb je mijn goden gestolen?’

Jakob antwoordde: ‘Ik was bang, want ik dacht dat u anders uw dochters van me af zou pakken. Maar degene bij wie u uw goden vindt, die zal niet in leven blijven. Doorzoek zelf in het bijzijn van onze familieleden wat ik bij me heb, en neem mee wat van u is.’ Maar Jakob wist niet dat Rachel ze gestolen had. Laban ging dus de tent van Jakob binnen en ook de tent van Lea en de tent van de twee slavinnen, maar hij vond ze niet. Nadat hij Lea’s tent had verlaten, ging hij Rachels tent binnen.

Ondertussen had Rachel de huisgoden in de mand van het vrouwenzadel van de kameel gedaan, en ze was erop gaan zitten. Laban doorzocht de hele tent, maar hij vond ze niet. Toen zei ze tegen haar vader: ‘Word niet boos, mijn heer. Ik kan niet voor u opstaan, want ik ben ongesteld.’ Hij zocht en zocht, maar hij vond de huisgoden niet.

Jakob werd boos en begon Laban verwijten te maken. Hij zei tegen Laban: ‘Wat heb ik verkeerd gedaan en voor welke zonde achtervolgt u me zo? U hebt nu al mijn spullen doorzocht. Hebt u soms iets gevonden wat van u is? Leg het hier dan neer zodat mijn familie en uw familie het kunnen zien, en laten zij maar beslissen wie van ons gelijk heeft. In de 20 jaar dat ik bij u ben geweest, hebben uw schapen en uw geiten nooit doodgeboren jongen gehad, en ik heb nog nooit een ram van uw kudde gegeten. Ik heb nooit dieren bij u gebracht die door een wild dier verscheurd waren. Ik heb het verlies altijd zelf gedragen. En u eiste altijd een vergoeding als er vee gestolen was, of dat nu overdag of ’s nachts was gebeurd. Overdag werd ik bevangen door de hitte en ’s nachts door de kou, en vaak deed ik geen oog dicht. Ik ben 20 jaar in uw huis geweest. Ik heb 14 jaar bij u gewerkt voor uw twee dochters en 6 jaar voor uw vee, en u hebt mijn loon wel tien keer veranderd. Als de God van mijn vader, de God van Abraham en de God voor wie Isaäk diep ontzag heeft, niet aan mijn kant had gestaan, dan zou u me nu met lege handen hebben weggestuurd. God heeft mijn ellende en mijn harde werk gezien, en daarom heeft hij u vannacht terechtgewezen.’

Laban antwoordde: ‘De dochters zijn mijn dochters en de kinderen zijn mijn kinderen en het vee is mijn vee, en alles wat je ziet, is van mij en van mijn dochters. Hoe zou ik nu hun of de kinderen die ze gekregen hebben iets kunnen aandoen? Kom, laten we een verbond met elkaar maken. Het zal als getuige dienen tussen ons.’ Jakob nam daarom een steen en zette die rechtop als een zuil. Toen zei Jakob tegen zijn familieleden: ‘Verzamel stenen!’ Ze haalden stenen en stapelden die op. Daarna aten ze daar op de steenhoop. Laban noemde de steenhoop Jegar-Sahadutha, maar Jakob noemde de hoop Gal-Ed.

Toen zei Laban: ‘Deze steenhoop is vandaag een getuige tussen ons.’ Daarom gaf hij de steenhoop de naam Gal-Ed en Wachttoren, want hij zei: ‘Mag Jehovah de wacht houden tussen jou en mij wanneer we elkaar niet kunnen zien. Als je mijn dochters niet goed behandelt en naast mijn dochters nog andere vrouwen neemt, onthoud dan: ook al is er verder niemand bij, God is getuige tussen jou en mij.’ Laban zei verder tegen Jakob: ‘Kijk naar deze steenhoop en naar de zuil die ik heb opgericht tussen jou en mij. Deze steenhoop en deze zuil getuigen ervan dat ik deze steenhoop niet zal passeren om jou kwaad te doen en dat jij deze steenhoop en deze zuil niet zult passeren om mij kwaad te doen. Laat de God van Abraham en de God van Nahor, de God van hun vader, tussen ons oordelen.’ En Jakob zwoer bij de God voor wie zijn vader Isaäk diep ontzag had.

Daarna bracht Jakob een slachtoffer op de berg en nodigde hij zijn familie uit om brood te eten. Ze gingen dus eten en ze overnachtten op de berg. Laban stond ’s morgens vroeg op en kuste zijn kleinkinderen en zijn dochters en zegende hen. Toen vertrok Laban en ging terug naar huis.

Jakob vervolgde zijn reis en (hemelse) boodschappers van God kwamen hem tegemoet. Zodra Jakob ze zag, zei hij: ‘Dit is het kamp van God!’ Daarom noemde hij die plaats Mahanaïm. Toen stuurde Jakob boodschappers voor zich uit naar zijn broer Esau in het land Seïr, het gebied van Edom. Hij droeg ze op: ‘Dit moeten jullie tegen mijn heer, tegen Esau, zeggen: “Uw dienaar Jakob zegt: ‘Ik heb lange tijd bij Laban gewoond, tot nu toe. Ik heb stieren, ezels, schapen, en slaven en slavinnen in bezit gekregen, en ik stuur deze boodschap om mijn heer op de hoogte te stellen en uw goedkeuring te krijgen.’”’

Na een tijdje kwamen de mannen bij Jakob terug en zeiden: ‘We zijn bij uw broer Esau geweest. Hij komt u tegemoet en hij heeft 400 man bij zich.’ Jakob werd heel bang en ongerust. Daarom verdeelde hij de mensen die bij hem waren en ook de schapen, geiten, runderen en kamelen in twee groepen. Hij zei: ‘Als Esau de ene groep aanvalt, dan kan de andere groep nog ontsnappen.’

Daarna zei Jakob: ‘Jehovah, God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Isaäk, u hebt tegen me gezegd: “Ga terug naar je land en naar je familie, en ik zal ervoor zorgen dat het goed met je gaat.” Ik ben het niet waard dat u al die loyale liefde en trouw voor uw dienaar hebt getoond. Ik ben deze Jordaan namelijk overgestoken met alleen maar een staf, en nu ben ik uitgegroeid tot twee groepen. Ik smeek u: red me uit de greep van mijn broer Esau, want ik ben bang dat hij mij en ook de moeders en hun kinderen komt aanvallen. En u hebt gezegd: “Ik zal er beslist voor zorgen dat het goed met je gaat, en ik zal je nageslacht zo talrijk maken als de zandkorrels aan de zee, die niet te tellen zijn.”’

Hij bracht daar de nacht door. Toen nam hij uit zijn bezit een geschenk voor zijn broer Esau: 200 geiten, 20 bokken, 200 ooien, 20 rammen, 30 zogende kamelen met hun jongen, 40 koeien, 10 stieren, 20 ezelinnen en 10 ezels.

Hij vertrouwde de ene kudde na de andere aan zijn dienaren toe en zei daarbij: ‘Ga voor me uit naar de overkant, en laat ruimte tussen de verschillende kudden.’ Tegen de eerste zei hij ook: ‘Als je mijn broer Esau tegenkomt en hij je vraagt: “Bij wie hoor je? Waar ga je naartoe? En van wie zijn de dieren die voor je uit lopen?”, dan moet je zeggen: “Ik hoor bij uw dienaar Jakob. De dieren zijn een geschenk voor mijn heer, voor Esau. Kijk, Jakob zelf komt achter ons aan.”’ Ook aan de tweede en de derde en aan degenen die de kudden volgden, gaf hij de opdracht: ‘Je moet hetzelfde tegen Esau zeggen wanneer je hem tegenkomt. En je moet ook zeggen: “Kijk, uw dienaar Jakob komt achter ons aan.”’ Want hij zei bij zichzelf: ‘Als ik hem gunstig kan stemmen door een geschenk voor me uit te sturen, zal hij me misschien vriendelijk ontvangen als ik hem daarna ontmoet.’ Het geschenk ging dus voor hem uit naar de overkant, maar zelf bracht hij de nacht in het kamp door.

Later die nacht stond hij op en hij nam zijn twee vrouwen, zijn twee slavinnen en zijn 11 zonen mee en stak de Jabbok over bij een oversteekplaats. Zo bracht hij ze naar de overkant van het water, samen met al zijn bezittingen.

Uiteindelijk bleef Jakob alleen achter, en er verscheen een man die met hem ging worstelen totdat de dag aanbrak. Toen de man merkte dat hij Jakob niet had overwonnen, raakte hij Jakobs heup aan. Hierdoor raakte de heup tijdens de worsteling ontwricht. Daarna zei hij: ‘Laat me gaan, want het begint al dag te worden.’ Jakob zei: ‘Ik laat u pas gaan als u me gezegend hebt.’ Hij vroeg hem: ‘Wat is je naam?’ ‘Jakob’, antwoordde hij. Toen zei de man: ‘Je zult niet langer Jakob worden genoemd maar Israël, want je hebt met God en met mensen gestreden, en uiteindelijk heb je gewonnen.’ Daarna zei Jakob: ‘Vertel me alstublieft uw naam.’ Maar hij antwoordde: ‘Waarom vraag je naar mijn naam?’ Toen zegende hij hem daar. Daarom noemde Jakob die plaats Pniël, want hij zei: ‘Ik heb oog in oog gestaan met God, en toch ben ik in leven gebleven.’

Zodra hij Pnuël voorbij was, kwam de zon op. Hij liep mank vanwege zijn heup. Tot op de dag van vandaag eten de zonen van Israël niet de dijpees, die boven het heupgewricht ligt, omdat de man Jakobs heup daar had aangeraakt.

Toen Jakob opkeek, zag hij Esau aankomen met 400 man. Daarom verdeelde hij de kinderen over Lea, Rachel en de twee slavinnen. Hij liet de slavinnen en hun kinderen vooropgaan, daarachter Lea en haar kinderen, en helemaal achteraan Rachel en Jozef. Zelf ging hij voor hen uit, en terwijl hij dichter bij zijn broer kwam, boog hij zeven keer heel diep voor hem.

Maar Esau rende hem tegemoet, omhelsde hem en kuste hem, en ze barstten in tranen uit. Toen Esau opkeek en de vrouwen en kinderen zag, vroeg hij: ‘Wie heb je daar bij je?’ Jakob antwoordde: ‘De kinderen die God je dienaar geschonken heeft.’ Toen kwamen de slavinnen met hun kinderen naar voren en bogen diep, en ook Lea kwam naar voren met haar kinderen en ze bogen diep. Daarna kwam Jozef naar voren met Rachel, en ook zij bogen diep.

‘Wat was de bedoeling van die hele karavaan die ik tegenkwam?’, vroeg Esau. Jakob antwoordde: ‘Die was bedoeld om mijn heer gunstig te stemmen.’ ‘Broer, ik heb heel veel bezittingen’, zei Esau. ‘Houd maar wat je hebt.’ ‘Nee,’ zei Jakob, ‘als ik je goedkeuring heb, neem dit geschenk dan alsjeblieft van me aan, want ik heb het meegebracht omdat ik jou wilde zien. Toen ik jou zag en je mij met open armen ontving, was het alsof ik oog in oog stond met God. Aanvaard alsjeblieft het geschenk dat ik je heb laten brengen, want God is goed voor mij geweest en ik heb alles wat ik nodig heb.’ En hij bleef zo aandringen dat Esau het aannam.

Later zei Esau: ‘Laten we vertrekken, en laat mij voor je uit gaan.’ Maar Jakob antwoordde: ‘Mijn heer weet dat de kinderen niet zo sterk zijn en dat ik de zorg heb voor schapen en runderen die hun jongen zogen. Als ze ook maar één dag worden opgejaagd, gaat de hele kudde dood. Mijn heer, ga alsjeblieft voor mij uit, maar ik zal op mijn gemak verder reizen in het tempo van het vee en van de kinderen, totdat ik bij mijn heer in Seïr aankom.’ Toen zei Esau: ‘Laat me dan in elk geval een paar van mijn mannen bij je achterlaten.’ Daarop antwoordde hij: ‘Dat is niet nodig. Zolang ik maar de goedkeuring van mijn heer heb.’ Nog diezelfde dag begon Esau aan de terugreis naar Seïr.

Jakob reisde naar Sukkoth, waar hij een huis voor zichzelf bouwde en schuilplaatsen maakte voor zijn kudde. Daarom noemde hij die plaats Sukkoth.

Na zijn reis vanuit Paddan-Aram kwam Jakob veilig aan bij de stad Sichem in het land Kanaän, en hij sloeg zijn kamp in de buurt van die stad op. Toen kocht hij voor 100 geldstukken van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, een deel van het veld waar hij zijn tent had opgezet. Daar bouwde hij een altaar en noemde het God, de God van Israël.

Dina, de dochter van Jakob en Lea, ging vaak naar de jonge vrouwen van het land om tijd met ze door te brengen. Toen Sichem, de zoon van de Heviet Hemor, een van de leiders van het gebied, haar zag, greep hij haar, ging bij haar liggen en verkrachtte haar. Hij kreeg sterke gevoelens voor Dina, de dochter van Jakob. Hij werd verliefd op de jonge vrouw en probeerde haar voor zich te winnen. Uiteindelijk zei Sichem tegen zijn vader Hemor: ‘Zorg ervoor dat ik met deze jonge vrouw kan trouwen.’

Toen Jakob hoorde dat Sichem zijn dochter Dina onteerd had, waren zijn zonen in het veld met zijn kudde. Jakob besloot het voor zich te houden totdat ze terugkwamen. Later kwam Sichems vader Hemor bij Jakob om met hem te praten. Maar de zonen van Jakob hoorden wat er was gebeurd en kwamen meteen terug uit het veld. Ze voelden zich beledigd en waren heel boos omdat hij Israël te schande had gemaakt door bij Jakobs dochter te gaan liggen, iets wat absoluut ongehoord was.

Hemor sprak met hen en zei: ‘Mijn zoon Sichem verlangt naar je dochter. Geef haar toch aan hem tot vrouw, en verbind je ook door andere huwelijken met ons. Geef ons jullie dochters, dan kunnen jullie met onze dochters trouwen. Jullie mogen bij ons wonen en het land ligt voor jullie open. Blijf hier, doe zaken en vestig je hier.’ Toen zei Sichem tegen Dina’s vader en broers: ‘Geef me alsjeblieft jullie goedkeuring, dan zal ik jullie alles geven wat jullie vragen. Vraag gerust een heel hoge bruidsprijs en een groot geschenk van me. Ik ben bereid alles te geven wat jullie willen, als ik maar met de jonge vrouw mag trouwen.’

Jakobs zonen gaven een misleidend antwoord aan Sichem en zijn vader Hemor, omdat Sichem hun zus Dina onteerd had. ‘Dat kunnen we niet doen’, zeiden ze. ‘We kunnen onze zus niet aan een man geven die onbesneden is, want dat zou een schande voor ons zijn. Alleen op deze voorwaarde kunnen we akkoord gaan: dat jullie net zo worden als wij en al jullie mannen besneden worden. Dan zullen we onze dochters aan jullie geven en zullen wij met jullie dochters trouwen, en we zullen bij jullie wonen en één volk worden. Maar als jullie niet naar ons luisteren en jullie je niet laten besnijden, dan nemen we onze dochter mee en vertrekken we.’

Hemor en zijn zoon Sichem vonden het een goed voorstel. De jonge man wilde meteen doen wat ze vroegen, want hij was erg verliefd op Jakobs dochter. En niemand in het huis van zijn vader had zo veel aanzien als hij.

Hemor en zijn zoon Sichem gingen dus naar de stadspoort en zeiden tegen de mannen van hun stad: ‘Deze mannen hebben vredelievende bedoelingen. Laat ze in het land wonen en er zaken doen, want er is genoeg ruimte voor hen in het land. Dan kunnen we met hun dochters trouwen en kunnen we onze dochters aan hen geven. Maar de mannen willen alleen op deze voorwaarde bij ons wonen en één volk worden: elke man onder ons moet besneden worden, net zoals zij besneden zijn. Hun bezittingen, hun rijkdom en al hun vee zullen dan van ons worden! Laten we dus op hun voorstel ingaan, dan komen ze bij ons wonen.’ Iedereen die bij de stadspoort aanwezig was, luisterde naar Hemor en zijn zoon Sichem, en alle mannen van die stad werden besneden.

Maar op de derde dag, terwijl de mannen nog pijn hadden, pakten twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broers van Dina, hun zwaard. Terwijl niemand in de stad iets vermoedde, gingen ze de stad in en doodden ze alle mannen. Ook Hemor en zijn zoon Sichem doodden ze met het zwaard. Vervolgens haalden ze Dina uit Sichems huis en vertrokken. Daarna kwamen de andere zonen van Jakob en zagen de slachtoffers. Ze plunderden de stad omdat hun zus onteerd was. Ze namen de schapen, runderen en ezels mee, en ook alles wat in de stad en op het veld was. Ze namen al hun bezittingen mee, namen hun vrouwen en kleine kinderen gevangen en plunderden de huizen leeg.

Hierop zei Jakob tegen Simeon en Levi: ‘Jullie hebben me in het ongeluk gestort door me gehaat te maken bij de bewoners van het land — de Kanaänieten en de Ferezieten. We zijn maar met weinig, en ze zullen me met zijn allen aanvallen en mij en mijn familie uitroeien.’ Maar zij zeiden: ‘Moeten we onze zus dan als een hoer laten behandelen?’

Daarna zei God tegen Jakob: ‘Vertrek naar Bethel en ga daar wonen. Maak er een altaar voor de ware God, die aan je verschenen is toen je op de vlucht was voor je broer Esau.’

Toen zei Jakob tegen zijn gezin en iedereen die bij hem was: ‘Doe de vreemde goden die jullie hebben weg, reinig je en doe andere kleren aan, en laten we naar Bethel gaan. Daar zal ik een altaar maken voor de ware God, die me heeft verhoord toen ik in moeilijkheden zat en die overal waar ik naartoe ging met me is geweest.’ Ze gaven Jakob dus alle vreemde goden die ze hadden en de oorringen die ze droegen, en Jakob begroef die onder de grote boom dicht bij Sichem.

Terwijl ze verder reisden, joeg God de omliggende steden angst aan, zodat ze de zonen van Jakob niet gingen achtervolgen. Uiteindelijk kwamen Jakob en alle mensen die bij hem waren in Luz, dat wil zeggen Bethel, in het land Kanaän. Daar bouwde hij een altaar en hij noemde de plaats El-Bethel, omdat de ware God zich daar aan hem had geopenbaard toen hij op de vlucht was voor zijn broer. Later stierf Debora, de voedster van Rebekka, en ze werd bij Bethel begraven onder een eik. Daarom noemde hij die Allon-Bachut.

Tijdens Jakobs reis vanuit Paddan-Aram verscheen God opnieuw aan hem, en hij zegende hem. God zei tegen hem: ‘Je heet Jakob, maar je zult niet langer Jakob worden genoemd. Israël zal je naam worden.’ Vanaf toen noemde hij hem Israël. God zei verder tegen hem: ‘Ik ben God de Almachtige. Wees vruchtbaar en word talrijk. Er zullen vele volken uit je voortkomen en koningen zullen van je afstammen. Het land dat ik aan Abraham en aan Isaäk heb gegeven, zal ik aan jou geven, en ook aan je nageslacht zal ik het land geven.’ Daarna ging God van hem weg en steeg op van de plaats waar hij met hem gesproken had.

Toen zette Jakob een zuil neer op de plaats waar hij met hem gesproken had, een stenen zuil, en hij goot er een drankoffer over uit en goot er olie over. En Jakob bleef de plaats waar God met hem had gesproken, Bethel noemen.

Daarna vertrokken ze uit Bethel. En terwijl ze nog een eind van Efrath waren, moest Rachel bevallen, en het was een heel moeilijke bevalling. Toen ze het tijdens de bevalling erg zwaar had, zei de vroedvrouw tegen haar: ‘Wees niet bang, want je krijgt opnieuw een zoon.’ Terwijl het leven uit haar wegvloeide (want ze stierf), gaf ze hem de naam Ben-Oni, maar zijn vader noemde hem Benjamin. Zo stierf Rachel, en ze werd begraven langs de weg naar Efrath, oftewel Bethlehem. Jakob plaatste een zuil op haar graf, en deze zuil staat tot op de dag van vandaag op Rachels graf.

Daarna trok Israël verder, en voorbij de toren van Eder zette hij zijn tent op. Terwijl Israël in dat gebied verbleef, sliep Ruben op een keer met Bilha, de bijvrouw van zijn vader, en Israël kwam het te weten.

Jakob had 12 zonen. De zonen van Lea waren Ruben, Jakobs eerstgeboren zoon, daarna Simeon, Levi, Juda, Issaschar en Zebulon. De zonen van Rachel waren Jozef en Benjamin. De zonen van Rachels slavin Bilha waren Dan en Naftali. En de zonen van Lea’s slavin Zilpa waren Gad en Aser. Dat zijn de zonen van Jakob, die hij in Paddan-Aram kreeg.

Uiteindelijk kwam Jakob bij zijn vader Isaäk in Mamré, in Kirjath-Arba, oftewel Hebron. Zowel Abraham als Isaäk had daar als vreemdeling gewoond. Isaäk leefde 180 jaar. Na een lang en rijk leven blies Isaäk de laatste adem uit en stierf, en hij werd tot zijn volk vergaderd. Zijn zonen Esau en Jakob begroeven hem.

Dit is de geschiedenis van Esau, dat wil zeggen Edom. Esau trouwde met vrouwen uit de dochters van Kanaän: met Ada, de dochter van de Hethiet Elon, met Oholibama, de dochter van Ana en de kleindochter van de Heviet Zibeon, en met Basmath, de dochter van Ismaël en de zus van Nebajoth. Ada schonk Esau Elifaz, Basmath schonk hem Rehuël en Oholibama schonk hem Jeüs, Jaëlam en Korach.

Dat zijn de zonen van Esau, die hij in het land Kanaän kreeg. Daarna ging Esau met zijn vrouwen, zijn zonen, zijn dochters en alle mensen die bij hem hoorden, en al zijn vee en alle rijkdom die hij in het land Kanaän vergaard had, naar een ander land, op enige afstand van zijn broer Jakob. Ze hadden namelijk zo veel bezittingen dat ze niet bij elkaar konden blijven wonen, en in het land waar ze woonden was niet genoeg ruimte omdat ze veel vee hadden. Daarom ging Esau in het bergland Seïr wonen. Esau wordt ook Edom genoemd.

En dit is de geschiedenis van Esau, de vader van Edom, in het bergland Seïr. Dit zijn de namen van de zonen van Esau: Elifaz, de zoon van Esaus vrouw Ada, en Rehuël, de zoon van Esaus vrouw Basmath. De zonen van Elifaz waren Teman, Omar, Zefo, Gaëtam en Kenaz. Timna werd de bijvrouw van Esaus zoon Elifaz. Na verloop van tijd schonk ze Elifaz Amalek.

Dat zijn de zonen van Esaus vrouw Ada. Dit zijn de zonen van Rehuël: Nahath, Zera, Samma en Mizza. Dat waren de zonen van Esaus vrouw Basmath. Dit waren de zonen van Esaus vrouw Oholibama, de dochter van Ana en de kleindochter van Zibeon: zij schonk Esau Jeüs, Jaëlam en Korach.

Dit zijn de stamhoofden die van Esau afstammen: de zonen van Esaus eerstgeboren zoon Elifaz: stamhoofd Teman, stamhoofd Omar, stamhoofd Zefo, stamhoofd Kenaz, stamhoofd Korach, stamhoofd Gaëtam en stamhoofd Amalek.

Dat zijn de stamhoofden van Elifaz in het land Edom. Dat zijn de zonen van Ada. Dit zijn de zonen van Esaus zoon Rehuël: stamhoofd Nahath, stamhoofd Zera, stamhoofd Samma en stamhoofd Mizza. Dat zijn de stamhoofden van Rehuël in het land Edom. Dat zijn de zonen van Esaus vrouw Basmath. Tot slot zijn dit de zonen van Esaus vrouw Oholibama: stamhoofd Jeüs, stamhoofd Jaëlam en stamhoofd Korach. Dat zijn de stamhoofden van Esaus vrouw Oholibama, de dochter van Ana. Dat zijn de zonen van Esau, oftewel Edom, en hun stamhoofden.

Dit zijn de zonen van de Horiet Seïr, de bewoners van het land: Lotan, Sobal, Zibeon, Ana, Dison, Ezer en Disan. Dat zijn de stamhoofden van de Horieten, de zonen van Seïr, in het land Edom. De zonen van Lotan waren Hori en Hemam, en de zus van Lotan was Timna. Dit zijn de zonen van Sobal: Alvan, Manahath, Ebal, Sefo en Onam.

Dit zijn de zonen van Zibeon: Ajja en Ana. Dit is de Ana die de warmwaterbronnen in de woestijn gevonden heeft toen hij voor zijn vader Zibeon de ezels hoedde. Dit zijn de kinderen van Ana: Dison en een dochter, Oholibama. Dit zijn de zonen van Dison: Hemdan, Esban, Jithran en Cheran.

Dit zijn de zonen van Ezer: Bilhan, Zaävan en Akan. Dit zijn de zonen van Disan: Uz en Aran. Dit zijn de stamhoofden van de Horieten: stamhoofd Lotan, stamhoofd Sobal, stamhoofd Zibeon, stamhoofd Ana, stamhoofd Dison, stamhoofd Ezer en stamhoofd Disan. Dat zijn de stamhoofden van de Horieten in het land Seïr.

Dit zijn de koningen die in het land Edom regeerden voordat er een koning over de Israëlieten regeerde. Bela, de zoon van Beor, regeerde in Edom. Zijn stad heette Dinhaba. Na de dood van Bela werd Jobab, de zoon van Zera uit Bozra, in zijn plaats koning. Na de dood van Jobab werd Husam uit het land van de Temanieten koning. Na de dood van Husam werd Hadad koning. Hij was de zoon van Bedad en versloeg de Midianieten in het gebied van Moab. Zijn stad heette Avith. Na de dood van Hadad werd Samla uit Masreka koning. Na de dood van Samla werd Saul uit Rehoboth aan de Rivier koning. Na de dood van Saul werd Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, koning. Na de dood van Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, werd Hadar koning. Zijn stad heette Paü en zijn vrouw was Mehetabeël, de dochter van Matred, de dochter van Mezahab.

Dit zijn de namen van de stamhoofden van Esau, ingedeeld volgens hun families en naar hun plaatsen: stamhoofd Timna, stamhoofd Alva, stamhoofd Jetheth, stamhoofd Oholibama, stamhoofd Ela, stamhoofd Pinon, stamhoofd Kenaz, stamhoofd Teman, stamhoofd Mibzar, stamhoofd Magdiël en stamhoofd Iram. Dat zijn de stamhoofden van Edom, ingedeeld volgens hun dorpen in het land dat ze bezaten. Dat was Esau, de vader van Edom.

Jakob bleef in het land Kanaän wonen, waar zijn vader als vreemdeling had gewoond.

Dit is de geschiedenis van Jakob. Toen Jozef 17 jaar oud was, hoedde hij de kudde samen met de zonen van Bilha en de zonen van Zilpa, de vrouwen van zijn vader. En Jozef vertelde aan hun vader dat zijn broers slechte dingen deden. Israël hield meer van Jozef dan van al zijn andere zonen omdat hij al oud was toen hij hem kreeg, en hij liet een speciaal gewaad voor hem maken. Toen zijn broers zagen dat hun vader meer van hem hield dan van hen, gingen ze hem haten, en ze konden niet meer vriendelijk met hem praten.

Later had Jozef een droom en hij vertelde die aan zijn broers, waardoor ze hem nog meer gingen haten. Hij zei tegen ze: ‘Moet je horen wat ik gedroomd heb. We waren midden op het land schoven aan het binden en toen kwam mijn schoof overeind en bleef rechtop staan. Jullie schoven kwamen eromheen staan en bogen voor de mijne.’ Zijn broers zeiden: ‘Wil je soms koning over ons worden en over ons heersen?’ Vanwege zijn dromen en wat hij zei, gingen ze hem dus nog meer haten.

Daarna had hij nog een droom, en hij vertelde die aan zijn broers: ‘Ik heb weer een droom gehad. Dit keer bogen de zon, de maan en 11 sterren voor mij.’ Toen hij dat aan zijn vader en aan zijn broers vertelde, wees zijn vader hem terecht en zei: ‘Wat betekent die droom van jou? Moeten ik, je moeder en je broers ons soms diep voor jou komen neerbuigen?’ En zijn broers werden jaloers op hem, maar zijn vader onthield wat Jozef had gezegd.

Op een keer lieten zijn broers de kudde van hun vader dicht bij Sichem grazen. Later zei Israël tegen Jozef: ‘Je broers zijn toch bij Sichem de kudde aan het hoeden? Ik wil graag dat je naar ze toe gaat.’ ‘Dat is goed’, antwoordde hij. Daarop zei hij tegen hem: ‘Ga alsjeblieft kijken of het goed gaat met je broers. Kijk ook hoe het met de kudde is en laat het mij dan weten.’ Zo stuurde hij hem vanuit het dal van Hebron naar Sichem.

Toen Jozef later in een veld rondzwierf, kwam hij een man tegen die hem vroeg: ‘Wat zoek je?’ Hij antwoordde: ‘Ik zoek mijn broers. Kunt u me vertellen waar ze de kudden hoeden?’ De man zei: ‘Ze zijn al vertrokken, want ik heb ze horen zeggen: “Laten we naar Dothan gaan.”’ Jozef ging zijn broers dus achterna en trof ze bij Dothan aan.

Ze zagen hem al in de verte aankomen en nog voordat hij bij ze was, begonnen ze een plan te smeden om hem te doden. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Kijk! Daar heb je die dromer. Kom, laten we hem doden en hem in een van de waterputten gooien. We zullen zeggen dat een wild dier hem heeft verslonden. Dan zullen we weleens zien wat er van zijn dromen terechtkomt.’ Toen Ruben dat hoorde, probeerde hij hem uit hun handen te redden. ‘Laten we hem niet om het leven brengen’, zei hij. ‘Vergiet geen bloed. Gooi hem in deze waterput in de wildernis, maar doe hem geen kwaad.’ Het was zijn bedoeling om hem uit hun handen te redden en hem naar zijn vader terug te brengen.

Zodra Jozef bij zijn broers was gekomen, trokken ze hem zijn kleed uit, het speciale gewaad dat hij droeg. Vervolgens pakten ze hem beet en gooiden hem in de waterput. De put was op dat moment leeg; er stond geen water in.

Daarna gingen ze zitten om te eten. Toen ze opkeken, zagen ze een karavaan Ismaëlieten uit Gilead aankomen. De kamelen waren beladen met gomhars, balsem en harsrijke schors, en ze waren op weg naar Egypte. Juda zei tegen zijn broers: ‘Wat hebben we eraan als we onze broer doden en zijn bloed bedekken? Kom, laten we hem aan de Ismaëlieten verkopen in plaats van hem te doden. Hij is tenslotte onze broer, ons eigen vlees en bloed.’ Ze luisterden naar hun broer.

Toen de Midianitische handelaars voorbijkwamen, trokken ze Jozef uit de waterput en verkochten ze hem voor 20 zilverstukken aan de Ismaëlieten. Die mannen namen Jozef mee naar Egypte.

Toen Ruben later weer bij de waterput kwam en zag dat Jozef er niet meer in zat, scheurde hij zijn kleren. Hij ging terug naar zijn broers en riep uit: ‘De jongen is weg! Wat moet ik nu?’ Ze namen Jozefs gewaad, slachtten een geitenbok en doopten het gewaad in het bloed. Daarna lieten ze het speciale gewaad naar hun vader brengen met de boodschap: ‘Dit hebben we gevonden. Wilt u eens kijken of dit het gewaad van uw zoon is?’ Jakob bekeek het en riep uit: ‘Dit is het gewaad van mijn zoon! Hij moet verslonden zijn door een wild dier! Jozef is vast in stukken gescheurd!’ Toen scheurde Jakob zijn kleren, deed een zak om zijn middel en rouwde lange tijd om zijn zoon. Al zijn zonen en dochters probeerden hem steeds te troosten, maar hij wilde niet getroost worden en zei: ‘Ik zal rouwend om mijn zoon het Graf in gaan!’ En zijn vader bleef om hem treuren.

Intussen verkochten de Midianieten Jozef in Egypte aan Potifar, een hofbeambte van de farao die aan het hoofd van de wachters stond.

Rond die tijd ging Juda bij zijn broers weg. Hij zette zijn tent neer in de buurt van de plaats waar Hira woonde, een Adullamitische man. Daar zag Juda de dochter van een Kanaäniet die Sua heette. Hij nam haar tot vrouw en sliep met haar, en ze werd zwanger. Later kreeg ze een zoon en Juda noemde hem Er. Ze werd opnieuw zwanger en kreeg een zoon die ze Onan noemde. Later kreeg ze nog een zoon, die ze de naam Selah gaf. Hij was in Achzib toen ze Selah ter wereld bracht.

Na verloop van tijd koos Juda een vrouw voor zijn eerstgeboren zoon Er, en haar naam was Tamar. Maar omdat Er, Juda’s eerstgeboren zoon, slecht was in Jehovah’s ogen, bracht Jehovah hem ter dood. Daarom zei Juda tegen Onan: ‘Sluit een zwagerhuwelijk met de vrouw van je broer. Slaap met haar en verwek nageslacht voor je broer.’ Maar Onan wist dat het nageslacht niet als dat van hem zou worden gezien. Dus liet hij telkens als hij gemeenschap met de vrouw van zijn broer had, zijn zaad op de grond terechtkomen om zijn broer geen nageslacht te geven. Jehovah keurde af wat hij deed en daarom bracht hij ook hem ter dood. Toen zei Juda tegen zijn schoondochter Tamar: ‘Ga als weduwe in het huis van je vader wonen totdat mijn zoon Selah volwassen is.’ Hij dacht namelijk: misschien sterft ook hij, net als zijn broers. Tamar ging dus weer in het huis van haar eigen vader wonen.

Na lange tijd stierf Juda’s vrouw, de dochter van Sua. Toen de rouwtijd voorbij was, ging Juda samen met zijn vriend, de Adullamiet Hira, naar zijn schaapscheerders in Timna. Tamar kreeg te horen: ‘Je schoonvader is op weg naar Timna om zijn schapen te scheren.’ Ze deed haar weduwekleding uit, sluierde zich en bedekte zich met een sjaal. Ze ging bij de poort van Enaïm zitten, dat op de weg naar Timna ligt. Selah was namelijk inmiddels volwassen en toch had haar schoonvader haar niet aan hem tot vrouw gegeven.

Toen Juda haar zag, dacht hij meteen dat ze een prostituee was, omdat ze haar gezicht bedekt had. Hij ging naar haar toe aan de kant van de weg en zei: ‘Ik wil graag met je naar bed.’ Hij wist namelijk niet dat ze zijn schoondochter was. Maar ze vroeg: ‘Wat zult u me in ruil daarvoor geven?’ Hij antwoordde: ‘Ik zal je een geitenbokje uit mijn kudde sturen.’ Toen zei ze: ‘Krijg ik tot die tijd een onderpand van u?’ ‘Wat voor onderpand zal ik je geven?’, vroeg hij. Ze antwoordde: ‘Uw zegelring met het snoer, en de staf die u in uw hand hebt.’ Hij gaf die aan haar en had gemeenschap met haar, en ze werd zwanger. Daarna stond ze op en vertrok. Ze deed de sjaal af en trok haar weduwekleding weer aan.

Juda stuurde zijn vriend, de Adullamiet, met het geitenbokje om het onderpand terug te krijgen van de vrouw, maar hij kon haar niet vinden. Hij informeerde bij de mannen van de plaats: ‘Waar is die tempelprostituee die in Enaïm langs de weg zat?’ Maar ze zeiden: ‘Er is hier nog nooit een tempelprostituee geweest.’ Uiteindelijk ging hij terug naar Juda en zei: ‘Ik heb haar nergens kunnen vinden, en bovendien zeiden de mannen van de plaats: “Er is hier nog nooit een tempelprostituee geweest.”’ Toen zei Juda: ‘Laat ze alles maar houden, anders maken we onszelf nog belachelijk. Ik heb in elk geval een geitenbokje gestuurd, maar jij kon haar niet vinden.’

Maar zo’n drie maanden later kreeg Juda te horen: ‘Je schoondochter Tamar heeft zich als een hoer gedragen en daardoor is ze nu zwanger.’ Daarop zei Juda: ‘Breng haar naar buiten. Ze moet verbrand worden!’ Toen ze haar kwamen halen, liet ze tegen haar schoonvader zeggen: ‘Ik ben zwanger van de eigenaar van deze voorwerpen.’ Ze zei verder: ‘Kijk eens goed van wie deze zegelring met dit snoer en deze staf zijn.’ Juda bekeek de voorwerpen en zei: ‘Ze is rechtvaardiger dan ik, want ik heb haar niet aan mijn zoon Selah gegeven.’ En hij had nooit meer gemeenschap met haar.

Toen ze moest bevallen, bleek ze een tweeling in haar buik te hebben. Tijdens de bevalling stak een van de twee zijn hand naar buiten, en de vroedvrouw deed meteen een rode draad om zijn hand. Ze zei: ‘Deze kwam als eerste tevoorschijn.’ Maar hij trok zijn hand weer terug en meteen kwam zijn broer tevoorschijn. Ze riep uit: ‘Wat heb jij een doorbraak veroorzaakt!’ Daarom werd hij Perez genoemd. Daarna kwam zijn broer tevoorschijn met de rode draad om zijn hand, en hij kreeg de naam Zera.

Jozef was door de Ismaëlieten naar Egypte gebracht. Een Egyptenaar die Potifar heette, een hofbeambte van de farao en hoofd van de wachters, had hem van hen gekocht. Maar Jehovah was met Jozef. Daardoor ging het in alles goed met hem, en hij werd aangesteld over het huis van zijn meester, de Egyptenaar. Zijn meester zag dat Jehovah met hem was en dat Jehovah hem liet slagen in alles wat hij deed.

Jozef kwam steeds meer bij zijn meester in de gunst en hij werd zijn persoonlijke bediende. Potifar stelde hem aan over zijn huis en gaf hem het toezicht over al zijn bezittingen. Vanaf het moment dat hij hem over zijn huis en zijn bezittingen had aangesteld, zegende Jehovah het huis van de Egyptenaar vanwege Jozef. En Jehovah’s zegen rustte op alles wat hij had, in het huis en op het veld. Uiteindelijk vertrouwde hij al zijn bezittingen aan Jozef toe. Hij hoefde zich nergens zorgen om te maken behalve om wat hij zou eten. En Jozef werd een knappe, goedgebouwde man.

Na verloop van tijd begon de vrouw van zijn meester verlangend naar Jozef te kijken en ze zei: ‘Kom bij me liggen.’ Maar hij weigerde dat en zei tegen de vrouw van zijn meester: ‘Nu ik hier ben, maakt mijn meester zich geen zorgen meer over wat er in het huis gebeurt, en al zijn bezittingen heeft hij aan mij toevertrouwd. Niemand in dit huis heeft een hogere positie dan ik, en hij heeft me helemaal niets onthouden behalve u, omdat u zijn vrouw bent. Hoe zou ik dan zoiets slechts kunnen doen en in feite zondigen tegen God?’

Dag in dag uit probeerde ze Jozef over te halen, maar hij gaf niet toe: hij ging niet bij haar liggen en hij bleef ook niet bij haar. Maar op een dag ging hij het huis binnen om zijn werk te doen terwijl er verder niemand van de bedienden in huis was. Ineens pakte ze hem bij zijn kleed en zei: ‘Kom bij me liggen!’ Maar hij liet zijn kleed in haar handen achter en vluchtte naar buiten.

Toen ze zag dat hij zijn kleed bij haar had achtergelaten en naar buiten was gevlucht, riep ze naar de bedienden en zei: ‘Mijn man heeft die Hebreeër in huis gehaald om ons belachelijk te maken! Hij wilde bij me komen liggen, maar ik ben heel hard gaan gillen. Toen hij me hoorde gillen en schreeuwen, liet hij zijn kleed naast me liggen en vluchtte naar buiten.’ Ze legde zijn kleed naast zich en wachtte totdat zijn meester thuiskwam.

Toen vertelde ze hem hetzelfde verhaal: ‘De Hebreeuwse slaaf die jij in huis hebt gehaald, is bij me gekomen om me belachelijk te maken. Maar toen ik begon te gillen en te schreeuwen, liet hij zijn kleed naast me liggen en vluchtte naar buiten.’ Zodra Potifar van zijn vrouw hoorde wat zijn slaaf haar had aangedaan, werd hij woedend. Hij liet Jozef oppakken en in de gevangenis zetten waar de gevangenen van de koning vastzaten. Zo belandde Jozef daar in de gevangenis.

Maar Jehovah was nog steeds met Jozef en bleef loyale liefde voor hem tonen. Hij zorgde ervoor dat hij bij het hoofd van de gevangenis in de gunst kwam. Het hoofd van de gevangenis gaf Jozef het toezicht over alle gevangenen. Jozef had de leiding over al het werk dat ze daar deden. Het hoofd van de gevangenis had totaal geen omkijken naar wat aan Jozef was toevertrouwd, want Jehovah was met Jozef. Jehovah liet hem slagen in alles wat hij deed.

Een tijd later zondigden de opperschenker en de opperbakker van de koning van Egypte tegen hun heer, de koning van Egypte. De farao werd kwaad op zijn twee dienaren, de opperschenker en de opperbakker. Hij liet ze opsluiten in het huis van het hoofd van de wachters, in de gevangenis waar ook Jozef zat. Het hoofd van de wachters stelde Jozef aan om voor hen te zorgen. En ze bleven een tijdlang in de gevangenis.

Terwijl de schenker en de bakker van de koning van Egypte in de gevangenis zaten, hadden ze allebei in dezelfde nacht een droom, en elke droom had zijn eigen betekenis. Toen Jozef de volgende ochtend bij ze kwam, zag hij dat ze somber waren. ‘Waarom kijken jullie vandaag zo somber?’, vroeg hij aan de dienaren van de farao die samen met hem in het huis van zijn meester gevangenzaten. Ze antwoordden: ‘We hebben allebei een droom gehad, maar er is hier niemand die onze droom kan uitleggen.’ Toen zei Jozef: ‘Alleen God kan toch uitleg geven? Vertel me eens wat jullie hebben gedroomd.’

De opperschenker vertelde Jozef dus wat hij had gedroomd: ‘In mijn droom zag ik een wijnstok. Aan die wijnstok zaten drie ranken. Hij liep uit, er kwamen bloesems aan en daaruit groeiden trossen rijpe druiven. En ik had de beker van de farao in mijn hand. Ik plukte de druiven en perste ze uit in zijn beker. Daarna gaf ik de beker aan de farao.’ Jozef zei tegen hem: ‘Dit is de betekenis: De drie ranken zijn drie dagen. Over drie dagen zal de farao je verheffen en hij zal je in je ambt herstellen. Je zult de farao weer zijn beker aanreiken, zoals je vroeger deed toen je nog zijn schenker was. Maar denk aan mij als het weer goed met je gaat. Toon alsjeblieft loyale liefde voor me en vertel de farao over mij, zodat ik uit deze gevangenis word vrijgelaten. Eigenlijk ben ik ontvoerd uit het land van de Hebreeën. En hier hebben ze me in de gevangenis gezet terwijl ik niets verkeerds heb gedaan.’

Toen de opperbakker merkte dat de uitleg gunstig was, zei hij tegen Jozef: ‘Ik heb ook een droom gehad: Ik had drie manden met wit brood op mijn hoofd. In de bovenste mand zat allerlei brood en gebak voor de farao, en er waren vogels die uit de mand boven op mijn hoofd aten.’ Jozef antwoordde: ‘Dit is de betekenis: De drie manden zijn drie dagen. Over drie dagen zal de farao je onthoofden en je aan een paal hangen. En de vogels zullen je vlees opeten.’

Drie dagen later was het de verjaardag van de farao. Hij hield een feestmaal voor al zijn dienaren en hij liet de opperschenker en de opperbakker bij zich komen in aanwezigheid van zijn dienaren. De opperschenker herstelde hij in zijn ambt, en voortaan reikte hij de farao weer de beker aan. Maar de opperbakker hing hij op, zoals Jozef hun had uitgelegd. De opperschenker dacht echter niet meer aan Jozef. Hij vergat hem.

Twee volle jaren later droomde de farao dat hij aan de rivier de Nijl stond. Uit de rivier kwamen zeven mooie, vette koeien, en ze gingen in het gras langs de Nijl grazen. Daarna kwamen er zeven andere koeien uit de Nijl, lelijke en magere koeien. Ze gingen naast de vette koeien aan de oever van de Nijl staan. Vervolgens aten de lelijke, magere koeien de zeven mooie, vette koeien op. Toen werd de farao wakker.

Hij viel weer in slaap en had een tweede droom. Er was één korenhalm waaruit zeven mooie, dikke aren groeiden. Daarna groeiden er zeven aren die dun waren en verschroeid door de oostenwind. En de dunne aren slokten de zeven mooie, dikke aren op. Toen werd de farao wakker en hij besefte dat het een droom was.

’s Morgens was hij erg verontrust. Hij riep alle magiërs van Egypte en alle wijzen van het land bij zich. De farao vertelde hun zijn dromen, maar niemand kon ze aan hem uitleggen.

Toen zei de opperschenker tegen de farao: ‘Vandaag wil ik u mijn zonden bekennen. U was kwaad op uw dienaren en daarom zette u me gevangen in het huis van het hoofd van de wachters, zowel mij als de opperbakker. Daarna hadden we in dezelfde nacht allebei een droom. Elk van ons had een droom met een eigen betekenis. Er was daar bij ons een jonge Hebreeuwse man, een dienaar van het hoofd van de wachters. Toen we onze dromen aan hem vertelden, legde hij ons uit wat elke droom betekende. Het gebeurde precies zoals hij het ons had uitgelegd. Ik werd in mijn ambt hersteld, maar de bakker werd opgehangen.’

Hierop liet de farao Jozef roepen, en ze haalden hem vlug uit de gevangenis. Jozef schoor zich, deed andere kleren aan en ging naar de farao. De farao zei tegen hem: ‘Ik heb een droom gehad, maar er is niemand die hem kan uitleggen. Nu heb ik over jou horen zeggen dat je een droom maar hoeft te horen of je kunt hem uitleggen.’ Jozef antwoordde: ‘Het gaat niet om mij! God zal de farao een gunstige boodschap geven.’

De farao vertelde Jozef: ‘In mijn droom stond ik aan de oever van de Nijl. Uit de Nijl kwamen zeven mooie, vette koeien, en ze gingen in het gras langs de Nijl grazen. Daarna kwamen er zeven andere koeien: mager, uitgemergeld en erg lelijk. Ik heb in heel Egypte nog nooit zulke lelijke koeien gezien. En de magere, lelijke koeien aten de zeven vette koeien op. Maar nadat ze die hadden opgegeten, was daar niets van te merken, want ze zagen er nog net zo slecht uit als in het begin. Toen werd ik wakker.

Daarna zag ik in mijn droom een korenhalm waaruit zeven mooie, dikke aren groeiden. Vervolgens groeiden er zeven verschrompelde aren die dun waren en verschroeid door de oostenwind. En de dunne aren slokten de zeven dikke aren op. Ik heb dit aan de magiërs verteld, maar niemand kon het me uitleggen.’

Toen zei Jozef tegen de farao: ‘De dromen van de farao hebben dezelfde betekenis. De ware God heeft de farao bekendgemaakt wat Hij gaat doen. De zeven goede koeien zijn zeven jaren, en ook de zeven goede aren zijn zeven jaren. De dromen betekenen hetzelfde. De zeven magere, slechte koeien die na de eerste kwamen, zijn zeven jaren, en de zeven lege aren die waren verschroeid door de oostenwind, zullen zeven jaren van hongersnood zijn. Het is zoals ik tegen u zei: de ware God heeft de farao laten zien wat hij gaat doen.

Er komen zeven jaren van grote overvloed in heel Egypte. Maar daarna zullen er zeven jaren van hongersnood aanbreken, en alle overvloed in Egypte zal vergeten worden en de hongersnood zal het land uitputten. De hongersnood zal zo zwaar zijn dat er niemand meer zal terugdenken aan de eerdere overvloed in het land. Dat u de droom twee keer hebt gekregen, betekent dat het besluit van de ware God vaststaat, en de ware God gaat het binnenkort uitvoeren.

Laat de farao daarom een verstandig en wijs man zoeken en die over Egypte aanstellen. Laat de farao maatregelen nemen en in het land opzichters aanstellen, en laat hij tijdens de zeven jaren van overvloed een vijfde van de opbrengst van Egypte vorderen. Ze moeten in de komende goede jaren al het voedsel verzamelen. Op bevel van de farao moeten ze in de steden graan opslaan en het goed bewaren. Het voedsel moet dienen als voorraad voor het land tijdens de zeven jaren van hongersnood die over het land zullen komen, zodat Egypte niet van honger omkomt.’

De farao en al zijn dienaren vonden het een goed voorstel. De farao zei dus tegen zijn dienaren: ‘Is er iemand anders te vinden zoals deze man, in wie de geest van God is?’ Toen zei de farao tegen Jozef: ‘Omdat God jou dit allemaal heeft laten weten, is er niemand zo verstandig en wijs als jij. Jij krijgt de leiding over mijn huis, en mijn hele volk zal je onvoorwaardelijk gehoorzamen. Alleen ik zal hoger zijn dan jij omdat ik koning ben.’ En de farao vervolgde: ‘Ik stel je aan over het hele land Egypte.’ Toen deed de farao zijn zegelring af en deed die aan Jozefs hand. Hij liet hem kleding van fijn linnen aantrekken en hing een gouden ketting om zijn hals. Bovendien liet hij hem rondrijden in zijn tweede erewagen, en ze riepen voor hem uit: ‘Avrekh!’ Zo stelde hij hem aan over heel Egypte.

Verder zei de farao tegen Jozef: ‘Ik ben de farao, maar zonder jouw toestemming mag niemand in heel Egypte ook maar iets doen.’ Daarna gaf de farao Jozef de naam Zafnath Paäneach en hij gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, de priester van On, tot vrouw. Zo kreeg Jozef het toezicht over Egypte. Jozef was 30 jaar oud toen hij voor de farao, de koning van Egypte, verscheen.

Toen ging Jozef bij de farao weg en hij reisde heel Egypte door. Tijdens de zeven jaren van overvloed leverde het land steeds een rijke oogst op. Hij verzamelde al het voedsel dat Egypte in die zeven jaar opleverde, en hij sloeg het op in de steden. In elke stad sloeg hij de opbrengst van de omliggende akkers op. Jozef bleef enorme hoeveelheden graan opslaan, als het zand van de zee, totdat ze het uiteindelijk opgaven de hoeveelheid bij te houden, want het was gewoon niet meer bij te houden.

Voordat het jaar van de hongersnood aanbrak, kregen Jozef en Asnath, de dochter van Potifera, de priester van On, twee zonen. Jozef noemde zijn eerstgeboren zoon Manasse, want hij zei: ‘God heeft me al mijn problemen en het hele huis van mijn vader laten vergeten.’ De tweede noemde hij Efraïm, want hij zei: ‘God heeft me vruchtbaar gemaakt in het land van mijn ellende.’

Aan de zeven jaren van overvloed in Egypte kwam een eind, en de zeven jaren van hongersnood braken aan, zoals Jozef had gezegd. In alle landen ontstond hongersnood, maar in heel Egypte was er brood. Uiteindelijk kreeg ook heel Egypte te lijden van de hongersnood, en het volk kwam bij de farao luid om brood roepen. Toen zei de farao tegen de Egyptenaren: ‘Ga naar Jozef en doe wat hij jullie zegt.’ Overal op aarde was er honger. Toen opende Jozef alle graanschuren en verkocht hij het graan aan de Egyptenaren, want de hongersnood hield Egypte stevig in zijn greep. Bovendien kwamen er mensen uit alle landen naar Egypte om bij Jozef graan te kopen, want de hongersnood had de hele aarde in zijn greep.

Toen Jakob hoorde dat er in Egypte graan was, zei hij tegen zijn zonen: ‘Wat zitten jullie elkaar aan te kijken? Ik heb gehoord dat er in Egypte graan is. Ga ernaartoe en koop wat graan voor ons, zodat we in leven blijven en niet sterven.’ Hierop vertrokken tien van Jozefs broers naar Egypte om graan te kopen. Maar Jakob liet Benjamin, Jozefs broer, niet met zijn broers meegaan, want hij zei: ‘Stel dat hij een dodelijk ongeluk krijgt.’

Zo kwamen Israëls zonen graan kopen, samen met anderen, want de hongersnood had zich uitgebreid tot het land Kanaän. Jozef bestuurde het land en hij was degene die graan verkocht aan alle mensen op aarde. Toen Jozefs broers bij hem kwamen, bogen ze diep voor hem. Jozef zag zijn broers en herkende ze meteen, maar hij liet niet merken wie hij was. Hij vroeg hun op strenge toon: ‘Waar komen jullie vandaan?’ Ze antwoordden: ‘We komen uit Kanaän om voedsel te kopen.’

Jozef herkende zijn broers dus wel, maar zij herkenden hem niet. Onmiddellijk dacht Jozef aan de dromen die hij over hen had gehad, en hij zei tegen ze: ‘Jullie zijn spionnen! Jullie zijn gekomen om te kijken wat de zwakke plekken van het land zijn!’ Ze antwoordden: ‘Nee, mijn heer, uw dienaren zijn gekomen om voedsel te kopen. We zijn allemaal zonen van dezelfde man. We zijn eerlijke mensen. Uw dienaren zijn geen spionnen.’ Maar hij zei: ‘Dat is niet waar! Jullie zijn gekomen om te kijken wat de zwakke plekken van het land zijn!’ Daarop zeiden ze: ‘Mijn heer, wij zijn 12 broers, zonen van dezelfde man in Kanaän. De jongste is nu bij onze vader en één is er niet meer.’

Maar Jozef zei: ‘Ik blijf erbij: jullie zijn spionnen! Ik zal nagaan of jullie de waarheid spreken: Zo zeker als de farao leeft, jullie zullen hier niet vertrekken voordat jullie jongste broer hierheen gekomen is. Laat een van jullie teruggaan om jullie broer te halen, terwijl jullie gevangen blijven. Zo kan ik zien of jullie de waarheid spreken. En zo niet, dan zijn jullie spionnen, zo zeker als de farao leeft.’ En hij liet ze drie dagen samen opsluiten.

Op de derde dag zei Jozef tegen ze: ‘Ik heb ontzag voor God. Doe dus wat ik zeg en blijf in leven. Als jullie eerlijke mensen zijn, laat dan een van jullie broers hier in de gevangenis achter. De rest mag vertrekken en graan meenemen om de honger van jullie gezinnen te stillen. Breng vervolgens jullie jongste broer bij me. Dan zal blijken dat jullie de waarheid hebben gesproken en zullen jullie niet sterven.’ Ze stemden daarmee in.

Ze zeiden tegen elkaar: ‘We worden vast gestraft vanwege onze broer, want we zagen zijn wanhoop toen hij ons om genade smeekte, maar we hebben niet naar hem geluisterd. Daarom overkomt ons deze ellende.’ Toen zei Ruben tegen ze: ‘Ik had jullie toch gezegd: “Doe de jongen geen kwaad”? Maar jullie wilden niet luisteren. En nu worden we ter verantwoording geroepen vanwege zijn bloed.’ Maar ze wisten niet dat Jozef hen kon verstaan, want ze spraken met hem via een tolk. Hij trok zich terug en begon te huilen. Toen hij terugkwam, sprak hij opnieuw met hen. Hij koos Simeon uit en liet hem voor hun ogen in de boeien slaan. Daarna gaf Jozef opdracht hun zakken met graan te vullen, het geld van elke man in zijn zak terug te leggen en ze proviand mee te geven voor de reis. En het werd zo.

Ze laadden het graan op hun ezels en vertrokken. Toen een van hen op de plaats waar ze zouden overnachten zijn zak openmaakte om zijn ezel voer te geven, zag hij boven in de zak zijn geld liggen. Hij zei tegen zijn broers: ‘Ze hebben mijn geld teruggegeven! Kijk, het zit hier in mijn zak!’ De schrik sloeg ze om het hart en ze zeiden angstig tegen elkaar: ‘Wat heeft God ons nu aangedaan?’

Toen ze bij hun vader Jakob in Kanaän kwamen, vertelden ze hem wat hun allemaal was overkomen. Ze zeiden: ‘De man die het land bestuurt, was heel onvriendelijk tegen ons en beschuldigde ons ervan dat we spionnen waren. Maar we zeiden tegen hem: “We zijn eerlijke mensen. We zijn geen spionnen. Wij zijn 12 broers, zonen van dezelfde vader. Eén is er niet meer en de jongste is nu bij onze vader in Kanaän.” Maar de man die het land bestuurt, zei tegen ons: “Zo zal ik weten of jullie eerlijke mensen zijn: Laat een van jullie broers bij mij. Neem iets mee om de honger van jullie gezinnen te stillen en vertrek. Breng jullie jongste broer bij me, zodat ik weet dat jullie geen spionnen zijn maar eerlijke mensen. Dan zal ik jullie broer aan jullie teruggeven en mogen jullie zakendoen in het land.”’

Bij het leegmaken van hun zakken vonden ze allemaal hun geldbuidel in hun zak. Toen zij en hun vader de geldbuidels zagen, werden ze bang. Hun vader Jakob riep uit: ‘Jullie pakken mijn kinderen van me af! Jozef is er niet meer, Simeon is er niet meer en nu willen jullie ook nog Benjamin meenemen! Dat mij dat allemaal moet overkomen!’ Toen zei Ruben tegen zijn vader: ‘U mag mijn eigen twee zonen doden als ik hem niet bij u terugbreng. Vertrouw hem aan mij toe, ik zal hem bij u terugbrengen.’ Maar hij zei: ‘Mijn zoon gaat niet met jullie mee, want zijn broer is dood en hij is de enige die nog is overgebleven. Als hem tijdens de reis een dodelijk ongeluk overkomt, dan zou ik door jullie schuld op mijn oude dag rouwend het graf in gaan.’

De hongersnood in het land was zwaar. Toen het graan dat ze uit Egypte hadden meegenomen op was, zei hun vader tegen ze: ‘Ga terug en koop wat eten voor ons.’ Juda antwoordde: ‘De man heeft ons duidelijk gewaarschuwd: “Jullie mogen me alleen onder ogen komen als jullie je broer meebrengen.” Als u onze broer met ons mee stuurt, zullen we gaan en eten voor u kopen. Maar als u hem niet mee stuurt, zullen we niet gaan, want de man heeft tegen ons gezegd: “Jullie mogen me alleen onder ogen komen als jullie je broer meebrengen.”’ ‘Wat hebben jullie me aangedaan?’, zei Israël. ‘Waarom hebben jullie die man verteld dat jullie nog een broer hadden?’ Ze antwoordden: ‘De man informeerde rechtstreeks naar ons en onze familie. Hij vroeg: “Leeft jullie vader nog? Hebben jullie nog een broer?” En we hebben die vragen gewoon beantwoord. Hoe konden wij nu weten dat hij zou zeggen: “Breng jullie broer hier”?’

Toen drong Juda bij zijn vader Israël aan: ‘Laat de jongen met me meegaan, zodat we kunnen vertrekken. Dan blijven we in leven en zullen we niet sterven — wij en u en onze kinderen. Ik sta in voor zijn veiligheid. U mag mij verantwoordelijk stellen. Als ik hem niet veilig bij u terugbreng, dan heb ik voor altijd tegen u gezondigd. Trouwens, we hebben nu zo lang gewacht dat we al twee keer heen en weer hadden kunnen gaan.’

Hun vader Israël zei tegen hen: ‘Als het niet anders kan, doe dan het volgende: Doe de beste producten van het land in jullie zakken en neem ze mee als geschenk voor de man: wat balsem, wat honing, gomhars, harsrijke schors, pistachenoten en amandelen. Neem twee keer zo veel geld mee, en neem ook het geld mee terug dat boven in jullie zakken was gelegd. Misschien was het een vergissing. Neem jullie broer mee en ga terug naar de man. Ik hoop dat God de Almachtige ervoor zorgt dat de man medelijden met jullie heeft, zodat hij jullie andere broer en Benjamin vrijlaat. En als ik mijn kinderen moet verliezen, dan moet het maar zo zijn!’

De mannen namen dit geschenk en twee keer zo veel geld mee. Toen gingen ze met Benjamin op weg naar Egypte en ze verschenen opnieuw voor Jozef. Toen Jozef zag dat Benjamin bij hen was, zei hij meteen tegen de man die over zijn huis ging: ‘Breng de mannen naar het huis. Slacht dieren en maak een maaltijd klaar, want de mannen eten vanmiddag bij mij.’ De man deed onmiddellijk wat Jozef hem opdroeg en bracht hen naar Jozefs huis. Maar de mannen werden bang toen ze naar zijn huis werden gebracht. Ze zeiden: ‘We worden hierheen gebracht vanwege het geld dat de vorige keer in onze zakken was teruggelegd. Ze gaan ons vast aanvallen, onze ezels afpakken en slaven van ons maken!’

Ze gingen dus naar de man toe die over Jozefs huis ging en spraken hem aan bij de ingang van het huis. Ze zeiden: ‘Neem ons niet kwalijk, heer. We zijn hier al eerder geweest om eten te kopen. Maar toen we op de plaats kwamen waar we zouden overnachten en we onze zakken openmaakten, ontdekten we dat bij ons allemaal het geld boven in onze zak lag, het volle bedrag. We willen het graag persoonlijk teruggeven. Bovendien hebben we meer geld meegenomen om eten te kopen. We weten niet wie het geld in onze zakken heeft gelegd.’ Toen zei hij: ‘Het zit wel goed. Maak je geen zorgen, jullie geld is eerst bij mij gekomen. Het is jullie God en de God van jullie vader die een schat in jullie zakken heeft gelegd.’ Daarna bracht hij Simeon bij ze.

Vervolgens bracht de man hen in het huis van Jozef. Hij gaf ze water om hun voeten te wassen en voer voor hun ezels. Ze maakten het geschenk klaar voordat Jozef ’s middags kwam, want ze hadden gehoord dat ze daar de maaltijd zouden gebruiken. Toen Jozef het huis binnenkwam, brachten ze het geschenk naar hem toe en bogen diep voor hem. Hij vroeg hoe het met ze ging en zei: ‘Hoe gaat het met jullie bejaarde vader, over wie jullie me hebben verteld? Leeft hij nog?’ Ze antwoordden: ‘Het gaat goed met onze vader, uw dienaar. Hij leeft nog.’ Toen bogen ze opnieuw diep voor hem.

Toen hij opkeek en zijn broer Benjamin zag, de zoon van zijn moeder, vroeg hij: ‘Is dit jullie jongste broer, over wie jullie me hebben verteld?’ Vervolgens zei hij: ‘Mag God je zegenen, jongen.’ Daarna haastte Jozef zich naar buiten, want bij het zien van zijn broer kon hij zijn emoties niet meer beheersen, en hij zocht een plaats waar hij kon huilen. Hij trok zich terug in een kamer en barstte in tranen uit. Toen waste hij zijn gezicht en kwam de kamer uit. Hij had zichzelf weer in bedwang en zei: ‘Dien de maaltijd op.’ Er werd apart voor hem opgediend, en apart voor zijn broers en voor de Egyptenaren die bij hem aten. De Egyptenaren konden namelijk niet samen met de Hebreeën eten, want de Egyptenaren vinden dat afschuwelijk.

De broers kregen een plaats tegenover hem op volgorde van leeftijd: van de oudste, volgens zijn eerstgeboorterecht, tot de jongste. En de broers keken elkaar steeds vol verbazing aan. Hij liet telkens porties van zijn tafel naar die van hen brengen, maar Benjamins portie maakte hij vijf keer zo groot als die van de anderen. Zo bleven ze tijdens het feestmaal eten en drinken totdat ze genoeg hadden.

Later gaf hij de man die over zijn huis ging de opdracht: ‘Vul de zakken van de mannen met zo veel eten als ze kunnen dragen en leg het geld van elk van hen boven in zijn zak. Maar leg mijn beker, de zilveren beker, boven in de zak van de jongste, samen met het geld voor zijn graan.’ De man deed wat Jozef hem opdroeg.

’s Morgens, toen het licht was geworden, vertrokken de mannen met hun ezels. Ze waren nog maar net de stad uit of Jozef zei tegen de man die over zijn huis ging: ‘Vlug, ga achter de mannen aan! Als je ze inhaalt, moet je tegen ze zeggen: “Waarom hebben jullie goed met kwaad vergolden? Waarom hebben jullie de beker meegenomen waaruit mijn meester drinkt en die hij gebruikt om voortekens te lezen? Jullie hebben iets heel slechts gedaan.”’

Hij haalde ze in en zei wat hem was opgedragen. Maar ze zeiden: ‘Waarom zegt mijn heer dat? Zoiets zouden uw dienaren nooit doen. Het geld dat we boven in onze zakken hebben gevonden, hebben we vanuit Kanaän naar u teruggebracht. Waarom zouden we dan zilver of goud uit het huis van uw meester stelen? Als de beker bij een van ons gevonden wordt, moet hij sterven en de anderen zullen slaven van mijn meester worden.’ Hij zei: ‘Het zal gebeuren zoals jullie zeggen. Degene bij wie de beker gevonden wordt, zal mijn slaaf worden, maar de rest van jullie zal onschuldig zijn.’ Daarop zetten ze allemaal snel hun eigen zak op de grond en maakten die open. Hij doorzocht ze grondig. Hij begon bij de oudste en eindigde bij de jongste. Uiteindelijk werd de beker gevonden in Benjamins zak.

Toen scheurden ze hun kleren. Ze tilden allemaal hun lading weer op de ezels en gingen terug naar de stad. Juda en zijn broers kwamen Jozefs huis binnen terwijl hij daar nog steeds was, en ze vielen voor hem op hun knieën. Jozef zei tegen ze: ‘Wat hebben jullie gedaan? Wisten jullie niet dat een man als ik heel goed voortekens kan lezen?’ Hierop zei Juda: ‘Heer, wat moeten we hierop antwoorden? Wat kunnen we zeggen? Hoe kunnen we onze onschuld bewijzen? De ware God heeft de misdaad van uw slaven ontdekt. We zijn nu uw slaven, zowel wij als degene bij wie de beker is gevonden!’ Maar hij zei: ‘Geen denken aan! Alleen de man bij wie de beker is gevonden, zal mijn slaaf worden. De rest mag in vrede naar jullie vader teruggaan.’

Juda kwam naar voren en zei: ‘Ik smeek u, heer, laat uw slaaf alstublieft in uw aanwezigheid spreken. U bent net zo machtig als de farao zelf, maar word niet boos op uw slaaf. U vroeg aan uw slaven: “Hebben jullie nog een vader of een broer?” We zeiden dus: “Ja heer, we hebben een bejaarde vader en nog een broer, de jongste. Hij is geboren toen onze vader al oud was. Maar zijn broer is dood, zodat hij als enige zoon van zijn moeder is overgebleven, en zijn vader houdt heel veel van hem.” U zei toen tegen uw slaven: “Breng hem naar me toe, zodat ik hem kan zien.” Maar we antwoordden: “De jongen kan niet bij zijn vader weg. Als hij wel zou weggaan, zou zijn vader zeker sterven.” Toen zei u tegen uw slaven: “Als jullie je jongste broer niet meebrengen, mogen jullie me niet meer onder ogen komen.”

We gingen dus naar mijn vader, uw slaaf, en vertelden hem wat u had gezegd. Later zei onze vader: “Ga terug en koop wat eten voor ons.” Maar we zeiden: “We kunnen niet teruggaan. We gaan alleen als onze jongste broer bij ons is, want we mogen de man niet onder ogen komen als we onze jongste broer niet bij ons hebben.” Toen zei mijn vader, uw slaaf, tegen ons: “Jullie weten heel goed dat mijn vrouw mij maar twee zonen heeft geschonken. Een van hen is niet meer bij me. Ik zei: ‘Hij is vast in stukken gescheurd!’, en ik heb hem tot nu toe niet meer gezien. Als jullie ook deze zoon bij me weghalen en hem een dodelijk ongeluk overkomt, dan zou ik door jullie schuld op mijn oude dag verteerd door verdriet het graf in gaan.”

Mijn vader, uw slaaf, houdt net zo veel van de jongen als van zijn eigen leven. Als ik nu zonder hem terugkom en hij ziet dat de jongen er niet is, zal hij sterven, en dan zal onze vader, uw slaaf, door onze schuld op zijn oude dag rouwend het graf in gaan. Ikzelf sta bij mijn vader borg voor de jongen. Ik heb gezegd: “Als ik hem niet bij u terugbreng, zal ik voor altijd tegen mijn vader gezondigd hebben.” Laat mij nu alstublieft bij u blijven en uw slaaf worden in plaats van de jongen, zodat hij met zijn broers terug kan gaan. Hoe kan ik zonder de jongen naar mijn vader teruggaan? Het verdriet dat mijn vader dan treft, zou ik niet kunnen aanzien!’

Toen kon Jozef zich niet langer goed houden in het bijzijn van zijn bedienden. Daarom riep hij: ‘Laat iedereen weggaan!’ Er was verder niemand bij toen Jozef aan zijn broers vertelde wie hij was. Hij begon zo hard te huilen dat de Egyptenaren het hoorden en dat het huis van de farao het hoorde. Uiteindelijk zei Jozef tegen zijn broers: ‘Ik ben Jozef. Leeft mijn vader nog?’ Maar zijn broers konden van schrik geen woord uitbrengen. Daarom zei Jozef tegen zijn broers: ‘Kom toch dichterbij.’ Dat deden ze.

Vervolgens zei hij: ‘Ik ben Jozef, jullie broer, die jullie aan de Egyptenaren hebben verkocht. Maar wees niet bang en maak elkaar geen verwijten dat jullie me aan de Egyptenaren hebben verkocht. Want God heeft me voor jullie uit gestuurd om levens te redden. Het is nu het tweede jaar dat er hongersnood in het land is, en er komen nog vijf jaren waarin er niet geploegd of geoogst zal worden. Maar God heeft me voor jullie uit gestuurd om jullie voortbestaan op aarde veilig te stellen en om jullie op een grootse manier te bevrijden en in leven te houden. Ik ben dus niet door jullie hierheen gestuurd, maar door de ware God, zodat hij me kon aanstellen als belangrijkste raadgever van de farao, als heer over zijn hele huis en als bestuurder over heel Egypte.

Ga snel terug naar mijn vader en zeg tegen hem: “Dit heeft uw zoon Jozef gezegd: ‘God heeft me aangesteld als heer over heel Egypte. Kom zo snel mogelijk naar me toe. U kunt dicht bij mij wonen, in de streek Gosen, samen met uw zonen, uw kleinzonen, uw schapen, uw runderen en alles wat u bezit. Ik zal ervoor zorgen dat u daar te eten hebt, want er komen nog vijf jaren van hongersnood. Dan zullen u, uw huis en alles wat u bezit geen armoede lijden.’” Jullie en mijn broer Benjamin kunnen nu met eigen ogen zien dat ik het echt ben die tot jullie spreekt. Vertel mijn vader over de hoge positie die ik in Egypte heb en over alles wat jullie hebben gezien. Haast je dus en breng mijn vader hierheen.’

Toen viel hij zijn broer Benjamin om de hals en huilde, en ook Benjamin huilde terwijl hij hem omhelsde. Vervolgens kuste hij al zijn broers en omhelsde hen huilend, waarna zijn broers met hem spraken.

Het nieuws dat Jozefs broers waren gekomen, bereikte het huis van de farao. En de farao en zijn dienaren waren heel blij toen ze dat hoorden. Daarom zei de farao tegen Jozef: ‘Zeg tegen je broers het volgende: “Bepak jullie lastdieren en ga naar Kanaän. Haal jullie vader en jullie gezinnen op en breng ze hierheen. Ik zal jullie het goede van Egypte geven en jullie zullen eten van het beste deel van het land.” En zeg ook het volgende tegen ze: “Neem uit Egypte wagens mee zodat jullie daarmee jullie kinderen, jullie vrouwen en jullie vader hierheen kunnen brengen. Maak je niet druk over jullie bezittingen, want het beste van heel Egypte is voor jullie.”’

De zonen van Israël deden wat hun gezegd was. Jozef gaf ze wagens mee, zoals de farao had opgedragen, en hij gaf ze proviand voor de reis. Aan elk van hen gaf hij een stel nieuwe kleren, maar aan Benjamin gaf hij 300 zilverstukken en vijf stel nieuwe kleren. En aan zijn vader stuurde hij het volgende: tien ezels beladen met goede dingen uit Egypte en tien ezelinnen beladen met graan, brood en proviand voor de reis van zijn vader. Zo liet hij zijn broers op weg gaan, en bij hun vertrek zei hij tegen ze: ‘Word onderweg niet boos op elkaar.’

Toen vertrokken ze uit Egypte en ze kwamen bij hun vader Jakob in Kanaän. Ze vertelden hem: ‘Jozef leeft nog, en hij is de bestuurder van heel Egypte!’ Maar hij bleef onbewogen bij dat bericht, want hij geloofde ze niet. Toen ze hun vader Jakob vertelden wat Jozef allemaal tegen ze had gezegd en toen hij de wagens zag die Jozef had gestuurd om hem te vervoeren, leefde hij op. Israël riep uit: ‘Nu weet ik genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog! Ik moet naar hem toe om hem te zien voordat ik sterf!’

Israël ging dus op weg met alles wat hij had. Toen hij in Berseba aankwam, bracht hij slachtoffers aan de God van zijn vader Isaäk. Toen sprak God ’s nachts in een visioen tot Israël en zei: ‘Jakob, Jakob!’, waarop hij zei: ‘Hier ben ik!’ Hij zei: ‘Ik ben de ware God, de God van je vader. Wees niet bang om naar Egypte te gaan, want ik zal daar een groot volk van je maken. Ikzelf zal met je meegaan naar Egypte en ikzelf zal je ook weer terugbrengen. En Jozef zal zijn hand op je ogen leggen.’

Daarna vertrok Jakob uit Berseba, en de zonen van Israël vervoerden hun vader Jakob, hun kinderen en hun vrouwen op de wagens die de farao had gestuurd om hem te vervoeren. Ze namen hun kudden en hun bezittingen mee die ze in Kanaän verzameld hadden. Zo kwamen Jakob en al zijn nakomelingen in Egypte. Hij nam zijn zonen en zijn kleinzonen, zijn dochters en zijn kleindochters mee naar Egypte — al zijn nakomelingen.

Dit zijn de namen van Israëls zonen — Jakob en zijn zonen — die naar Egypte kwamen: Jakobs eerstgeboren zoon was Ruben. De zonen van Ruben waren Hanoch, Pallu, Hezron en Karmi. De zonen van Simeon waren Jemuël, Jamin, Ohad, Jachin, Zohar en Saul, de zoon van een Kanaänitische vrouw. De zonen van Levi waren Gerson, Kehath en Merari. De zonen van Juda waren Er, Onan, Selah, Perez en Zera. Maar Er en Onan waren in Kanaän gestorven. De zonen van Perez waren Hezron en Hamul. De zonen van Issaschar waren Tola, Puva, Job en Simron. De zonen van Zebulon waren Sered, Elon en Jahleël. Dat waren de zonen van Lea, die ze Jakob in Paddan-Aram schonk. Ook schonk ze hem zijn dochter Dina. In totaal waren het 33 zonen en dochters. De zonen van Gad waren Zifjon, Haggi, Suni, Ezbon, Eri, Arodi en Areli. De zonen van Aser waren Jimna, Jisva, Jisvi en Beria, en hun zus was Serah. De zonen van Beria waren Heber en Malkiël. Dat waren de zonen van Zilpa, die door Laban aan zijn dochter Lea was gegeven. Zij schonk Jakob in totaal nakomelingen. De zonen van Jakobs vrouw Rachel waren Jozef en Benjamin. Jozef kreeg in Egypte Manasse en Efraïm bij Asnath, de dochter van Potifera, de priester van On. De zonen van Benjamin waren Bela, Becher, Asbel, Gera, Naäman, Ehi, Ros, Muppim, Huppim en Ard. Dat waren de zonen van Jakob en Rachel: in totaal 14 personen. De zoon van Dan was Husim. De zonen van Naftali waren Jahzeël, Guni, Jezer en Sillem. Dat waren de zonen van Bilha, die door Laban aan zijn dochter Rachel was gegeven. Zij schonk Jakob in totaal zeven nakomelingen.

Het aantal personen dat van Jakob afstamde en met hem meeging naar Egypte was 66, de vrouwen van Jakobs zonen niet meegerekend. De zonen die Jozef in Egypte had gekregen, waren er twee in getal. In totaal kwamen er dus 70 personen van het huis van Jakob naar Egypte.

Jakob stuurde Juda voor zich uit om Jozef te vertellen dat hij onderweg was naar Gosen. Toen ze in Gosen aankwamen, liet Jozef zijn wagen klaarmaken en ging hij op weg om zijn vader Israël in Gosen te ontmoeten. Toen hij voor hem stond, viel hij hem meteen om de hals en huilde lange tijd. Vervolgens zei Israël tegen Jozef: ‘Nu kan ik sterven, want ik heb je met eigen ogen gezien en weet dat je nog leeft.’ Jozef zei tegen zijn broers en de rest van het huis van zijn vader: ‘Laat me naar de farao gaan en tegen hem zeggen: “Mijn broers zijn samen met de rest van het huis van mijn vader vanuit Kanaän hierheen gekomen. De mannen zijn herders en veefokkers, en ze hebben hun schapen, hun runderen en alles wat ze hebben, meegenomen.” Als jullie bij de farao worden geroepen en hij vraagt: “Wat is jullie beroep?”, moeten jullie zeggen: “Uw dienaren zijn al van jongs af aan veefokkers, net als onze voorouders.” Dan zal hij jullie in de streek Gosen laten wonen, want de Egyptenaren hebben een afkeer van schaapherders.’

Jozef ging dus naar de farao en vertelde hem: ‘Mijn vader en mijn broers zijn met hun schapen, hun runderen en al hun bezittingen uit Kanaän gekomen, en ze zijn nu in de streek Gosen.’ Daarna stelde hij vijf van zijn broers aan de farao voor.

De farao vroeg aan Jozefs broers: ‘Wat is jullie beroep?’ Ze antwoordden: ‘Uw dienaren zijn schaapherders, net als onze voorouders.’ Toen zeiden ze tegen de farao: ‘We zijn gekomen om als vreemdelingen in het land te wonen, want er is in Kanaän geen weidegrond voor de kudde van uw dienaren omdat de hongersnood er zwaar is. Laat uw dienaren dus alstublieft in Gosen wonen.’ Daarop zei de farao tegen Jozef: ‘Je vader en je broers zijn naar je toe gekomen en het land Egypte ligt voor je open. Laat ze in het allerbeste deel van het land wonen, in Gosen. En als er bekwame mannen onder hen zijn, geef ze dan het toezicht over mijn veestapel.’

Toen bracht Jozef zijn vader Jakob bij de farao en stelde hem aan hem voor. Jakob begroette de farao met een zegenwens. De farao vroeg aan Jakob: ‘Hoe oud bent u?’ Jakob antwoordde: ‘Ik heb nu 130 jaar rondgezworven. Het zijn moeilijke jaren geweest, maar het zijn er weinig vergeleken bij het aantal jaren dat mijn voorvaders hebben rondgezworven.’ Daarna nam Jakob met een zegenwens afscheid van de farao.

Jozef gaf zijn vader en zijn broers een stuk grond in het beste deel van Egypte, in de streek Rameses, zoals de farao had gezegd, zodat ze zich daar konden vestigen. En Jozef bleef zijn vader, zijn broers en de rest van het huis van zijn vader van voedsel voorzien, afhankelijk van het aantal kinderen dat ze hadden.

Door de zware hongersnood was er in het hele land geen voedsel meer. De inwoners van Egypte en Kanaän raakten ernstig verzwakt door de honger. Door graan aan de mensen te verkopen, verzamelde Jozef al het geld dat in Egypte en Kanaän te vinden was. En Jozef bracht het geld steeds naar het huis van de farao.

Na verloop van tijd was het geld uit Egypte en Kanaän op, en alle Egyptenaren kwamen naar Jozef toe. Ze zeiden: ‘Geef ons eten! Waarom zouden we voor uw ogen sterven omdat ons geld op is?’ Jozef antwoordde: ‘Als jullie geen geld meer hebben, geef me dan jullie vee. Dan zal ik jullie eten geven in ruil voor jullie vee.’ Toen brachten ze hun vee naar Jozef, en Jozef gaf hun steeds voedsel in ruil voor hun paarden, schapen, geiten, runderen en ezels. Hij bleef hen dat hele jaar van voedsel voorzien in ruil voor al hun vee.

Toen dat jaar om was, kwamen ze het jaar daarop weer naar hem toe en zeiden: ‘We zullen niet voor u verbergen, heer, dat we al ons geld en al ons vee aan u hebben gegeven. We hebben niets meer over dat we u kunnen geven, behalve ons lichaam en onze grond. Waarom zouden wij en onze akkers voor uw ogen ten onder gaan? Koop ons en onze grond in ruil voor eten, dan zullen we slaven worden van de farao en zal onze grond van hem worden. Geef ons zaad, zodat we in leven blijven en niet sterven en zodat onze grond niet woest komt te liggen.’

Toen kocht Jozef alle grond van de Egyptenaren voor de farao. Alle Egyptenaren verkochten namelijk hun akkers omdat de hongersnood heel zwaar was, en de grond werd van de farao.

Vervolgens liet hij het volk overbrengen naar steden, van het ene uiteinde van Egypte tot het andere. Alleen de grond van de priesters kocht hij niet, want de priesters leefden van de rantsoenen die ze van de farao kregen. Daarom verkochten zij hun grond niet. Toen zei Jozef tegen het volk: ‘Nu heb ik jullie en jullie grond voor de farao gekocht. Hier hebben jullie zaad om op de akkers te zaaien. Van de opbrengst moeten jullie een vijfde deel aan de farao geven, maar vier delen kunnen jullie gebruiken als zaad voor de akkers en als voedsel voor jezelf, voor je kinderen en voor de anderen in je huis.’ Ze antwoordden: ‘U hebt ons leven gered. Als we uw goedkeuring hebben, heer, zullen we slaven van de farao worden.’ Toen vaardigde Jozef een wet uit — en die is in Egypte nog steeds van kracht — dat een vijfde deel voor de farao is. Alleen de grond van de priesters werd niet van de farao.

Israël bleef in Egypte wonen, in Gosen. Ze vestigden zich daar, kregen kinderen en werden heel talrijk. En Jakob leefde nog 17 jaar in Egypte. Jakob werd dus 147 jaar oud.

Toen Israël niet lang meer te leven had, riep hij zijn zoon Jozef bij zich en zei: ‘Als je echt om me geeft, leg dan je hand onder mijn bovenbeen en toon loyale liefde en trouw voor me: begraaf me alsjeblieft niet in Egypte. Als ik sterf, moet je me uit Egypte wegbrengen en me in het graf van mijn voorouders begraven.’ Daarop zei Jozef: ‘Ik zal doen wat u vraagt.’ Toen zei Israël: ‘Zweer het mij.’ Jozef zwoer het hem en Israël boog zich neer aan het hoofdeinde van zijn bed.

Later kreeg Jozef te horen: ‘Het gaat slecht met uw vader.’ Toen ging hij met zijn twee zonen, Manasse en Efraïm, naar hem toe. Er werd tegen Jakob gezegd: ‘Uw zoon Jozef is gekomen.’ Israël verzamelde al zijn krachten en ging overeind zitten op zijn bed. Jakob zei tegen Jozef: ‘God de Almachtige is in Luz in Kanaän aan me verschenen en heeft me gezegend. Hij zei tegen me: “Ik zal je vruchtbaar en talrijk maken, en er zullen vele volken uit je voortkomen. Ik zal dit land aan je nageslacht geven als een blijvend bezit.” De twee zonen die je in Egypte gekregen hebt voordat ik in Egypte bij je kwam, zijn van mij. Efraïm en Manasse zullen van mij worden, net zoals Ruben en Simeon van mij zijn. Maar de kinderen die je na hen krijgt, zullen van jou zijn. Hun erfdeel zal de naam van hun twee broers dragen. Toen ik uit Paddan kwam, is Rachel in Kanaän aan mijn zijde gestorven, terwijl we nog een eind van Efrath waren. Daarom heb ik haar begraven langs de weg naar Efrath, oftewel Bethlehem.’

Toen zag Israël Jozefs zonen en vroeg: ‘Wie zijn dat?’ Jozef zei tegen zijn vader: ‘Dat zijn mijn zonen, die God mij hier gegeven heeft.’ Hierop zei hij: ‘Breng ze alsjeblieft bij me, zodat ik ze kan zegenen.’ Israëls ogen waren door zijn hoge ouderdom zo slecht geworden dat hij niet meer kon zien. Daarom bracht Jozef zijn zonen dicht bij hem, en Israël kuste en omhelsde hen. Hij zei tegen Jozef: ‘Ik had niet gedacht dat ik je ooit nog zou zien, maar God heeft me zelfs je nakomelingen laten zien.’ Daarna haalde Jozef zijn zonen bij Israëls knieën weg, en hij boog diep.

Toen bracht Jozef zijn twee zonen weer dicht bij hem. Aan zijn rechterhand had hij Efraïm, die hij links van Israël plaatste, en aan zijn linkerhand had hij Manasse, die hij rechts van hem plaatste. Maar Israël stak zijn rechterhand uit en legde die op Efraïms hoofd, hoewel dat de jongste was, en zijn linkerhand legde hij op Manasses hoofd. Hij deed dat met opzet, hoewel Manasse de eerstgeboren zoon was. Toen zegende hij Jozef en zei: ‘De ware God, die mijn voorvaders Abraham en Isaäk hebben gediend, de ware God, die mijn leven lang mijn herder is geweest tot nu toe, de (hemelse) boodschapper die mij uit alle ellende heeft bevrijd, mag hij de jongens zegenen. Ik wens dat mijn naam en ook de naam van mijn voorvaders, Abraham en Isaäk, door hen voortleeft, en dat ze op aarde uitgroeien tot een grote menigte.’

Toen Jozef zag dat zijn vader zijn rechterhand op Efraïms hoofd had gelegd, was hij het daar niet mee eens. Daarom probeerde hij de hand van zijn vader te verplaatsen van Efraïms hoofd naar dat van Manasse. Hij zei tegen zijn vader: ‘Niet zo, vader, want dit is de eerstgeboren zoon. Leg uw rechterhand op zijn hoofd.’ Maar zijn vader weigerde dat en zei: ‘Ik weet het, mijn zoon, ik weet het. Ook uit hem zal een volk voortkomen, en ook hij zal groot worden. Maar zijn jongere broer zal groter worden dan hij, en zijn nageslacht zal talrijk genoeg zijn om hele volken te vormen.’ Hij zegende hen dus op die dag en zei: ‘Mag Israël jou noemen als ze een zegen uitspreken en zeggen: “Ik wens dat God je net zo laat worden als Efraïm en als Manasse.”’ Zo plaatste hij Efraïm vóór Manasse.

Toen zei Israël tegen Jozef: ‘Ik ga sterven, maar God zal zeker met jullie zijn en jullie terugbrengen naar het land van je voorouders. En ik geef aan jou één stuk land meer dan aan je broers. Dat land heb ik met mijn zwaard en mijn boog op de Amorieten veroverd.’

Jakob riep zijn zonen bij zich en zei: ‘Kom allemaal hier, dan kan ik jullie vertellen wat er in de toekomst met jullie zal gebeuren. Kom bij me staan en luister, zonen van Jakob, luister naar Israël, jullie vader.

Ruben, jij bent mijn eerstgeboren zoon, mijn kracht en de eerste vrucht van mijn voortplantingsvermogen, superieur in waardigheid en sterkte. Door je roekeloosheid als onstuimig water zul je niet superieur zijn, want je bent in het bed van je vader gaan liggen. Je hebt toen mijn bed onteerd. Hij is in mijn bed gaan liggen!

Simeon en Levi zijn broers. Ze gebruiken hun wapens als werktuigen van geweld. Kom niet in hun gezelschap, o mijn ziel. Sluit je niet aan bij hun groep, o mijn eer. Want in hun woede hebben ze mannen gedood, en voor hun plezier hebben ze stieren de pezen doorgesneden. Vervloekt zijn hun brute woede en hun wrede razernij. Ik zal hen verspreiden over het land van Jakob en hen verstrooien over Israël.

Maar jou, Juda, zullen je broers prijzen. Je hand zal op de nek van je vijanden zijn. De zonen van je vader zullen zich voor je neerbuigen. Juda is een leeuwenwelp. Je zult je prooi eten en daarna weer opstaan, mijn zoon. Hij is gaan liggen en heeft zich uitgestrekt als een leeuw, en wie durft een leeuw wakker te maken? De scepter zal niet van Juda worden weggenomen en de heersersstaf zal tussen zijn voeten blijven, totdat Silo komt, en aan hem zal de gehoorzaamheid van de volken toekomen. Hij zal zijn ezel aan een wijnstok binden en het veulen van zijn ezel aan een eersteklas wijnstok, en hij zal zijn kleding in wijn wassen en zijn mantel in druivenbloed. Zijn ogen zijn donkerrood van de wijn en zijn tanden wit van de melk.

Zebulon zal aan de zee wonen, aan de kust waar de schepen voor anker liggen, en zijn gebied zal zich uitstrekken richting Sidon.

Issaschar is een ezel met sterke botten, die tussen de twee zadeltassen ligt. En hij zal zien dat de rustplaats goed is en dat het land aangenaam is. Hij zal zijn schouders buigen om de last te dragen en zal zich aan dwangarbeid onderwerpen.

Dan zal als een van de stammen van Israël rechtspreken over zijn volk. Laat Dan een slang zijn langs de weg, een hoornslang langs het pad, die het paard in de hielen bijt, zodat de ruiter achterovervalt. Ik zal wachten op redding van u, Jehovah.

Gad zal door een roversbende overvallen worden, maar hij zal terugslaan en ze op de hielen zitten.

Aser zal een overvloed aan brood hebben, en hij zal voorzien in koninklijke lekkernijen.

Naftali is een ranke hinde. Hij spreekt aangename woorden.

Jozef is de jonge scheut van een vruchtbare boom, een vruchtbare boom bij een bron. Zijn takken reiken tot over de muur. Maar de boogschutters bleven hem aanvallen. Ze schoten op hem en koesterden wrok tegen hem. En toch bleef zijn boog gespannen, en zijn handen bleven sterk en soepel. Dat was dankzij de handen van de machtige van Jakob, de herder, de steen van Israël. Hij is afkomstig van de God van je vader, die je zal helpen. Hij is met de Almachtige, die je zal zegenen met de zegeningen van de hemel boven, met de zegeningen van de diepte beneden, met de zegeningen van de borsten en de moederschoot. De zegeningen van je vader zullen superieur zijn aan de zegeningen van de eeuwige bergen, aan de kostbare dingen van de eeuwige heuvels. Ze zullen op het hoofd van Jozef blijven, op de kruin van degene die uitverkoren is onder zijn broers.

Benjamin zal blijven verscheuren als een wolf. ’s Morgens zal hij zijn prooi eten en ’s avonds zal hij de buit verdelen.’

Dat waren de 12 stammen van Israël, en dat is wat hun vader tegen hen zei toen hij hen zegende. Hij gaf ze allemaal hun eigen zegen.

Daarna gaf hij ze de opdracht: ‘Binnenkort word ik tot mijn volk vergaderd. Begraaf me bij mijn voorvaders in de grot in het veld van de Hethiet Efron. Dat is de grot in het veld van Machpela, dat tegenover Mamré in Kanaän ligt, het veld dat Abraham van de Hethiet Efron heeft gekocht om het te gebruiken als begraafplaats. Daar zijn Abraham en zijn vrouw Sara begraven. Daar zijn Isaäk en zijn vrouw Rebekka begraven, en daar heb ik Lea begraven. Het veld en de grot zijn gekocht van de zonen van Heth.’

Dat waren de laatste instructies die Jakob aan zijn zonen gaf. Toen trok hij zijn voeten weer op het bed. Hij blies de laatste adem uit en werd tot zijn volk vergaderd.

Jozef wierp zich huilend op zijn vader en kuste hem. Daarna gaf Jozef de artsen die hij in dienst had opdracht zijn vader te balsemen. De artsen balsemden Israël en ze namen de volledige periode van 40 dagen voor hem, want zo lang duurt het om iemand te balsemen. De Egyptenaren rouwden 70 dagen om hem.

Nadat de rouwtijd voorbij was, zei Jozef tegen de dienaren van de farao: ‘Als ik jullie goedkeuring heb, breng dan deze boodschap over aan de farao: “Mijn vader heeft me een eed laten zweren. Hij zei: ‘Binnenkort ga ik sterven. Je moet me begraven in het graf dat ik in Kanaän heb uitgehouwen.’ Laat me dus alstublieft vertrekken en mijn vader begraven. Daarna zal ik terugkomen.”’ De farao antwoordde: ‘Ga maar en begraaf je vader, zoals hij je heeft laten zweren.’

Jozef vertrok dus om zijn vader te begraven. Alle dienaren van de farao gingen met hem mee, de oudsten van zijn hof en alle oudsten van Egypte, en ook het hele huis van Jozef, zijn broers en het huis van zijn vader. Alleen hun kleine kinderen, hun schapen en hun runderen lieten ze achter in de streek Gosen. Er gingen ook wagens en ruiters mee. Het was een heel grote stoet. Ze kwamen bij de dorsvloer van Atad, die in de Jordaanstreek is. Daar rouwden ze lang en bitter om hem, en hij treurde zeven dagen om zijn vader. De Kanaänieten, die in dat gebied woonden, zagen hen op de dorsvloer van Atad rouwen en riepen uit: ‘De Egyptenaren zijn in diepe rouw!’ Daarom kreeg die plaats, die in de Jordaanstreek ligt, de naam Abel-Mizraïm.

Zo deden zijn zonen precies wat hij hun had opgedragen. Ze brachten hem naar Kanaän en begroeven hem in de grot van het veld van Machpela, het veld tegenover Mamré dat Abraham van de Hethiet Efron had gekocht om het te gebruiken als begraafplaats. Nadat Jozef zijn vader begraven had, ging hij terug naar Egypte, samen met zijn broers en iedereen die met hem was meegegaan om zijn vader te begraven.

Na de dood van hun vader zeiden Jozefs broers tegen elkaar: ‘Misschien koestert Jozef wel wrok tegen ons en wil hij ons betaald zetten wat we hem allemaal hebben aangedaan.’ Daarom stuurden ze Jozef het volgende bericht: ‘Je vader heeft ons vóór zijn dood opgedragen: “Dit moeten jullie tegen Jozef zeggen: ‘Ik smeek je, vergeef alsjeblieft de misdaad van je broers en de zonde die ze hebben begaan door je kwaad te doen.’” Alsjeblieft, vergeef de misdaad van de dienaren van de God van je vader.’ Toen ze zo tot Jozef spraken, begon hij te huilen. Daarna kwamen zijn broers. Ze vielen voor hem neer en zeiden: ‘Wij zijn je slaven!’ Jozef zei tegen ze: ‘Wees niet bang. Ik neem toch niet de plaats van God in? Jullie wilden me kwaad doen, maar God wilde het goed laten aflopen om het leven van veel mensen te redden, zoals hij nu doet. Wees dus niet bang. Ik zal jullie en je kleine kinderen van voedsel blijven voorzien.’ Zo troostte hij hen en stelde hij hen gerust.

Jozef bleef in Egypte wonen, hij en de familie van zijn vader. Hij werd 110 jaar oud. Jozef kreeg Efraïms zonen te zien tot de derde generatie, en ook de zonen van Machir, de zoon van Manasse. Ze werden op Jozefs knieën geboren. Uiteindelijk zei Jozef tegen zijn broers: ‘Binnenkort ga ik sterven. Maar God zal zeker aan jullie denken: hij zal jullie uit dit land wegleiden en jullie naar het land brengen dat hij met een eed aan Abraham, Isaäk en Jakob heeft beloofd.’ Toen liet Jozef de zonen van Israël een eed zweren. Hij zei: ‘God zal zeker aan jullie denken. Jullie moeten mijn lichaam hiervandaan meenemen.’ Jozef stierf toen hij 110 jaar oud was. Hij werd gebalsemd en in een doodskist gelegd, in Egypte.