Het verslag van Johannes


Schrijver: Johannes (יוֹחָנָן = Jochanan)
Waar geschreven: In of bij Efeze
Geschrift voltooid: ca. 98 n.Chr.
Beschreven periode: Na proloog, 29-33 n.Chr.


In het begin was het woord. Het woord was bij God en God was het woord [1]. Het [woord] was in het begin bij God. Alles is door het [woord] ontstaan, en zonder het [woord] is er helemaal niets ontstaan.

Wat door het [woord] is ontstaan was leven, en het leven was het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet overwonnen.

Er kwam een man die als vertegenwoordiger van God gestuurd was. Hij heette Johannes. Deze man kwam als getuige, om te getuigen van het licht, zodat alle soorten mensen door dit zouden gaan geloven. Hij was niet zelf dat licht, maar hij moest getuigen van dat licht.

Het licht dat alle soorten mensen licht geeft, stond op het punt in de wereld te komen. Het was in de wereld, en de wereld is door het licht ontstaan, maar de wereld kende het niet. Het kwam naar zijn eigen huis, maar zijn eigen mensen accepteerden het niet. Maar aan allen die het wel aanvaardden, heeft het licht het recht gegeven Gods kinderen te worden, omdat ze in zijn naam geloofden. Ze zijn niet geboren uit bloed, uit vleselijke wil of uit de wil van een man, maar uit God.

Het woord is vlees geworden en heeft bij ons gewoond. We hebben zijn glorie gezien, een glorie die hoort bij een eniggeboren zoon van een vader. Hij was vol gunst van God en vol waarheid. (Johannes getuigde van hem en riep uit: ‘Dit is degene over wie ik zei: “Hij die na mij komt, heeft voorrang boven mij, want hij is de eerste in vergelijking met mij.”’) Want uit zijn overvloed zijn wij allemaal overladen met onverdiende goedheid. Want de wet werd via Mozes gegeven, maar de onverdiende goedheid en de waarheid zijn via Jezus de gezalfde gekomen. Geen enkel mens heeft ooit God gezien. De eniggeboren zoon, die dicht bij de Vader is, die heeft duidelijk gemaakt wie Hij is.

Dit is het getuigenis dat Johannes gaf toen de Judeeërs priesters en Levieten uit Jeruzalem naar hem toe stuurden om hem te vragen: ‘Wie ben je?’ Hij ontweek de vraag niet en gaf openlijk toe: ‘Ik ben niet de Gezalfde.’ Toen vroegen ze hem: ‘Wie dan? Ben je Elia?’ Hij zei: ‘Die ben ik ook niet.’ ‘Ben je de Profeet?’ ‘Nee’, antwoordde hij. Dus zeiden ze tegen hem: ‘Wie ben je? Vertel het ons zodat we een antwoord kunnen geven aan de mensen die ons hebben gestuurd. Wat heb je over jezelf te zeggen?’ Hij zei: ‘Ik ben een stem van iemand die in de woestijn roept: “Maak de weg van Jehovah recht”, zoals de profeet Jesaja heeft gezegd.’ De afgevaardigden waren gestuurd door de farizeeën. Daarom vroegen ze hem verder: ‘Als je niet de Gezalfde of Elia of de Profeet bent, waarom doop je dan?’ Johannes antwoordde: ‘Ik doop in water. In jullie midden is iemand die jullie niet kennen, hij die na mij komt, en ik ben het niet eens waard om de riem van zijn sandaal los te maken.’ Dat gebeurde in Bethanië aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes aan het dopen was.

De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen, en hij zei: ‘Kijk, het Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt! Dit is degene over wie ik zei: “Na mij komt een man die voorrang heeft boven mij, want hij is de eerste in vergelijking met mij.” Ook ik kende hem niet, maar ik kwam in water dopen zodat hij aan Israël bekendgemaakt zou worden.’ Johannes getuigde ook: ‘Ik zag de geest als een duif neerdalen uit de hemel, en hij bleef op hem. Ook ik kende hem niet, maar Hij die mij heeft gestuurd om in water te dopen, heeft tegen me gezegd: “Als je de geest op iemand ziet neerdalen en blijven, dan weet je dat dat degene is die met heilige geest doopt.” Ik heb het gezien, en ik heb getuigd dat hij de zoon van God is.’

De volgende dag stond Johannes daar weer met twee van zijn discipelen. Hij zag Jezus lopen en zei: ‘Kijk, het Lam van God!’ Toen de twee discipelen hem dat hoorden zeggen, volgden ze Jezus. Jezus draaide zich om, en toen hij zag dat ze hem volgden, vroeg hij: ‘Wat willen jullie?’ ‘Rabbi,’ zeiden ze tegen hem (dat betekent Leraar), ‘waar woon je?’ Hij zei tegen ze: ‘Kom maar mee, dan kun je het zien.’ Ze gingen dus mee en zagen waar hij onderdak had gevonden. Het was ongeveer het tiende uur, en ze bleven die dag bij hem. Eén van de twee die hadden gehoord wat Johannes zei en Jezus waren gevolgd, was Andreas, de broer van Simon Petrus. De eerste die hij ging opzoeken was zijn eigen broer Simon. Hij zei tegen hem: ‘We hebben de Messias gevonden’ (dat uit het Hebreeuws vertaald wordt met Gezalfde). En hij nam hem mee naar Jezus. Jezus keek hem aan en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes. Voortaan zul je Cefas heten’ (dat vanuit het Aramees vertaald 'rots' betekent en weergegeven wordt met Petrus).

De volgende dag wilde Jezus naar Galilea vertrekken. Toen hij Filippus trof, zei hij tegen hem: ‘Wees mijn volgeling.’ Filippus kwam uit Bethsaïda, uit de stad van Andreas en Petrus. Filippus kwam Nathanaël tegen en zei tegen hem: ‘We hebben degene gevonden over wie in de Wet van Mozes en de Profeten is geschreven. Het is Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth.’ Maar Nathanaël zei: ‘Kan uit Nazareth iets goeds komen?’ ‘Kom maar kijken’, antwoordde Filippus. Toen Jezus Nathanaël zag aankomen, zei hij over hem: ‘Kijk, dat is echt een Israëliet in wie geen bedrog is.’ ‘Waar ken je mij van?’, vroeg Nathanaël. Jezus antwoordde: ‘Ik zag je al voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat.’ Toen zei Nathanaël: ‘Rabbi, je bent de zoon van God, je bent Koning van Israël.’ Waarop Jezus zei: ‘Geloof je omdat ik tegen je zei dat ik je onder de vijgenboom zag zitten? Je zult nog veel grotere dingen zien.’ Hij zei verder tegen hem: ‘Echt, ik verzeker jullie: je zult de hemel geopend zien en de (hemelse) boodschappers van God zien opstijgen en neerdalen naar de mensenzoon.’

Op de derde dag was er een bruiloft in Kana in Galilea. De moeder van Jezus was er, en ook Jezus en zijn discipelen waren voor de bruiloft uitgenodigd.

Toen de wijn bijna op was, zei de moeder van Jezus tegen hem: ‘Ze hebben geen wijn meer.’ Maar Jezus zei tegen haar: ‘Vrouw, wat gaat u of mij dat aan? Mijn tijd is nog niet gekomen.’ Zijn moeder zei vervolgens tegen de bedienden: ‘Doe alles wat hij zegt.’ Er stonden daar zes stenen waterkruiken, die nodig waren voor het reinigingsritueel van de Judeeërs. Elke kruik had een inhoud van twee of drie maten. Jezus zei tegen hen: ‘Vul de kruiken met water.’ Ze vulden ze tot de rand. Toen zei hij: ‘Schep er nu wat uit en breng het naar de ceremoniemeester.’ Dat deden ze. De ceremoniemeester proefde het water dat nu in wijn was veranderd, terwijl hij niet wist waar het vandaan kwam (de bedienden die het water hadden geschept wisten het wel). Daarop riep de ceremoniemeester de bruidegom en zei tegen hem: ‘Iedereen schenkt eerst de goede wijn, en als de gasten dronken zijn de minder goede. Maar jij hebt de goede wijn tot nu bewaard.’ Dat deed Jezus in Kana in Galilea als het eerste van zijn wonderen. Zo toonde hij zijn glorie, en zijn discipelen geloofden in hem.

Daarna ging hij met zijn moeder, zijn broers en zijn discipelen naar Kapernaüm. Ze bleven daar maar een paar dagen.

Het was bijna de tijd voor het Pascha van de Judeeërs, en Jezus ging naar Jeruzalem. In de tempel zag hij de verkopers van runderen, schapen en duiven, en de geldwisselaars die daar zaten. Hij maakte een zweep van touwen en joeg ze allemaal de tempel uit, met hun schapen en runderen. Hij gooide de munten van de geldwisselaars op de grond en keerde hun tafels om. Tegen de duivenverkopers zei hij: ‘Haal dat hier weg! Maak van het huis van mijn Vader geen markt!’ Zijn discipelen herinnerden zich dat er geschreven staat: ‘De ijver voor uw huis zal mij verteren.’

Als reactie daarop zeiden de Judeeërs tegen hem: ‘Welk teken kunt u ons laten zien als bewijs dat u het recht hebt deze dingen te doen?’ Jezus antwoordde: ‘Breek deze tempel af en in drie dagen zal ik hem weer opbouwen.’ ‘Het heeft 46 jaar gekost om deze tempel te bouwen,’ zeiden de Judeeërs, ‘en u gaat hem in drie dagen weer opbouwen?’ Maar hij had het over de tempel van zijn lichaam. Toen hij later uit de dood was opgewekt, herinnerden zijn discipelen zich dat hij dit vaak zei, en ze geloofden de Schrift en wat Jezus had gezegd.

Toen hij in Jeruzalem op het paschafeest was, gingen veel mensen in zijn naam geloven toen ze de wonderen zagen die hij deed. Maar Jezus had niet echt vertrouwen in hen, omdat hij hen allemaal kende en omdat niemand hem iets over mensen hoefde te vertellen, want hij wist wat er in mensen omging.

Er was een farizeeër die Nikodemus heette, een leider van de Judeeërs. Hij kwam ’s nachts naar Jezus toe en zei tegen hem: ‘Rabbi, we weten dat je een leraar bent die door God gestuurd is, want niemand kan de wonderen doen die jij doet als God niet met hem is.’ Daarop zei Jezus: ‘Echt, ik verzeker je: als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.’ Nikodemus zei tegen hem: ‘Hoe kan iemand geboren worden als hij al oud is? Hij kan toch niet teruggaan in de buik van zijn moeder en weer geboren worden?’ Jezus antwoordde: ‘Echt, ik verzeker je: als iemand niet uit water en geest wordt geboren, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan. Wat uit vlees is geboren, is vlees, en wat uit de geest is geboren, is geest. Wees niet verbaasd dat ik tegen je zei: jullie moeten opnieuw geboren worden. De wind waait waarheen hij wil, en je hoort zijn geluid, maar je weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat. Zo is het ook met iedereen die uit de geest is geboren.’

‘Maar hoe kan dat?’, vroeg Nikodemus hem. Jezus antwoordde: ‘Je bent een leraar van Israël en toch begrijp je dit niet? Echt, ik verzeker je: we praten over wat we weten en we getuigen van wat we hebben gezien, maar jullie nemen ons getuigenis niet aan. Jullie geloven me niet eens als ik over aardse dingen vertel. Hoe zullen jullie me dan geloven als ik over hemelse dingen vertel? Bovendien is er nooit iemand naar de hemel opgestegen behalve hij die uit de hemel is neergedaald, de mensenzoon. [2]. Net zoals Mozes in de woestijn de slang heeft opgeheven, zo moet ook de mensenzoon opgeheven worden, zodat iedereen die in hem gelooft, eeuwig leven zal hebben.

Want Gods liefde voor de wereld was zo groot dat hij zijn eniggeboren zoon heeft gegeven, zodat iedereen die in hem gelooft niet vernietigd zal worden, maar eeuwig leven zal hebben. God heeft zijn zoon niet naar de wereld gestuurd zodat hij de wereld zou oordelen, maar zodat de wereld door hem gered zou worden. Wie in hem gelooft, zal niet geoordeeld worden. Wie niet gelooft, is al geoordeeld, omdat hij niet in de naam van de eniggeboren zoon van God heeft geloofd. Dit is de basis voor het oordeel: het licht kwam in de wereld, maar de mensen hielden meer van de duisternis dan van het licht, want hun daden waren slecht. Wie walgelijke dingen doet, haat het licht en komt niet naar het licht, om te voorkomen dat zijn daden worden afgekeurd. Maar wie doet wat goed is, komt naar het licht, zodat openbaar wordt dat zijn daden in overeenstemming zijn met Gods wil.’

Daarna gingen Jezus en zijn discipelen naar het platteland van Judea. Daar bracht hij enige tijd met hen door en hij doopte er. Maar ook Johannes doopte, in Enon bij Salim, omdat daar veel water was. De mensen kwamen erheen en lieten zich dopen. Johannes was namelijk nog niet gevangengezet.

De discipelen van Johannes hadden met een Judeeër een discussie over de reiniging. Ze gingen naar Johannes en zeiden tegen hem: ‘Rabbi, de man die bij je was aan de overkant van de Jordaan, over wie je hebt getuigd, is aan het dopen en iedereen gaat naar hem toe!’ Daarop zei Johannes: ‘Een mens kan alleen iets ontvangen als dat hem vanuit de hemel is gegeven. Jullie getuigen zelf over mij dat ik heb gezegd: “Ik ben niet de Gezalfde, maar ik ben voor hem uit gestuurd.” Wie de bruid heeft, is de bruidegom. Maar de vriend van de bruidegom, die erbij staat en hem hoort, is heel blij vanwege de stem van de bruidegom. Nu is ook mijn vreugde compleet. Hij moet steeds meer worden en ik steeds minder.’

Hij die van boven komt, staat boven alle anderen. Hij die van de aarde is, is aards en spreekt over dingen van de aarde. Hij die uit de hemel komt, staat boven alle anderen. Hij getuigt van wat hij heeft gezien en gehoord, maar niemand aanvaardt zijn getuigenis. Wie zijn getuigenis aanvaardt, bevestigt dat God betrouwbaar is. Hij die door God is gestuurd, spreekt de woorden van God, want God geeft zijn geest overvloedig. De Vader houdt van de zoon en heeft alle dingen in zijn handen gegeven. Hij die in de zoon gelooft, heeft eeuwig leven. Hij die niet gehoorzaam is aan de zoon, zal het leven niet zien, maar de woede van God blijft op hem.

De Heer kwam te weten dat de farizeeën hadden gehoord dat hij meer discipelen maakte en doopte dan Johannes, hoewel Jezus zelf niet doopte, maar zijn discipelen. Daarom verliet hij Judea en ging weer naar Galilea. Maar hij moest door Samaria heen. Zo kwam hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk land dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven. Daar was ook de Jakobsput. Vermoeid van de reis ging Jezus bij de put zitten. Het was rond het zesde uur.

Een Samaritaanse vrouw kwam water putten. Jezus zei tegen haar: ‘Geef me wat te drinken.’ (Zijn discipelen waren namelijk de stad in gegaan om eten te kopen.) Daarop zei de Samaritaanse vrouw tegen hem: ‘Hoe kunt u, als Judeeër, te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse vrouw?’ (Judeeërs gaan namelijk niet met Samaritanen om.) Jezus antwoordde: ‘Als je wist wat de vrije gave van God is en wie het is die je om water vraagt, dan zou je het aan hem hebben gevraagd, en hij zou je levend water hebben gegeven.’ ‘Maar mijnheer,’ zei ze tegen hem, ‘u hebt niet eens een emmer om water te putten, en de put is diep. Waar haalt u dat levende water dan vandaan? U bent toch niet meer dan onze voorvader Jakob? Hij heeft ons de put gegeven en er zelf uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.’ Jezus antwoordde: ‘Iedereen die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen. Maar wie van het water drinkt dat ik hem zal geven, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat ik hem zal geven, zal in hem een bron worden van water dat opborrelt om eeuwig leven te geven.’ ‘Mijnheer, geef me dat water,’ zei de vrouw, ‘dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten.’

Hij zei tegen haar: ‘Ga je man roepen en kom dan terug.’ ‘Ik heb geen man’, antwoordde de vrouw. Daarop zei Jezus: ‘Je hebt gelijk als je zegt dat je geen man hebt. Want je hebt vijf mannen gehad, en je leeft nu samen met iemand die je man niet is. Wat je hebt gezegd is waar.’ De vrouw zei tegen hem: ‘Mijnheer, ik merk dat u een profeet bent. Onze voorouders hebben God aanbeden op deze berg, maar jullie zeggen dat in Jeruzalem de plek is waar hij aanbeden moet worden.’ ‘Geloof me,’ zei Jezus, ‘er komt een tijd dat jullie de Vader niet op deze berg en ook niet in Jeruzalem zullen aanbidden. Jullie aanbidden wat jullie niet kennen. Wij aanbidden wat we kennen, want redding begint bij de Judeeërs. Maar er komt een tijd, en die is er al, dat de ware aanbidders de Vader met geest en waarheid zullen aanbidden, want de Vader zoekt mensen die hem zo willen aanbidden. God is een Geest, en wie hem aanbidden, moeten hem met geest en waarheid aanbidden.’ De vrouw zei tegen hem: ‘Ik weet dat de Messias komt, die Gezalfde wordt genoemd. Als hij komt, zal hij alles aan ons bekendmaken.’ Jezus zei tegen haar: ‘Dat ben ik, degene die met je praat.’

Op dat moment kwamen zijn discipelen terug, en ze waren verbaasd dat hij met een vrouw in gesprek was. Natuurlijk vroeg niemand: ‘Wat wil je van haar?’ of: ‘Waarom praat je met haar?’ De vrouw liet haar waterkruik staan, ging de stad in en zei tegen de mensen: ‘Kom kijken, er is iemand die me alles heeft verteld wat ik heb gedaan. Zou dit misschien de Gezalfde zijn?’ Ze gingen de stad uit, naar hem toe.

Ondertussen drongen de discipelen bij hem aan: ‘Rabbi, eet toch iets.’ Maar hij zei: ‘Ik heb voedsel te eten dat jullie niet kennen.’ De discipelen zeiden tegen elkaar: ‘Zou iemand hem iets te eten hebben gebracht?’ Jezus zei tegen hen: ‘Mijn voedsel is: de wil doen van hem die mij heeft gestuurd en zijn werk afmaken. Jullie zeggen toch dat het nog vier maanden duurt voordat de oogst komt? Kijk! Ik zeg jullie: kijk eens goed naar de velden, ze zijn wit om geoogst te worden. Nu al krijgt de oogster zijn loon en verzamelt hij vruchten voor het eeuwige leven, zodat de zaaier en de oogster zich samen kunnen verheugen. Want hier is het gezegde van toepassing: de een zaait en de ander oogst. Ik heb jullie eropuit gestuurd om een oogst binnen te halen waarvoor jullie niet hebben gewerkt. Anderen hebben gewerkt en jullie plukken de vruchten van hun werk.’

Veel Samaritanen uit die stad gingen in hem geloven door het getuigenis van de vrouw, die zei: ‘Hij heeft me alles verteld wat ik heb gedaan.’ Toen de Samaritanen bij hem kwamen, vroegen ze hem dan ook om bij hen te blijven. Hij bleef daar twee dagen. Toen gingen nog veel meer mensen geloven door wat hij zei. Ze zeiden tegen de vrouw: ‘Nu geloven we niet meer alleen om wat jij hebt gezegd. We hebben het namelijk zelf gehoord en we weten dat deze man echt de redder van de wereld is.’

Na die twee dagen reisde hij verder naar Galilea. Jezus had zelf getuigd dat een profeet in zijn eigen land niet wordt geëerd. Toen hij in Galilea aankwam, ontvingen de Galileeërs hem echter vriendelijk. Ze hadden namelijk alle dingen gezien die hij in Jeruzalem op het feest had gedaan, want ze waren zelf ook naar het feest geweest.

Hij kwam weer in Kana in Galilea, waar hij het water in wijn had veranderd. In Kapernaüm was een hofbeambte met een zoon die ziek was. Toen de man hoorde dat Jezus vanuit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar hem toe. Hij vroeg of hij mee wilde gaan om zijn zoon, die op sterven lag, te genezen. Maar Jezus zei tegen hem: ‘Als jullie geen tekenen en wonderen zien, zullen jullie nooit geloven.’ Daarop zei de hofbeambte: ‘Heer, kom toch mee voordat mijn kind sterft.’ ‘Ga maar naar huis,’ zei Jezus, ‘je zoon leeft.’ De man geloofde wat Jezus tegen hem zei en vertrok. Terwijl hij onderweg was, kwamen zijn slaven hem tegemoet om te zeggen dat de jongen leefde. Toen hij hun vroeg op welk moment hij beter was geworden, antwoordden ze: ‘Gisteren op het zevende uur verdween de koorts.’ De vader besefte dat dat precies het moment was waarop Jezus tegen hem had gezegd: ‘Je zoon leeft.’ Hij en al zijn huisgenoten werden gelovigen. Dat was de tweede keer dat Jezus een wonder deed na vanuit Judea naar Galilea gekomen te zijn.

Daarna was er een feest van de Judeeërs, en Jezus ging naar Jeruzalem. In Jeruzalem is bij de Schaapspoort een bassin met vijf zuilengangen dat in het Hebreeuws Bethzatha heet. Daar lag een groot aantal zieken, blinden, kreupelen en mensen met misvormde ledematen. —— Er was daar ook een man die al 38 jaar ziek was. Jezus zag de man liggen en wist dat hij al heel lang ziek was. Daarom zei hij tegen hem: ‘Wil je gezond worden?’ ‘Mijnheer,’ antwoordde de zieke man, ‘ik heb niemand die mij in het bassin helpt als het water gaat bewegen. Ik ben nauwelijks onderweg of een ander is me al voor.’ Jezus zei: ‘Sta op! Pak je mat op en loop.’ Meteen werd de man gezond. Hij pakte zijn mat op en begon te lopen.

Het was die dag sabbat. Daarom zeiden de Judeeërs tegen de man die genezen was: ‘Het is sabbat, en dan mag je geen mat dragen.’ Maar hij antwoordde: ‘Degene die me heeft genezen, zei tegen me: “Pak je mat op en loop.”’ Ze vroegen hem: ‘Wie is de man die tegen je zei: “Pak je mat op en loop”?’ Maar de man die genezen was, wist niet wie het was, want Jezus was in de menigte verdwenen.

Later trof Jezus hem in de tempel aan en zei tegen hem: ‘Je bent weer gezond. Zondig niet meer, anders zal je iets ergers overkomen.’ De man ging weg en vertelde de Judeeërs dat het Jezus was die hem gezond had gemaakt. Het was omdat Jezus die dingen op de sabbat deed dat de Judeeërs hem vervolgden. Maar hij zei tegen ze: ‘Mijn Vader is tot nu toe blijven werken, en ik blijf werken.’ Om die reden waren de Judeeërs er nog meer op uit om hem te doden, niet alleen omdat hij de sabbat schond, maar ook omdat hij God zijn eigen Vader noemde, waarmee hij zichzelf aan God gelijk maakte.

Daarop zei Jezus tegen ze: ‘Echt, ik verzeker jullie: de zoon kan niets uit zichzelf doen, maar alleen wat hij de Vader ziet doen. Want alles wat de Vader doet, dat doet de zoon op dezelfde manier. Want de Vader is gehecht aan de zoon en laat hem alle dingen zien die hij zelf doet. Hij zal hem grotere dingen laten zien dan dit, en jullie zullen versteld staan. Want net zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de zoon levend wie hij wil. Want de Vader oordeelt helemaal niemand, maar hij heeft het hele oordeel aan de zoon toevertrouwd, zodat alle mensen de zoon eren zoals ze de Vader eren. Wie de zoon niet eert, eert de Vader niet die hem heeft gestuurd. Echt, ik verzeker jullie: wie mijn woorden hoort en hem gelooft die mij heeft gestuurd, heeft eeuwig leven. Hij wordt niet veroordeeld maar is van de dood overgegaan naar het leven.

Echt, ik verzeker jullie: er komt een tijd, en die is er al, dat de doden de stem van de zoon van God zullen horen, en zij die hebben geluisterd en gehoorzaamd, zullen leven. Want de Vader heeft leven in zichzelf en heeft het mogelijk gemaakt dat ook de zoon leven in zichzelf heeft. En hij heeft hem gezag gegeven om te oordelen, omdat hij de mensenzoon is. Verbaas je daar niet over, want de tijd komt dat alle mensen die in de herinneringsgraven zijn, zijn stem zullen horen en tevoorschijn zullen komen — wie goede dingen hebben gedaan tot een opstanding voor leven en wie walgelijke dingen hebben gedaan tot een opstanding voor oordeel. Ik kan niets uit mezelf doen. Ik oordeel naar wat ik hoor, en mijn oordeel is rechtvaardig omdat ik me niet laat leiden door mijn eigen wil maar door de wil van hem die mij heeft gestuurd.

Als alleen ik over mezelf zou getuigen, zou mijn getuigenis niet waar zijn. Maar er is een ander die over mij getuigt, en ik weet dat zijn getuigenis over mij waar is. Jullie hebben mensen naar Johannes gestuurd, en hij heeft van de waarheid getuigd. Niet dat ik het getuigenis van een mens nodig heb, maar ik zeg deze dingen zodat jullie gered kunnen worden. Die man was een helder brandende lamp, en een korte tijd wilden jullie van zijn licht genieten. Maar ik heb een belangrijker getuigenis dan dat van Johannes. Het werk dat mijn Vader me heeft opgedragen, het werk dat ik doe, dat getuigt ervan dat de Vader mij heeft gestuurd. En de Vader die mij heeft gestuurd, heeft zelf over mij getuigd. Jullie hebben zijn stem nooit gehoord en zijn gestalte nooit gezien, en jullie hebben zijn woord niet in je hart, want degene die hij heeft gestuurd geloven jullie niet.

Jullie onderzoeken de Schrift omdat jullie denken dat jullie daardoor eeuwig leven zullen hebben. Maar juist die getuigt over mij. En toch willen jullie niet bij mij komen om leven te ontvangen. Ik ben niet uit op de eer van mensen, maar ik weet heel goed dat jullie geen liefde voor God in jullie hebben. Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader, maar jullie aanvaarden mij niet. Als iemand anders in zijn eigen naam kwam, zouden jullie hem wel aanvaarden. Hoe kunnen jullie geloven als jullie eropuit zijn om te worden geëerd door elkaar maar geen moeite doen om te worden geëerd door de enige God? Denk niet dat ik jullie bij de Vader zal aanklagen. Mozes, op wie jullie je hoop hebben gevestigd, klaagt jullie aan. Trouwens, als jullie Mozes zouden geloven, zouden jullie mij geloven, want hij heeft over mij geschreven. Maar als jullie niet geloven wat hij heeft geschreven, hoe zullen jullie dan geloven wat ik zeg?’

Daarna ging Jezus naar de overkant van het Meer van Galilea, ook het Meer van Tiberias genoemd. Een grote menigte bleef hem volgen, omdat ze de wonderen zagen die hij deed — dat hij de zieken genas. Daarom ging Jezus een berg op, waar hij met zijn discipelen ging zitten. Het was kort voor het Pascha, het feest van de Judeeërs. Toen Jezus opkeek en zag dat er een grote menigte naar hem toe kwam, zei hij tegen Filippus: ‘Waar zullen we brood kopen om deze mensen te eten te geven?’ Hij vroeg dat om hem op de proef te stellen, want hij wist al wat hij ging doen. Filippus antwoordde: ‘Al kopen we voor 200 denarii brood, dan is dat nog te weinig om iedereen zelfs maar een klein stukje te geven.’ Een van zijn discipelen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei tegen hem: ‘Er is hier een jongetje met vijf gerstebroden en twee visjes. Maar wat hebben we daaraan voor zo veel mensen?’

Jezus zei: ‘Laat de mensen gaan zitten.’ Er was daar veel gras, en ze gingen zitten. Er waren ongeveer 5000 mannen. Jezus pakte het brood, sprak een dankgebed uit en deelde het uit aan de mensen die daar zaten. Hetzelfde deed hij met de visjes, en ze kregen zo veel ze maar wilden. Toen ze genoeg hadden gegeten, zei hij tegen zijn discipelen: ‘Verzamel het eten dat over is, zodat er niets verloren gaat.’ Ze verzamelden het dus en vulden 12 manden met wat was overgebleven nadat iedereen van de vijf gerstebroden had gegeten.

Toen de mensen het wonder zagen dat hij had gedaan, zeiden ze: ‘Dit moet wel de Profeet zijn die in de wereld zou komen.’ Maar Jezus wist dat ze hem wilden dwingen mee te gaan om hun koning te worden. Daarom trok hij zich weer op de berg terug, helemaal alleen.

Toen het avond werd, daalden zijn discipelen af naar het meer. Ze stapten in een boot en vertrokken naar de overkant van het meer, naar Kapernaüm. Het was al donker geworden en Jezus was nog niet naar ze toe gekomen. Ook waaide er een sterke wind waardoor het meer onstuimig werd. Maar toen ze ongeveer vijf of zes kilometer hadden geroeid, zagen ze Jezus over het meer lopen en dicht bij de boot komen. Ze werden bang, maar hij zei tegen ze: ‘Ik ben het, wees niet bang!’ Toen waren ze bereid hem aan boord te nemen, en kort daarna kwam de boot aan land op de plaats waar ze naartoe wilden.

De volgende dag was de menigte nog aan de andere kant van het meer. Ze hadden gezien dat er maar één bootje was en dat Jezus niet met zijn discipelen aan boord was gegaan, maar dat zijn discipelen zonder hem waren vertrokken. Maar er kwamen boten uit Tiberias aan, dicht bij de plaats waar ze het brood hadden gegeten nadat de Heer het dankgebed had uitgesproken. Toen de menigte zag dat Jezus en ook zijn discipelen daar niet waren, stapten ze in de boten en gingen ze naar Kapernaüm om Jezus te zoeken.

Ze vonden hem aan de overkant van het meer en vroegen: ‘Rabbi, wanneer bent u hier gekomen?’ Jezus antwoordde: ‘Echt, ik verzeker jullie: jullie zoeken me niet omdat jullie wonderen hebben gezien, maar omdat jullie volop van de broden hebben kunnen eten. Werk niet voor het voedsel dat bederft maar voor het voedsel dat goed blijft en eeuwig leven geeft. Dat zal de mensenzoon jullie geven, want op hem heeft de Vader, God zelf, zijn zegel van goedkeuring gedrukt.’

Ze vroegen hem: ‘Wat moeten we doen? Hoe kunnen we het werk van God doen?’ Jezus antwoordde: ‘Dit is het werk van God: dat je gelooft in degene die hij gestuurd heeft.’ Toen zeiden ze: ‘Welk teken kunt u ons laten zien zodat we u geloven? Welk werk kunt u doen? Onze voorouders hebben in de woestijn het manna gegeten, zoals geschreven staat: “Hij gaf ze brood uit de hemel te eten.”’ Jezus zei tegen ze: ‘Echt, ik verzeker jullie: het is niet Mozes die jullie het brood uit de hemel heeft gegeven. Mijn Vader geeft jullie het echte brood uit de hemel. Want het brood van God is degene die neerdaalt uit de hemel en leven geeft aan de wereld.’ Daarom zeiden ze tegen hem: ‘Heer, geef ons altijd dit brood.’

Jezus zei tegen ze: ‘Ik ben het brood van het leven. Wie bij mij komt zal geen honger meer krijgen, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen. Maar zoals ik tegen jullie heb gezegd: jullie hebben mij gezien en toch geloven jullie niet. Iedereen die de Vader mij geeft, zal bij mij komen, en wie bij mij komt, zal ik nooit wegsturen. Want ik ben niet uit de hemel neergedaald om mijn eigen wil te doen, maar de wil van hem die mij heeft gestuurd. Dit is de wil van hem die mij heeft gestuurd: dat ik van alle mensen die hij mij heeft gegeven, niemand verloren laat gaan, maar dat ik hen op de laatste dag uit de dood opwek. Want dit is de wil van mijn Vader: dat iedereen die de zoon erkent en in hem gelooft, eeuwig leven krijgt en dat ik hem op de laatste dag uit de dood opwek.’

Toen gingen de Judeeërs over hem mopperen omdat hij had gezegd: ‘Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald.’ Ze zeiden: ‘Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef? We kennen zijn vader en moeder toch? Hoe kan hij dan zeggen: “Ik ben uit de hemel neergedaald”?’ Jezus antwoordde: ‘Houd op met dat gemopper onder elkaar. Iemand kan alleen bij mij komen als de Vader, die mij heeft gestuurd, hem trekt, en ik zal hem op de laatste dag uit de dood opwekken. In de Profeten staat geschreven: “Ze zullen allemaal door Jehovah worden onderwezen.” Iedereen die naar de Vader heeft geluisterd en van hem heeft geleerd, komt bij mij. Niet dat iemand de Vader heeft gezien — alleen hij die van God komt, die heeft de Vader gezien. Echt, ik verzeker jullie: wie gelooft, heeft eeuwig leven.

Ik ben het brood van het leven. Jullie voorouders hebben in de woestijn het manna gegeten en zijn toch gestorven. Maar iedereen die eet van dit brood dat uit de hemel neerdaalt, zal niet sterven. Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij eeuwig leven. En echt, het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn vlees.’

Toen begonnen de Judeeërs heftig met elkaar te discussiëren. Ze zeiden: ‘Hoe kan deze man ons zijn vlees te eten geven?’ Daarom zei Jezus tegen hen: ‘Echt, ik verzeker jullie: als je het vlees van de mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, heb je geen leven in jezelf. Wie zich met mijn vlees voedt en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en ik zal hem op de laatste dag uit de dood opwekken. Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank. Wie zich met mijn vlees voedt en mijn bloed drinkt, blijft in eendracht met mij en ik met hem. Net zoals de levende Vader mij heeft gestuurd en ik leef dankzij de Vader, zo zal hij die zich met mij voedt, leven dankzij mij. Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald. Het is anders dan wat jullie voorouders aten. Zij aten en zijn toch gestorven. Wie zich met dit brood voedt, zal eeuwig leven.’ Hij zei die dingen toen hij in een synagoge in Kapernaüm onderwees.

Veel van zijn discipelen zeiden toen ze het hoorden: ‘Dit gaat echt te ver! Wie kan hiernaar luisteren?’ Jezus wist dat zijn discipelen daarover mopperden en zei tegen ze: ‘Nemen jullie hier aanstoot aan? Wat zullen jullie dan zeggen als jullie de mensenzoon zien opstijgen naar waar hij eerst was? [2]. Het is de geest die leven geeft, het vlees is van geen enkel nut. Wat ik tegen jullie heb gezegd, is geest en leven. Maar sommigen van jullie geloven niet.’ Jezus wist namelijk vanaf het begin wie niet geloofden en wie hem zou verraden. Hij zei verder: ‘Daarom heb ik tegen jullie gezegd: iemand kan alleen bij mij komen als het hem door de Vader gegeven is.’

Daardoor gingen veel van zijn discipelen terug naar de dingen die ze hadden achtergelaten en ze volgden hem niet meer. Toen vroeg Jezus aan de twaalf: ‘Willen jullie soms ook weggaan?’ Simon Petrus antwoordde: ‘Heer, naar wie zouden we moeten gaan? Jij hebt woorden van eeuwig leven. We geloven en zijn te weten gekomen dat je de Heilige van God bent.’ Jezus antwoordde hun: ‘Ik heb jullie alle twaalf zelf uitgekozen. Toch is een van jullie een lasteraar.’ Hij bedoelde Judas, de zoon van Simon Iskariot, want die zou hem verraden, ook al was hij één van de twaalf.

Jezus bleef daarna in Galilea rondtrekken. Hij wilde namelijk niet naar Judea gaan, omdat de Judeeërs hem wilden doden. Het was bijna de tijd voor het Judeeërse Loofhuttenfeest. Daarom zeiden zijn broers tegen hem: ‘Blijf niet hier maar ga naar Judea, zodat ook je discipelen de dingen kunnen zien die je doet. Want niemand verbergt wat hij doet als hij bekend wil worden. Als je zulke dingen doet, laat je dan aan de wereld zien.’ Zijn broers geloofden namelijk niet in hem. Daarom zei Jezus tegen ze: ‘Mijn tijd is nog niet gekomen, maar voor jullie is elke tijd geschikt. De wereld heeft geen reden om jullie te haten. Maar mij haat ze wel, omdat ik over haar getuig dat haar daden slecht zijn. Gaan jullie maar naar het feest. Ik ga nog niet, omdat mijn tijd nog niet is gekomen.’ Dat zei hij tegen ze, en hij bleef in Galilea.

Maar toen zijn broers naar het feest waren vertrokken, ging hij zelf ook, niet openlijk maar in het geheim. De Judeeërs gingen op het feest naar hem op zoek en zeiden: ‘Waar is die man?’ Er werd onder de menigte van alles over hem gefluisterd. Sommigen zeiden: ‘Hij is een goed mens.’ Anderen zeiden: ‘Dat is hij niet. Hij misleidt het volk.’ Natuurlijk durfde niemand openlijk over hem te spreken, uit angst voor de Judeeërs.

Halverwege het feest ging Jezus naar de tempel en begon er te onderwijzen. De Judeeërs waren verbaasd en zeiden: ‘Hoe kan deze man zo veel van de Schrift weten als hij niet op de scholen heeft gestudeerd?’ Daarop antwoordde Jezus: ‘Wat ik onderwijs heb ik niet van mezelf, maar van hem die mij heeft gestuurd. Als iemand bereid is Zijn wil te doen, zal hij weten of deze leer van God is of dat ik uit mezelf spreek. Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer. Maar wie de eer zoekt van degene die hem heeft gestuurd, die is betrouwbaar en vrij van bedrog. Mozes heeft jullie toch de wet gegeven? Maar niemand van jullie houdt zich aan de wet. Waarom proberen jullie mij te doden?’ ‘U hebt een demon’, antwoordde de menigte. ‘Wie probeert u te doden?’ Jezus antwoordde: ‘Ik heb maar één ding gedaan en jullie zijn allemaal verbaasd. En toch: Mozes heeft jullie de besnijdenis gegeven — die trouwens niet van Mozes komt maar van de voorvaders — en jullie besnijden ook op een sabbat. Als er op een sabbat besneden wordt omdat anders de wet van Mozes wordt overtreden, waarom zijn jullie dan zo kwaad op mij als ik op een sabbat iemand weer helemaal gezond maak? Stop met oordelen naar de uiterlijke schijn, maar oordeel rechtvaardig.’

Toen zeiden sommige inwoners van Jeruzalem: ‘Dit is toch de man die ze willen doden? En kijk! Hij staat in het openbaar te praten en ze zeggen niets tegen hem. Zijn onze leiders er soms van overtuigd geraakt dat hij de Gezalfde is? Als de Gezalfde komt, zal niemand weten waar hij vandaan komt, maar van deze man weten we wel waar hij vandaan komt.’ Terwijl Jezus in de tempel onderwees, zei hij met nadruk: ‘Jullie kennen mij en weten waar ik vandaan kom. Ik ben niet uit mezelf gekomen. Hij die mij heeft gestuurd, bestaat echt, en jullie kennen hem niet. Ik ken hem, omdat ik een vertegenwoordiger van hem ben, en hij heeft mij gestuurd.’ Toen probeerden ze hem te grijpen, maar niemand kon hem iets doen, want zijn tijd was nog niet gekomen. Toch geloofden veel mensen in hem. Ze zeiden: ‘Zal de Gezalfde bij zijn komst soms nog meer wonderen doen dan deze man?’

De farizeeën vingen op wat er onder de menigte over hem werd gefluisterd, en de overpriesters en de farizeeën stuurden beambten om hem te grijpen. Toen zei Jezus: ‘Ik zal nog een korte tijd bij jullie blijven en dan ga ik naar hem die mij heeft gestuurd. Jullie zullen me zoeken, maar jullie zullen me niet vinden, en waar ik dan ben, kunnen jullie niet komen.’ Toen zeiden de Judeeërs tegen elkaar: ‘Waar wil deze man dan naartoe, dat we hem niet zullen vinden? Hij is toch niet van plan naar de Judeeërs te gaan die onder de Grieken verstrooid zijn en de Grieken te onderwijzen? Wat bedoelt hij met: “Jullie zullen me zoeken, maar jullie zullen me niet vinden, en waar ik dan ben, kunnen jullie niet komen”?’

Op de laatste dag, de grote dag van het feest, stond Jezus op en riep: ‘Als iemand dorst heeft, laat hij dan bij mij komen en drinken. De Schrift zegt over wie in mij gelooft: “Uit zijn binnenste zullen rivieren van levend water stromen.”’ Maar hij zei dat over de geest, die degenen die in hem geloofden kort daarna zouden ontvangen. Er was namelijk nog geen geest, want Jezus was nog niet verheerlijkt. Sommigen in de menigte zeiden bij het horen van die woorden: ‘Dit moet wel de Profeet zijn.’ Anderen zeiden: ‘Dit is de Gezalfde.’ Maar er werd ook gezegd: ‘De Gezalfde komt toch niet uit Galilea? Zegt de Schrift niet dat de Gezalfde uit het nageslacht van David komt en uit Bethlehem, het dorp waar David woonde?’ Zo ontstond er in de menigte verdeeldheid over hem. Sommigen wilden hem grijpen, maar niemand kon hem iets doen.

Toen de beambten terugkwamen, vroegen de overpriesters en farizeeën hun: ‘Waarom hebben jullie hem niet meegebracht?’ De beambten antwoordden: ‘Nog nooit heeft iemand zo gesproken.’ ‘Zijn jullie soms ook misleid?’, zeiden de farizeeën. ‘Er is toch geen enkele leider of farizeeër die in hem is gaan geloven? Maar deze menigte die de wet niet kent — vervloekt zijn ze.’ Nikodemus, die al eens bij hem was gekomen en die een van hen was, zei tegen ze: ‘Volgens onze wet mogen we iemand toch pas oordelen als hij verhoord is en als bekend is wat hij heeft gedaan?’ Daarop zeiden ze tegen hem: ‘Kom jij soms ook uit Galilea? Ga het maar na, dan zul je zien dat er uit Galilea geen enkele profeet zal komen.’

Jezus nam opnieuw het woord en zei: ‘Ik ben het licht van de wereld. Wie mij volgt zal nooit in duisternis lopen, maar zal het licht van het leven bezitten.’ Daarop zeiden de farizeeën: ‘U getuigt over uzelf. Uw getuigenis is niet waar.’ Jezus antwoordde: ‘Ook al getuig ik over mezelf, toch is mijn getuigenis waar, omdat ik weet waar ik vandaan ben gekomen en waar ik naartoe ga. Maar jullie weten niet waar ik vandaan kom en waar ik naartoe ga. Jullie oordelen naar menselijke maatstaven. Ik oordeel helemaal niemand. En als ik toch oordeel, dan is mijn oordeel waar, want ik ben niet alleen, maar de Vader, die mij heeft gestuurd, is met mij. Ook staat in jullie eigen wet geschreven: “Het getuigenis van twee mensen is waar.” Ik getuig over mezelf, en de Vader, die mij heeft gestuurd, getuigt ook over mij.’ Toen vroegen ze hem: ‘Waar is uw Vader dan?’ ‘Jullie kennen mij niet en ook mijn Vader niet’, antwoordde Jezus. ‘Als jullie mij wel kenden, zouden jullie ook mijn Vader kennen.’ Dat zei hij in de schatkamer, toen hij in de tempel onderwees. Maar niemand greep hem, omdat zijn tijd nog niet was gekomen.

Hij zei opnieuw tegen hen: ‘Ik ga weg. Jullie zullen me zoeken, maar jullie zullen in je zonde sterven. Waar ik naartoe ga, kunnen jullie niet komen.’ De Judeeërs zeiden toen: ‘Zou hij soms zelfmoord willen plegen en zegt hij daarom: “Waar ik naartoe ga, kunnen jullie niet komen”?’ Hij zei verder: ‘Jullie zijn van beneden, ik ben van boven. Jullie zijn van deze wereld, ik ben niet van deze wereld. Daarom heb ik tegen jullie gezegd: jullie zullen in je zonden sterven. Want als je niet gelooft dat ik het ben, zul je in je zonden sterven.’ ‘Wie bent u dan?’, vroegen ze. Jezus antwoordde: ‘Waarom praat ik eigenlijk nog met jullie? Ik heb veel over jullie te zeggen en veel om over te oordelen. Trouwens, hij die mij heeft gestuurd, is betrouwbaar en ik maak aan de wereld bekend wat ik van hem heb gehoord.’ Ze begrepen niet dat hij het over de Vader had. Jezus zei verder: ‘Nadat jullie de mensenzoon opgeheven hebben, zullen jullie weten dat ik het ben en dat ik niets uit mezelf doe. Maar ik vertel wat de Vader mij heeft geleerd. En hij die me heeft gestuurd, is met mij. Hij heeft me niet aan mezelf overgelaten, omdat ik altijd doe wat hij wil.’ Toen hij die dingen zei, gingen veel mensen in hem geloven.

Tegen de Judeeërs die in hem geloofden, zei Jezus verder: ‘Als je vasthoudt aan mijn woorden, dan ben je echt mijn discipel. Dan zul je de waarheid kennen en de waarheid zal je vrijmaken.’ Daarop zeiden ze: ‘Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit iemands slaven geweest. Hoe kunt u dan zeggen: “Je zult vrij worden”?’ Jezus antwoordde: ‘Echt, ik verzeker jullie: iedereen die zondigt, is een slaaf van de zonde. Bovendien blijft de slaaf niet voor eeuwig in het huis, maar de zoon wel. Dus als de zoon je vrijmaakt, zul je echt vrij zijn. Ik weet dat jullie Abrahams nageslacht zijn. Maar jullie willen me doden, omdat jullie mijn woorden niet aanvaarden. Ik spreek over de dingen die ik heb gezien toen ik bij mijn Vader was, maar jullie doen de dingen die jullie hebben gehoord van jullie vader.’ ‘Onze vader is Abraham’, zeiden ze. Maar Jezus zei: ‘Als jullie Abrahams kinderen waren, zouden jullie doen wat Abraham deed. Maar nu willen jullie mij doden, iemand die jullie de waarheid heeft verteld die hij van God heeft gehoord. Abraham heeft zoiets niet gedaan. Jullie doen wat jullie vader deed.’ Ze zeiden tegen hem: ‘We zijn niet uit immoraliteit geboren. We hebben maar één Vader: God.’

Jezus zei tegen ze: ‘Als God jullie Vader was, zouden jullie mij liefhebben, want ik ben bij God vandaan gekomen en ik ben hier. Ik ben niet uit mezelf gekomen, maar hij heeft me gestuurd. Waarom begrijpen jullie niet wat ik zeg? Omdat jullie niet naar mijn woorden kunnen luisteren. Jullie zijn uit jullie vader de Lasteraar, en jullie doen graag wat jullie vader wil. Hij was een moordenaar toen hij begon, en hij hield niet vast aan de waarheid, omdat er geen waarheid in hem is. Als hij liegt, spreekt hij zoals hij is, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen. Maar ik zeg jullie de waarheid en daarom geloven jullie me niet. Wie van jullie kan bewijzen dat ik heb gezondigd? Als ik de waarheid spreek, waarom geloven jullie me dan niet? Wie uit God is, luistert naar de woorden van God. Daarom luisteren jullie niet, omdat jullie niet uit God zijn.’

Toen zeiden de Judeeërs tegen hem: ‘We hebben dus gelijk als we zeggen dat u een Samaritaan bent en een demon hebt!’ ‘Ik heb geen demon,’ antwoordde Jezus, ‘maar ik eer mijn Vader, en jullie onteren mij. Ik ben niet uit op eer voor mij, maar iemand anders is er wel op uit en hij oordeelt. Echt, ik verzeker jullie: als iemand zich aan mijn woorden houdt, zal hij nooit de dood zien.’ De Judeeërs zeiden tegen hem: ‘Nu weten we zeker dat u een demon hebt. Abraham is gestorven en ook de profeten, maar u zegt: “Als iemand zich aan mijn woorden houdt, zal hij de dood nooit proeven.” U bent toch niet meer dan onze vader Abraham? Hij is gestorven, en ook de profeten zijn gestorven. Wie denkt u wel dat u bent?’ Jezus antwoordde: ‘Als ik mezelf eer, betekent mijn eer niets. Het is mijn Vader die mij eert, van wie jullie zeggen dat hij jullie God is. Toch kennen jullie hem niet, maar ik ken hem. En als ik zou zeggen dat ik hem niet ken, dan zou ik net als jullie een leugenaar zijn. Maar ik ken hem wel en ik houd me aan zijn woord. Abraham, jullie vader, verheugde zich er enorm op mijn dag te zien, en toen hij die zag was hij blij.’ De Judeeërs zeiden tegen hem: ‘U bent nog geen 50 jaar en u zou Abraham hebben gezien?’ Jezus zei: ‘Echt, ik verzeker jullie: voordat Abraham werd geboren, ben ik.’ [3]. Toen raapten ze stenen op om naar Jezus te gooien, maar hij verborg zich en verliet de tempel.

Toen hij verder liep, zag hij een man die vanaf zijn geboorte blind was. Zijn discipelen vroegen hem: ‘Rabbi, waarom is deze man blind geboren? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ Jezus antwoordde: ‘Deze man heeft niet gezondigd en zijn ouders ook niet, maar dit is gebeurd zodat Gods werk door hem zichtbaar zou worden. Zolang het dag is moeten we het werk doen van hem die mij heeft gestuurd. De nacht komt waarin niemand kan werken. Zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht van de wereld.’ Toen hij die dingen had gezegd, spuugde hij op de grond en maakte met het speeksel wat modder. Hij smeerde dat op de ogen van de man en zei tegen hem: ‘Ga je wassen in het bassin van Siloam’ (wat vertaald wordt met ‘gestuurd’). Hij ging ernaartoe en waste zich, en toen hij terugkwam kon hij zien.

Zijn buren en de mensen die hadden gezien dat hij een bedelaar was, zeiden: ‘Dat is toch de man die altijd zat te bedelen?’ ‘Ja, dat is hem’, zeiden sommigen. ‘Nee,’ zeiden anderen, ‘maar hij lijkt er wel op.’ De man zei steeds: ‘Ik ben het echt.’ Dus vroegen ze hem: ‘Hoe zijn je ogen opengegaan?’ Hij antwoordde: ‘De man die Jezus heet, maakte wat modder, smeerde dat op mijn ogen en zei: “Ga naar Siloam en was je.” Ik ging er dus naartoe, waste me en toen kon ik zien.’ Ze vroegen: ‘Waar is die man?’ Hij zei: ‘Dat weet ik niet.’

Ze brachten de man die blind was geweest naar de farizeeën. Het was trouwens sabbath op de dag dat Jezus de modder had gemaakt en zijn ogen had geopend. Nu gingen ook de farizeeën hem vragen hoe het kwam dat hij kon zien. Hij zei tegen ze: ‘Hij deed modder op mijn ogen, ik waste me en nu kan ik zien.’ Daarop zeiden sommigen van de farizeeën: ‘Dit is niet een man van God, want hij houdt zich niet aan de sabbat.’ Anderen zeiden: ‘Hoe kan een man die een zondaar is, zulke wonderen doen?’ Er ontstond verdeeldheid onder hen. Ze vroegen opnieuw aan de blinde: ‘Wat denk jij van hem? Hij heeft tenslotte jouw ogen geopend.’ De man zei: ‘Hij is een profeet.’

Maar de Judeeërs geloofden niet dat hij blind was geweest en nu kon zien. Daarom riepen ze zijn ouders erbij. Ze vroegen hun: ‘Is dit jullie zoon? Is hij echt blind geboren? Hoe komt het dan dat hij nu kan zien?’ Zijn ouders antwoordden: ‘Ja, dit is onze zoon en hij is blind geboren. Maar hoe het komt dat hij nu kan zien, weten we niet, en wie zijn ogen heeft geopend, weten we ook niet. Vraag het maar aan hemzelf. Hij is volwassen en moet voor zichzelf spreken.’ Dat zeiden zijn ouders omdat ze bang waren voor de Judeeërs. De Judeeërs hadden namelijk al besloten dat iedereen die Jezus als Gezalfde erkende uit de synagoge gebannen moest worden. Daarom zeiden zijn ouders: ‘Hij is volwassen, ondervraag hém maar.’

Toen riepen ze de man die blind was geweest voor de tweede keer. Ze zeiden tegen hem: ‘Geef eer aan God. We weten dat deze man een zondaar is.’ Daarop zei hij: ‘Of hij een zondaar is, weet ik niet. Eén ding weet ik wel, dat ik eerst blind was maar nu kan zien.’ Ze vroegen hem: ‘Wat heeft hij met je gedaan? Hoe heeft hij je ogen geopend?’ ‘Dat heb ik toch al verteld,’ antwoordde hij, ‘maar jullie hebben niet geluisterd. Waarom willen jullie het nog een keer horen? Willen jullie soms ook zijn discipelen worden?’ Daarop vielen ze tegen hem uit: ‘Jij bent een discipel van die man! Wij zijn discipelen van Mozes. We weten dat God tegen Mozes heeft gesproken, maar van deze man weten we niet waar hij vandaan komt.’ De man antwoordde: ‘Dat is vreemd, dat jullie niet weten waar hij vandaan komt. Hij heeft toch mijn ogen geopend? We weten dat God niet naar zondaars luistert, maar als iemand ontzag voor God heeft en zijn wil doet, dan luistert hij naar zo iemand. Nog nooit heeft men gehoord dat een mens de ogen heeft geopend van iemand die blind geboren is. Als deze man niet van God kwam, had hij helemaal niets kunnen doen.’ Toen zeiden ze: ‘Je bent vanaf je geboorte een en al zonde, en dan wil jij ons de les lezen?’ En ze zetten hem eruit!

Jezus hoorde dat ze hem eruit hadden gezet. Toen hij hem zag, zei hij: ‘Geloof je in de mensenzoon?’ De man antwoordde: ‘Zeg me wie hij is, mijnheer, zodat ik in hem kan geloven.’ ‘Je hebt hem al gezien,’ zei Jezus, ‘het is degene die met je praat.’ Hij zei: ‘Ik geloof in hem, Heer.’ En hij bewees hem eer. Jezus zei: ‘Voor dit oordeel ben ik in deze wereld gekomen, zodat zij die niet zien, zouden zien en zij die zien, blind zouden worden.’ De farizeeën die bij hem waren, hoorden dat en zeiden tegen hem: ‘Zijn wij soms ook blind?’ ‘Als jullie blind waren,’ zei Jezus, ‘zouden jullie geen zonde hebben. Maar nu zeggen jullie: “Wij zien.” Dus blijft jullie zonde.’

‘Echt, ik verzeker jullie: wie de schaapskooi niet door de deur binnengaat maar op een andere plaats naar binnen klimt, is een dief en een rover. Maar wie door de deur naar binnen gaat, is de herder van de schapen. Voor hem doet de deurwachter open, en de schapen luisteren naar zijn stem. Hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. Als hij al zijn eigen schapen naar buiten heeft gebracht, gaat hij voor ze uit, en ze volgen hem omdat ze zijn stem kennen. Een vreemde zullen ze nooit volgen, maar ze zullen voor hem vluchten omdat ze de stem van vreemden niet kennen.’ Jezus gebruikte deze vergelijking, maar ze begrepen niet wat hij tegen ze zei.

Daarom vervolgde Jezus: ‘Echt, ik verzeker jullie: ik ben de deur voor de schapen. Al degenen die in plaats van mij zijn gekomen, zijn dieven en rovers. Maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd. Ik ben de deur. Wie door mij naar binnen komt, zal gered worden, en hij zal naar binnen en naar buiten gaan en weidegrond vinden. De dief komt alleen om te stelen, te slachten en te vernietigen. Ik ben gekomen zodat ze leven zouden hebben, leven in overvloed. Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor de schapen. Een gehuurde knecht, die geen herder is en die niet de eigenaar is van de schapen, laat de schapen in de steek en vlucht als hij een wolf ziet komen. Dan grijpt de wolf ze en jaagt ze uiteen. Zo’n gehuurde knecht geeft niet om de schapen. Ik ben de goede herder. Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij, net zoals de Vader mij kent en ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen.

En ik heb nog andere schapen, die niet van deze kooi zijn. Ook die moet ik bij elkaar brengen. Ze zullen naar mijn stem luisteren, en ze zullen één kudde onder één herder worden. De Vader houdt van mij omdat ik mijn leven geef, zodat ik het weer mag ontvangen. Niemand neemt het van mij af, maar ik geef het uit mezelf. Ik heb het recht het te geven en ik heb het recht het weer te ontvangen. Het gebod om dat te doen heb ik van mijn Vader gekregen.’

Door die woorden ontstond er opnieuw verdeeldheid onder de Judeeërs. Velen van hen zeiden: ‘Hij heeft een demon, hij is gek. Waarom luisteren jullie naar hem?’ Anderen zeiden: ‘Dit zijn geen woorden van iemand die bezeten is. Een demon kan de ogen van blinden toch niet openen?’

In die tijd werd in Jeruzalem het Inwijdingsfeest gevierd. Het was winter en Jezus liep in de tempel, in de zuilengang van Salomo. Toen kwamen de Judeeërs om hem heen staan en zeiden tegen hem: ‘Hoelang houdt u ons nog in spanning? Als u de Gezalfde bent, zeg het ons dan gewoon.’ ‘Ik heb het jullie al gezegd,’ antwoordde Jezus, ‘maar jullie geloven het niet. De werken die ik in de naam van mijn Vader doe, getuigen over mij. Maar jullie geloven niet, omdat jullie mijn schapen niet zijn. Mijn schapen luisteren naar mijn stem. Ik ken ze en ze volgen mij. Ik geef ze eeuwig leven, en ze zullen nooit worden vernietigd. Niemand zal ze uit mijn handen roven. Wat mijn Vader mij gegeven heeft, is groter dan al het andere, en niemand kan ze uit de handen van de Vader roven. Ik en de Vader zijn één.’

Opnieuw raapten de Judeeërs stenen op om hem te stenigen. Jezus zei tegen ze: ‘Ik heb jullie veel goede werken van de Vader laten zien. Voor welke daarvan willen jullie mij stenigen?’ De Judeeërs antwoordden hem: ‘We stenigen u niet voor een goed werk, maar voor godslastering. Want u bent een mens maar u maakt uzelf tot een god.’ Jezus antwoordde: ‘Staat er niet in jullie wet geschreven: “Ik heb gezegd: ‘Jullie zijn goden’”? Een Schriftgedeelte kun je niet ongeldig verklaren. Als degenen tegen wie het woord van God gericht was “goden” werden genoemd, hoe kunnen jullie dan zeggen dat ik — door de Vader geheiligd en naar de wereld gestuurd — laster als ik zeg dat ik Gods zoon ben? Als ik niet het werk van mijn Vader doe, geloof me dan niet. Maar als ik dat wel doe, geloof dan het werk, ook al geloof je mij niet. Dan zul je te weten komen en duidelijker begrijpen dat de Vader in eendracht met mij is en ik in eendracht met de Vader ben.’ Opnieuw probeerden ze hem te grijpen, maar hij wist aan hen te ontsnappen.

Hij ging weer naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes eerst had gedoopt, en hij bleef daar. Veel mensen kwamen naar hem toe. ‘Johannes heeft geen enkel wonder gedaan,’ zeiden ze, ‘maar alles wat Johannes over deze man zei, was waar.’ En veel mensen gingen daar in hem geloven.

Een man die Lazarus heette was ziek. Hij kwam uit Bethanië, het dorp van Maria en haar zus Martha. Dit was de Maria die geurige olie over de Heer uitgoot en zijn voeten met haar haar afdroogde. De zieke Lazarus was haar broer. De zussen stuurden Jezus de boodschap: ‘Heer, je goede vriend is ziek.’ Toen Jezus dat hoorde, zei hij: ‘Deze ziekte is niet bedoeld om te eindigen in de dood, maar is tot eer van God, zodat de zoon van God erdoor geëerd zal worden.’

Jezus hield van Martha en haar zus, en van Lazarus. Maar toen hij hoorde dat Lazarus ziek was, bleef hij toch nog twee dagen op de plaats waar hij was. Daarna zei hij tegen de discipelen: ‘Laten we weer naar Judea gaan.’ De discipelen zeiden: ‘Rabbi, kort geleden wilden de Judeeërs je nog stenigen, en nu ga je er weer naartoe?’ Jezus antwoordde: ‘Is het elke dag niet 12 uur licht? Als iemand in het daglicht loopt, struikelt hij nergens over, omdat hij het licht van deze wereld ziet. Maar als iemand ’s nachts loopt, struikelt hij, omdat het licht niet in hem is.’

Nadat hij dat had gezegd, zei hij: ‘Lazarus, onze vriend, slaapt, maar ik ga erheen om hem wakker te maken.’ De discipelen zeiden: ‘Heer, als hij slaapt, zal hij beter worden.’ Ze dachten namelijk dat hij het over de gewone slaap had, maar Jezus bedoelde dat hij was gestorven. Toen zei Jezus ronduit tegen ze: ‘Lazarus is gestorven, en om jullie ben ik blij dat ik daar niet was, zodat jullie kunnen geloven. Laten we nu naar hem toe gaan.’ Thomas, die de Tweeling werd genoemd, zei tegen de andere discipelen: ‘Laten wij ook maar gaan, dan kunnen we samen met hem sterven.’

Toen Jezus aankwam, bleek dat Lazarus al vier dagen in het graf lag. Bethanië lag dicht bij Jeruzalem, ongeveer drie kilometer ervandaan. Er waren veel Judeeërs naar Martha en Maria gekomen om ze te troosten nu hun broer gestorven was. Toen Martha hoorde dat Jezus eraan kwam, ging ze hem tegemoet. Maar Maria bleef thuis. Martha zei tegen Jezus: ‘Heer, als je hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. Toch weet ik zelfs nu dat God je alles zal geven wat je aan God vraagt.’ Jezus zei: ‘Je broer zal opstaan.’ Daarop zei Martha: ‘Ik weet dat hij zal opstaan in de opstanding op de laatste dag.’ Jezus zei tegen haar: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft, zal, ook al sterft hij, weer tot leven komen. En iedereen die leeft en in mij gelooft, zal helemaal nooit sterven. Geloof je dat?’ ‘Ja, Heer,’ zei ze, ‘ik geloof dat jij de Gezalfde bent, de zoon van God, degene die in de wereld zou komen.’ Na dat te hebben gezegd ging ze weg om haar zus Maria te roepen. Ze fluisterde tegen haar: ‘De Meester is er en vraagt naar je.’ Toen Maria dat hoorde, stond ze vlug op en ging naar hem toe.

Jezus was nog niet in het dorp maar was nog op de plek waar Martha hem had ontmoet. Toen de Judeeërs die bij Maria in huis waren om haar te troosten, haar haastig zagen opstaan en vertrekken, volgden ze haar. Ze dachten dat ze naar het graf ging om daar te huilen. Toen Maria op de plek kwam waar Jezus was en hem zag, viel ze aan zijn voeten. Ze zei: ‘Heer, als je hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn.’ Toen Jezus haar zag huilen en ook de Judeeërs die met haar waren meegekomen, zuchtte hij in zichzelf. Het raakte hem diep. Hij vroeg: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Ze zeiden: ‘Kom maar kijken, Heer.’ Jezus liet zijn tranen de vrije loop. Toen zeiden de Judeeërs: ‘Kijk eens hoe hij aan hem gehecht was!’ Maar sommigen van hen zeiden: ‘Hij heeft de ogen van de blinde man geopend. Kon hij dan niet voorkomen dat deze man stierf?’

Na opnieuw in zichzelf te hebben gezucht, ging Jezus naar het graf. Het was een grot, en er lag een steen tegenaan. ‘Haal de steen weg’, zei Jezus. Martha, de zus van de overledene, zei tegen hem: ‘Maar Heer, de stank! Het is al de vierde dag.’ Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb je toch gezegd dat je de glorie van God zou zien als je zou geloven?’ Toen haalden ze de steen weg. Jezus keek omhoog en zei: ‘Vader, dank u wel dat u me hebt verhoord. Ik weet dat u me altijd verhoort. Maar ik zeg dit voor de menigte die hier staat, zodat ze zullen geloven dat u me hebt gestuurd.’ Nadat hij dat had gezegd, riep hij met een luide stem: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ De man die dood was geweest, kwam naar buiten met windsels om zijn handen en voeten en met een doek om zijn gezicht gewikkeld. Jezus zei tegen hen: ‘Maak hem los en laat hem gaan.’

Veel Judeeërs die naar Maria waren gekomen en zagen wat hij deed, gingen in hem geloven. Maar sommigen van hen gingen naar de farizeeën en vertelden hun wat Jezus had gedaan. Daarop riepen de overpriesters en de farizeeën het Sanhedrin bij elkaar. Ze zeiden: ‘Wat moeten we doen? Deze man doet veel wonderen. Als we hem zijn gang laten gaan, zullen ze allemaal in hem gaan geloven. Dan komen de Romeinen en die zullen ons zowel onze plaats als ons volk afnemen.’ Een van hen, Kajafas, die dat jaar hogepriester was, zei toen tegen hen: ‘Jullie begrijpen er niets van. Jullie hebben er niet aan gedacht dat het beter voor jullie is dat één man voor het volk sterft dan dat het hele volk wordt vernietigd.’ Dat zei hij echter niet uit zichzelf. Omdat hij dat jaar hogepriester was, profeteerde hij dat Jezus voor het volk zou sterven, en niet alleen voor het volk, maar ook om de kinderen van God die overal verspreid zijn in eenheid bij elkaar te brengen. Vanaf die dag smeedden ze plannen om hem te doden.

Jezus begaf zich daarom niet meer openlijk onder de Judeeërs, maar hij vertrok naar het gebied dicht bij de woestijn, naar een stad die Efraïm heette. Daar bleef hij met de discipelen. Het was kort voor het Pascha van de Judeeërs, en veel mensen van het platteland gingen vóór het Pascha naar Jeruzalem om zich ceremonieel te reinigen. Ze zochten naar Jezus en zeiden tegen elkaar terwijl ze in de tempel stonden: ‘Wat denk je? Zou hij helemaal niet naar het feest komen?’ Maar de overpriesters en de farizeeën hadden het bevel gegeven dat als iemand te weten kwam waar Jezus was, hij het moest melden, zodat ze hem konden grijpen.

Zes dagen voor het Pascha kwam Jezus in Bethanië aan, waar Lazarus woonde, die door Jezus uit de dood was opgewekt. Ze maakten daar een avondmaaltijd voor hem klaar. Martha bediende en Lazarus was een van degenen die samen met hem aten. Toen nam Maria een pond geurige olie — echte en zeer kostbare nardusolie. Ze goot die over de voeten van Jezus en droogde zijn voeten af met haar haar. De geur van de olie verspreidde zich door het hele huis. Maar Judas Iskariot, een van zijn discipelen, die op het punt stond hem te verraden, zei: ‘Waarom is deze geurige olie niet voor 300 denarii verkocht om het geld aan de armen te geven?’ Dat zei hij niet omdat hij zo veel om de armen gaf, maar omdat hij een dief was. Hij beheerde de geldkist en stal steeds het geld dat erin werd gestopt. Toen zei Jezus: ‘Laat haar, zodat ze dit kan doen als voorbereiding op de dag van mijn begrafenis. Arme mensen zullen er altijd zijn, maar ik zal niet altijd bij jullie zijn.’

Ondertussen was een grote groep Judeeërs te weten gekomen dat hij daar was, en ze kwamen niet alleen voor Jezus, maar ook om Lazarus te zien, die hij uit de dood had opgewekt. De overpriesters maakten nu plannen om ook Lazarus te doden, omdat veel Judeeërs vanwege hem daarheen gingen en in Jezus gingen geloven.

De volgende dag hoorde de grote menigte die naar het feest gekomen was dat Jezus op weg was naar Jeruzalem. Ze namen takken van palmbomen, gingen hem tegemoet en riepen: ‘Red toch! Gezegend is degene die komt in Jehovah’s naam, de Koning van Israël!’ Toen Jezus een jonge ezel vond, ging hij erop zitten, zoals geschreven staat: ‘Wees niet bang, dochter Sion. Kijk! Je koning komt, en hij zit op een ezelsveulen.’ Eerst begrepen zijn discipelen die dingen niet, maar toen Jezus werd verheerlijkt, herinnerden ze zich dat dit over hem geschreven was en dat dit ook met hem was gebeurd.

De mensen die bij hem waren toen hij Lazarus uit het graf riep en hem uit de dood opwekte, bleven daarvan getuigen. Dat is ook de reden waarom de menigte hem tegemoet ging, omdat ze hoorden dat hij dit wonder had gedaan. De farizeeën zeiden daarom tegen elkaar: ‘Zie je wel? We bereiken helemaal niets. Kijk! De hele wereld loopt achter hem aan.’

Er was ook een aantal Grieken voor aanbidding naar het feest gekomen. Ze gingen naar Filippus toe, die uit Bethsaïda in Galilea kwam, met het volgende verzoek: ‘Mijnheer, we willen Jezus zien.’ Filippus ging het tegen Andreas zeggen, en samen gingen ze het tegen Jezus zeggen.

Maar Jezus zei tegen hen: ‘De tijd is gekomen dat de mensenzoon verheerlijkt moet worden. Echt, ik verzeker jullie: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het maar één korrel. Maar als hij sterft, draagt hij veel vrucht. Wie aan zijn leven gehecht is, verliest het, maar wie zijn leven in deze wereld haat, zal het behouden voor het eeuwige leven. Als iemand mij wil dienen, dan moet hij me volgen, en waar ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Als iemand mij dient, zal de Vader hem eren. Nu maak ik me grote zorgen, en wat moet ik zeggen? Vader, red me uit dit uur. Toch ben ik juist voor dit uur gekomen. Vader, verheerlijk uw naam.’ Toen kwam er een stem uit de hemel: ‘Ik heb hem verheerlijkt en zal hem opnieuw verheerlijken.’

De mensen die erbij stonden, hoorden het en zeiden dat het had gedonderd. Maar sommigen zeiden: ‘Een (hemelse) boodschapper heeft tegen hem gesproken.’ Jezus zei: ‘Deze stem was er niet voor mij, maar voor jullie. Nu wordt deze wereld geoordeeld. Nu zal de heerser van deze wereld worden verdreven. Toch zal ik, als ik van de aarde ben opgeheven, alle soorten mensen tot mij trekken.’ Dat zei hij eigenlijk om aan te geven hoe hij kort daarna zou sterven. Maar de mensen zeiden: ‘We hebben uit de wet gehoord dat de Gezalfde eeuwig blijft. Hoe kunt u dan zeggen dat de mensenzoon opgeheven moet worden? Wie is die mensenzoon?’ Jezus antwoordde: ‘Nog een korte tijd zal het licht bij jullie zijn. Loop zolang je het licht hebt, zodat de duisternis je niet overmeestert. Wie in de duisternis loopt, weet niet waar hij heen gaat. Geloof in het licht zolang je het licht hebt, zodat jullie zonen van het licht worden.’

Toen Jezus die dingen had gezegd, ging hij weg en verborg zich voor hen. Hoewel hij voor hun ogen zo veel wonderen had gedaan, geloofden ze niet in hem. 38 Zo moesten de woorden van de profeet Jesaja in vervulling gaan, die zei: ‘Jehovah, wie heeft geloofd in wat hij van ons heeft gehoord? En aan wie is de arm van Jehovah geopenbaard?’ De reden waarom ze niet konden geloven, is dat Jesaja ook heeft gezegd: ‘Hij heeft hun ogen verblind en hun hart ongevoelig gemaakt. Daardoor zullen ze niet met hun ogen zien en met hun hart begrijpen en zullen ze niet omkeren en door mij genezen worden.’ Jesaja heeft deze dingen gezegd omdat hij zijn glorie heeft gezien, en hij heeft over hem gesproken. Toch waren er ook onder de leiders velen die in hem geloofden, maar vanwege de farizeeën kwamen ze er niet voor uit, anders zouden ze uit de synagoge worden gebannen. Ze wilden liever eer van mensen krijgen dan eer van God.

Maar Jezus riep uit: ‘Wie in mij gelooft, gelooft niet alleen in mij, maar ook in hem die mij heeft gestuurd. En wie mij ziet, ziet ook hem die mij heeft gestuurd. Ik ben als een licht in de wereld gekomen, zodat iedereen die in mij gelooft, niet in de duisternis blijft. Maar als iemand mijn woorden hoort en zich er niet aan houdt, oordeel ik hem niet. Want ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, maar om de wereld te redden. Wie mij afwijst en mijn woorden niet aanneemt, heeft iemand die hem oordeelt. Het woord dat ik heb gesproken, zal hem oordelen op de laatste dag. Want ik heb niet uit mezelf gesproken, maar de Vader, die mij heeft gestuurd, heeft me zelf een gebod gegeven over wat ik zeggen en wat ik spreken moet. En ik weet dat zijn gebod eeuwig leven betekent. Alles wat ik zeg, zeg ik dus zoals de Vader het mij heeft verteld.’

Jezus wist vóór het paschafeest dat voor hem de tijd was gekomen om deze wereld te verlaten en naar de Vader te gaan. Hij hield van degenen in de wereld die hem toebehoorden en had ze tot het einde toe lief. De avondmaaltijd was aan de gang en de Lasteraar had Judas Iskariot, de zoon van Simon, al ingegeven hem te verraden. Omdat Jezus wist dat de Vader alle dingen in zijn handen had gegeven en dat hij van God was gekomen en naar God terugging, stond hij van tafel op en deed zijn bovenkleren uit. Hij nam een linnen doek en bond die om zijn middel. Daarna deed hij water in een kom en begon de voeten van de discipelen te wassen. Hij droogde ze af met de linnen doek die hij om zijn middel had. Toen hij bij Simon Petrus kwam, zei die tegen hem: ‘Heer, ga je mijn voeten wassen?’ Jezus antwoordde: ‘Wat ik doe, begrijp je nu niet, maar je zult het later begrijpen.’ Petrus zei tegen hem: ‘Geen sprake van! Ik wil niet dat je mijn voeten wast.’ Jezus antwoordde: ‘Als ik je niet mag wassen, heb je geen deel met mij.’ ‘Heer,’ zei Simon Petrus, ‘was dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd.’ Jezus zei tegen hem: ‘Wie zich heeft gewassen, hoeft alleen zijn voeten te laten wassen, want hij is helemaal rein. En jullie zijn rein, maar niet allemaal.’ Hij kende namelijk degene die hem verraadde. Daarom zei hij: ‘Jullie zijn niet allemaal rein.’

Toen hij hun voeten had gewassen en zijn bovenkleren had aangetrokken, ging hij weer aan tafel en zei: ‘Begrijpen jullie wat ik heb gedaan? Jullie zeggen “Meester” en “Heer” tegen mij, en terecht, want dat ben ik. Dus als ik, de Heer en Meester, jullie voeten heb gewassen, moeten jullie ook elkaars voeten wassen. Want ik heb jullie het voorbeeld gegeven: wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen. Echt, ik verzeker jullie: een slaaf staat niet boven zijn meester, en iemand die wordt gestuurd, staat niet boven degene die hem heeft gestuurd. Nu je dat weet: gelukkig ben je als je het doet. Ik heb het niet over jullie allemaal. Ik weet wie ik heb uitgekozen. Maar zo moet in vervulling gaan wat de Schrift zegt: “Hij die mijn brood at, heeft zijn hiel tegen me opgeheven.” Ik zeg het jullie nu, voordat het gebeurt, zodat als het gebeurt, je zult geloven dat ik het ben. Echt, ik verzeker jullie: Wie iemand ontvangt die ik stuur, ontvangt ook mij. En wie mij ontvangt, ontvangt ook hem die mij heeft gestuurd.’

Nadat Jezus die dingen had gezegd, werd hij diepbedroefd, en hij verklaarde: ‘Echt, ik verzeker jullie: één van jullie zal mij verraden.’ De discipelen keken elkaar aan. Ze hadden geen idee over wie hij het had. Een van de discipelen, degene van wie Jezus veel hield, lag dicht bij Jezus aan. Simon Petrus knikte hem toe en zei: ‘Vertel ons over wie hij het heeft.’ Hij leunde achterover tegen Jezus’ borst en zei tegen hem: ‘Heer, wie is het?’ Jezus antwoordde: ‘Het is degene aan wie ik het stuk brood geef dat ik indoop.’ Nadat hij het brood in de schaal had gedoopt, gaf hij het aan Judas, de zoon van Simon Iskariot. Toen Judas het stuk brood had aangepakt, kwam de Tegenstrever in hem. Daarom zei Jezus tegen hem: ‘Wat je doet, doe dat nog sneller.’ Maar niemand aan tafel wist waarom hij dat tegen hem zei. Omdat Judas de geldkist had, dachten sommigen dat Jezus zei dat hij de nodige inkopen voor het feest moest doen of dat hij iets aan de armen moest geven. Meteen nadat hij het stuk brood had gekregen, ging hij naar buiten. Het was nacht.

Toen hij naar buiten was gegaan, zei Jezus: ‘Nu wordt de mensenzoon verheerlijkt, en God wordt verheerlijkt vanwege hem. God zelf zal hem verheerlijken, en hij zal hem onmiddellijk verheerlijken. Lieve kinderen, ik blijf nog maar kort bij jullie. Jullie zullen me zoeken, maar wat ik tegen de Judeeërs heb gezegd, zeg ik nu ook tegen jullie: “Waar ik naartoe ga, kunnen jullie niet komen.” Ik geef jullie een nieuw gebod: Heb elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben. Hierdoor zal iedereen weten dat jullie mijn discipelen zijn: als jullie liefde voor elkaar hebben.’

Simon Petrus zei tegen hem: ‘Heer, waar ga je naartoe?’ Jezus antwoordde: ‘Waar ik naartoe ga, kun je me nu niet volgen, maar je zult later volgen.’ ‘Heer, waarom kan ik je nu niet volgen? Ik zal mijn leven voor je geven’, zei Petrus. Jezus antwoordde: ‘Zul jij je leven voor me geven? Echt, ik verzeker je: er zal geen haan kraaien voordat je drie keer gezegd hebt dat je mij niet kent.’

‘Wees niet ongerust. Vertrouw op God en vertrouw ook op mij. In het huis van mijn Vader zijn veel woningen. Als dat niet zo was, zou ik het jullie hebben gezegd. Ik ga weg om een plaats voor jullie in orde te maken. Maar als ik wegga en een plaats voor jullie in orde maak, zal ik terugkomen en jullie met me meenemen, zodat ook jullie kunnen zijn waar ik ben. En waar ik naartoe ga, daarheen weten jullie de weg.’

‘Heer,’ zei Thomas, ‘we weten niet waar je naartoe gaat. Hoe kunnen we dan de weg weten?’

Jezus antwoordde hem: ‘Ik ben de weg en de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader anders dan door mij. Als jullie mij kennen, zullen jullie ook mijn Vader kennen. Vanaf dit moment kennen jullie hem en hebben jullie hem gezien.’

Daarop zei Filippus: ‘Heer, laat ons de Vader zien, dan zijn we tevreden.’

Jezus zei tegen hem: ‘Zelfs nu ik al zo lang bij jullie ben, heb je me nog niet leren kennen, Filippus? Wie mij heeft gezien, heeft ook de Vader gezien. Hoe kun je dan zeggen: “Laat ons de Vader zien”? Geloof je niet dat ik in eendracht ben met de Vader en de Vader in eendracht is met mij? De dingen die ik tegen jullie zeg, spreek ik niet uit mezelf, maar het is het werk van de Vader, die in eendracht met mij blijft. Geloof me dat ik in eendracht ben met de Vader en de Vader in eendracht is met mij. Geloof het anders op grond van het werk zelf. Echt, ik verzeker jullie: wie in mij gelooft, zal ook de dingen doen die ik doe, en hij zal nog grotere dingen doen, want ik ga naar de Vader. En wat jullie ook vragen in mijn naam, dat zal ik doen, zodat de Vader geëerd wordt vanwege de zoon. Als je iets in mijn naam vraagt, zal ik het doen.

Als je van mij houdt, zul je mijn geboden naleven. Ik zal de Vader een verzoek doen en hij zal jullie een andere helper geven om voor altijd bij jullie te zijn: de geest van de waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, omdat ze hem niet ziet en niet kent. Jullie kennen hem, want hij blijft bij jullie en is in jullie. Ik laat jullie niet als wezen achter. Ik kom bij jullie terug. Nog een korte tijd en de wereld zal mij niet meer zien, maar jullie zullen mij wel zien, want ik leef en jullie zullen leven. Op die dag zullen jullie weten dat ik in eendracht ben met mijn Vader en jullie in eendracht zijn met mij en ik in eendracht ben met jullie. Wie mijn geboden kent en ze naleeft, die houdt van mij. En als iemand van mij houdt, zal mijn Vader van hem houden. Ook ik zal van hem houden en ik zal me duidelijk aan hem laten zien.’

Judas (niet Judas Iskariot) zei tegen hem: ‘Heer, hoe komt het dat je je wel aan ons duidelijk wilt laten zien en niet aan de wereld?’

Jezus antwoordde hem: ‘Als iemand van mij houdt, zal hij mijn woord naleven en mijn Vader zal van hem houden. Wij zullen naar hem toe komen en bij hem gaan wonen. Wie niet van mij houdt, leeft mijn woorden niet na. Het woord dat jullie horen, is niet van mij maar van de Vader, die mij heeft gestuurd.

Ik zeg die dingen tegen jullie nu ik nog bij jullie ben. Maar de helper, de heilige geest, die de Vader in mijn naam zal sturen, zal jullie alles leren en zal jullie alles in herinnering brengen wat ik jullie heb verteld. Vrede laat ik bij jullie achter, mijn vrede geef ik jullie, een andere vrede dan de wereld jullie geeft. Maak je niet ongerust en wees niet bang. Jullie hebben gehoord dat ik tegen jullie zei: “Ik ga weg en ik kom bij jullie terug.” Als jullie van mij hielden, zouden jullie blij zijn dat ik naar de Vader ga, want de Vader is groter dan ik. Ik heb het jullie nu gezegd, voordat het gebeurt, zodat als het gebeurt, je zult geloven. Ik zal niet veel meer met jullie praten, want de heerser van de wereld komt eraan, en hij heeft geen vat op mij. Maar ik doe precies wat de Vader me heeft opgedragen, zodat de wereld weet dat ik van de Vader houd. Sta op, laten we hier weggaan.

Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijnbouwer. Hij haalt elke rank aan mij die geen vruchten oplevert weg, en hij reinigt elke rank die wel vruchten oplevert, zodat die meer vrucht zal dragen. Jullie zijn al rein door het woord dat ik tot jullie heb gesproken. Blijf in eendracht met mij, en ik zal in eendracht met jullie blijven. Net zoals de rank uit zichzelf geen vruchten kan voortbrengen als hij niet aan de wijnstok blijft, zo kunnen ook jullie dat niet als jullie niet in eendracht met mij blijven. Ik ben de wijnstok, jullie zijn de ranken. Als iemand in eendracht met mij blijft en ik in eendracht met hem, dan draagt hij veel vrucht. Want los van mij kunnen jullie helemaal niets doen. Wie niet in eendracht met mij blijft, is als een rank die wordt weggegooid en verdort. Die ranken worden verzameld, in het vuur gegooid en verbrand. Als jullie in eendracht met mij blijven en mijn woorden in jullie blijven, kun je alles vragen wat je wilt en het zal je worden gegeven. Het eert mijn Vader als jullie veel vrucht blijven dragen en laten zien dat jullie mijn discipelen zijn. Zoals de Vader van mij houdt, houd ik van jullie. Blijf in mijn liefde. Als je je aan mijn geboden houdt, zul je in mijn liefde blijven, zoals ik me ook aan de geboden van de Vader heb gehouden en in zijn liefde blijf.

Die dingen zeg ik tegen jullie, zodat jullie dezelfde vreugde zullen hebben als ik en jullie vreugde compleet zal worden. Dit is mijn gebod: heb elkaar lief net zoals ik jullie heb liefgehad. Niemand heeft grotere liefde dan hij die zijn leven geeft voor zijn vrienden. Jullie zijn mijn vrienden als je doet wat ik je zeg. Ik noem jullie geen slaven meer, want een slaaf weet niet wat zijn meester doet. Maar ik noem jullie vrienden, want ik heb jullie alles verteld wat ik van mijn Vader heb gehoord. Jullie hebben mij niet uitgekozen, maar ik heb jullie uitgekozen. En ik heb jullie aangesteld om eropuit te gaan en vrucht te dragen — vruchten die blijvend zijn — zodat de Vader je alles zal geven wat je hem in mijn naam vraagt.

Die dingen gebied ik jullie zodat jullie van elkaar houden. Als de wereld jullie haat, bedenk dan dat ze mij eerder heeft gehaat dan jullie. Als jullie een deel van de wereld zouden zijn, zou de wereld aan jullie gehecht zijn als iets van haarzelf. Omdat jullie geen deel van de wereld zijn maar ik jullie uit de wereld heb uitgekozen, daarom haat de wereld jullie. Denk aan wat ik tegen jullie heb gezegd: een slaaf staat niet boven zijn meester. Als ze mij hebben vervolgd, zullen ze ook jullie vervolgen. Als ze zich aan mijn woord houden, zullen ze zich ook aan dat van jullie houden. Maar ze zullen jullie al die dingen aandoen vanwege mijn naam, omdat ze degene die mij heeft gestuurd niet kennen. Als ik niet was gekomen en niet tegen hen had gesproken, zouden ze geen zonde hebben. Maar nu hebben ze geen excuus voor hun zonde. Wie mij haat, haat ook mijn Vader. Ik heb onder hen dingen gedaan die niemand anders heeft gedaan. Als ik dat niet had gedaan, zouden ze geen zonde hebben. Maar nu hebben ze mij gezien en gehaat, en ook mijn Vader. Dat is gebeurd zodat vervuld werd wat in hun wet staat: “Ze hebben mij zonder reden gehaat.” Wanneer de helper komt die ik van de Vader naar jullie zal sturen — de geest van de waarheid, die van de Vader komt — zal die over mij getuigen. En ook jullie moeten getuigen, want jullie zijn vanaf het begin bij mij geweest.

Ik zeg die dingen tegen jullie zodat jullie niet struikelen. Jullie zullen uit de synagoge worden gebannen. Er komt zelfs een tijd dat iedereen die jullie doodt, zal denken dat hij God een dienst heeft bewezen. Ze zullen die dingen doen omdat ze de Vader en mij niet hebben leren kennen. Maar ik vertel jullie dit zodat je, als de tijd komt dat het allemaal gebeurt, je zult herinneren dat ik het jullie heb verteld.

Ik heb jullie dit eerst niet verteld, omdat ik bij jullie was. Maar nu ga ik naar hem die me heeft gestuurd. Toch vraagt niemand van jullie: “Waar ga je naartoe?” Maar omdat ik deze dingen tegen jullie heb gezegd, is jullie hart vol verdriet. En toch, ik zeg jullie de waarheid, het is voor jullie bestwil dat ik wegga. Want als ik niet wegga, zal de helper niet bij jullie komen. Maar als ik wel ga, zal ik hem naar jullie toe sturen. En wanneer die komt, zal hij de wereld overtuigend bewijs geven van zonde en van rechtvaardigheid en van oordeel: ten eerste van zonde, omdat ze niet in mij geloven, vervolgens van rechtvaardigheid, omdat ik naar de Vader ga en jullie me niet meer zullen zien, en van oordeel, omdat de heerser van deze wereld geoordeeld is.

Ik heb jullie nog veel te zeggen, maar jullie kunnen het nu niet bevatten. Maar wanneer die komt, de geest van de waarheid, zal hij jullie in alle waarheid leiden. Want hij zal niet uit zichzelf spreken, maar hij zal zeggen wat hij hoort en hij zal jullie bekendmaken wat komen gaat. Hij zal mij eren, want hij zal jullie bekendmaken wat hij van mij ontvangt. Alles wat de Vader heeft, is van mij. Daarom heb ik gezegd dat hij jullie bekendmaakt wat hij van mij ontvangt. Nog een korte tijd en jullie zullen me niet meer zien, en na weer een korte tijd zullen jullie me wel zien.’

Daarop zeiden sommigen van zijn discipelen tegen elkaar: ‘Wat bedoelt hij als hij tegen ons zegt: “Nog een korte tijd en jullie zullen me niet zien, en na weer een korte tijd zullen jullie me wel zien”? En: “Omdat ik naar de Vader ga”?’ Ze zeiden: ‘Wat bedoelt hij met “een korte tijd”? We weten niet waar hij het over heeft.’ Jezus wist dat ze hem iets wilden vragen, daarom zei hij tegen ze: ‘Vragen jullie dit aan elkaar omdat ik heb gezegd: “Nog een korte tijd en jullie zullen me niet zien, en na weer een korte tijd zullen jullie me wel zien”? Echt, ik verzeker jullie: Jullie zullen huilen en jammeren, maar de wereld zal blij zijn. Jullie zullen verdriet hebben, maar jullie verdriet zal in vreugde veranderen. Als een vrouw aan het bevallen is, heeft ze het moeilijk omdat haar tijd gekomen is, maar als het kind geboren is, denkt ze niet meer aan de pijn omdat ze blij is dat er een mens ter wereld is gekomen. Zo is het ook met jullie: nu hebben jullie verdriet, maar ik zal jullie terugzien en jullie hart zal vol vreugde zijn, en niemand zal jullie je vreugde afnemen. Op die dag zullen jullie mij geen enkele vraag stellen. Echt, ik verzeker jullie: als je de Vader om iets vraagt, zal hij het je in mijn naam geven. Tot nu toe hebben jullie niets in mijn naam gevraagd. Vraag en je zult ontvangen, zodat je vreugde compleet zal zijn.

Ik heb jullie deze dingen met vergelijkingen verteld. De tijd komt dat ik niet meer in vergelijkingen tegen jullie spreek, maar dat ik jullie in duidelijke taal over de Vader vertel. Dan zul je de Vader in mijn naam om iets vragen. Maar ik bedoel niet dat ik het voor jullie zal vragen. Want de Vader zelf is aan jullie gehecht, omdat jullie gehecht zijn aan mij en geloven dat ik als vertegenwoordiger van God ben gekomen. Ik kwam als vertegenwoordiger van de Vader en ben in de wereld gekomen. Nu verlaat ik de wereld en ga naar de Vader.’

Zijn discipelen zeiden: ‘Kijk, nu spreek je duidelijk en gebruik je geen vergelijkingen. Nu weten we dat je alles weet en dat het niet nodig is je vragen te stellen. Hierdoor geloven we dat je van God bent gekomen.’ Jezus antwoordde hun: ‘Geloven jullie nu? Luister! Er komt een tijd — eigenlijk is die er al — dat jullie uit elkaar gejaagd zullen worden, allemaal naar je eigen huis, en jullie zullen mij alleen laten. Maar ik ben niet alleen, want de Vader is met mij. Deze dingen heb ik tegen jullie gezegd, zodat jullie door mij vrede zullen hebben. In de wereld zullen jullie het zwaar te verduren krijgen, maar houd moed! Ik heb de wereld overwonnen.’

Nadat Jezus die dingen had gezegd, sloeg hij zijn ogen op naar de hemel en zei: ‘Vader, de tijd is gekomen. Verheerlijk uw zoon zodat uw zoon u verheerlijkt. U hebt hem autoriteit gegeven over alle mensen, zodat hij eeuwig leven kan geven aan iedereen die u hem hebt gegeven. Dit betekent eeuwig leven, dat ze u leren kennen, de enige ware God, en ook degene die u hebt gestuurd, Jezus de gezalfde. Ik heb u op aarde verheerlijkt door het werk te voltooien dat u me te doen hebt gegeven. En nu, Vader, verheerlijk mij aan uw zijde met de eer die ik naast u had voordat de wereld er was.

Ik heb uw naam openbaar gemaakt aan de mensen die u mij uit de wereld hebt gegeven. Ze waren van u, en u hebt ze aan mij gegeven. Ze hebben zich aan uw woord gehouden. Ze weten nu dat alles wat u me hebt gegeven, van u komt. Want ik heb hun de woorden doorgegeven die u mij hebt gegeven. Ze hebben ze aanvaard en weten nu echt dat ik als uw vertegenwoordiger ben gekomen, en ze geloven dat u me hebt gestuurd. Ik doe een verzoek voor hen. Ik doe geen verzoek voor de wereld, maar voor hen die u me gegeven hebt, want ze zijn van u. Alles wat ik heb, is van u en wat u hebt, is van mij, en ik ben onder hen verheerlijkt.

Ik ben al niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld, en ik kom naar u toe. Heilige Vader, waak over hen ter wille van uw naam, die u mij gegeven hebt, zodat zij één mogen zijn zoals wij één zijn. Toen ik bij hen was, waakte ik steeds over hen ter wille van uw naam, die u mij gegeven hebt. Ik heb hen beschermd, en niet één van hen is vernietigd, behalve de zoon van vernietiging, zodat de Schrift vervuld zou worden. Maar nu kom ik naar u toe, en ik vertel deze dingen in de wereld, zodat ze compleet vervuld zullen zijn van mijn vreugde. Ik heb uw woord aan hen doorgegeven, maar de wereld heeft hen gehaat, omdat ze geen deel van de wereld zijn, net zoals ik geen deel van de wereld ben.

Ik vraag u niet om hen uit de wereld weg te nemen, maar om over hen te waken vanwege de goddeloze. Ze zijn geen deel van de wereld, net zoals ik geen deel van de wereld ben. Heilig hen door de waarheid. Uw woord is waarheid. Ik heb hen de wereld in gestuurd, zoals u mij de wereld in hebt gestuurd. En ik heilig mij voor hen, zodat ook zij door waarheid geheiligd worden.

Ik doe niet alleen voor hen een verzoek, maar ook voor iedereen die door hun woord in mij gelooft, zodat ze allemaal één zullen zijn, net zoals u, Vader, in eendracht met mij bent en ik in eendracht met u ben, dat ook zij in eendracht met ons zijn, zodat de wereld gelooft dat u mij hebt gestuurd. Ik heb ze de eer gegeven die u mij hebt gegeven, zodat ze één zullen zijn net zoals wij één zijn. Ik ben in eendracht met hen en u bent in eendracht met mij, zodat ze volmaakt één worden gemaakt. Daardoor zal de wereld weten dat u mij hebt gestuurd en dat u van hen houdt net zoals u van mij houdt. Vader, ik wil dat degenen die u mij hebt gegeven, bij mij zijn waar ik ben, zodat ze mijn glorie mogen zien die u me hebt gegeven, omdat u al vóór de grondlegging van de wereld van mij hield. Rechtvaardige Vader, de wereld heeft u niet leren kennen, maar ik ken u, en zij weten nu dat u me hebt gestuurd. Ik heb hun uw naam bekendgemaakt en zal hem bekendmaken, zodat de liefde die u voor mij hebt in hen zal zijn en ik in eendracht zal zijn met hen.’

Nadat Jezus die dingen had gezegd, ging hij met zijn discipelen naar de overkant van het Kidrondal. Daar gingen hij en zijn discipelen een tuin in. Maar ook Judas, zijn verrader, kende die plek, omdat Jezus er vaak met zijn discipelen was samengekomen. Judas ging ernaartoe met een groep soldaten en beambten van de overpriesters en van de farizeeën. Ze kwamen daar met fakkels, lampen en wapens. Jezus wist wat er allemaal met hem zou gebeuren. Daarom stapte hij naar voren en zei: ‘Wie zoeken jullie?’ Ze antwoordden: ‘Jezus de Nazarener.’ ‘Ik ben het’, zei hij. Ook Judas, zijn verrader, stond bij hen.

Toen Jezus zei: ‘Ik ben het’, deinsden ze achteruit en vielen op de grond. ‘Wie zoeken jullie?’, vroeg hij hun nog eens. Ze zeiden: ‘Jezus de Nazarener.’ Jezus antwoordde: ‘Ik heb jullie al gezegd dat ik het ben. Als jullie mij zoeken, laat deze mannen dan gaan.’ Zo zou in vervulling gaan wat hij had gezegd: ‘Van degenen die u mij hebt gegeven, heb ik er niet één verloren laten gaan.’

Simon Petrus trok het zwaard dat hij bij zich had, haalde uit naar de slaaf van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af. De slaaf heette Malchus. Maar Jezus zei tegen Petrus: ‘Steek het zwaard in de schede. Zou ik de beker niet drinken die de Vader mij heeft gegeven?’

De soldaten, de bevelhebber en de beambten van de Judeeërs grepen Jezus en boeiden hem. Ze brachten hem eerst naar Annas, want hij was de schoonvader van Kajafas, die dat jaar hogepriester was. Kajafas was degene die de Judeeërs had geadviseerd dat het beter voor hen was dat één mens stierf voor het volk.

Simon Petrus en een andere discipel volgden Jezus. Die discipel was een bekende van de hogepriester, en hij ging met Jezus de binnenplaats van de hogepriester op. Maar Petrus bleef buiten bij de deur staan. De andere discipel, die een bekende van de hogepriester was, ging daarom naar buiten, sprak met de portier en nam Petrus mee naar binnen. Het dienstmeisje dat portier was, zei tegen Petrus: ‘Ben jij soms ook een discipel van die man?’ ‘Nee, ik niet’, zei hij. De slaven en de beambten stonden zich te warmen rond een houtskoolvuur, dat ze hadden aangelegd omdat het koud was. Ook Petrus stond zich erbij te warmen.

De overpriester ondervroeg Jezus over zijn discipelen en over zijn leer. Jezus antwoordde hem: ‘Ik heb in het openbaar tot de wereld gesproken. Ik heb altijd onderwijs gegeven in synagogen en in de tempel, waar alle Judeeërs bij elkaar komen, en ik heb nooit iets in het geheim gezegd. Waarom ondervraagt u mij? Ondervraag de mensen die hebben gehoord wat ik hun verteld heb. Zij weten wat ik heb gezegd.’ Nadat Jezus die dingen had gezegd, gaf een van de beambten die erbij stond hem een klap in het gezicht en zei: ‘Is dat een manier om de overpriester te antwoorden?’ Jezus zei: ‘Als ik iets verkeerds heb gezegd, zeg dan wat er verkeerd was. Maar als het juist was wat ik heb gezegd, waarom slaat u me dan?’ Daarna stuurde Annas hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester.

Simon Petrus stond zich daar te warmen. Toen zeiden ze tegen hem: ‘Ben jij soms ook een discipel van hem?’ ‘Nee,’ ontkende hij, ‘ik niet.’ Een van de slaven van de hogepriester, die familie was van de man bij wie Petrus het oor had afgeslagen, zei: ‘Ik heb je toch in de tuin bij hem gezien?’ Maar weer ontkende Petrus het, en onmiddellijk kraaide er een haan.

Toen brachten ze Jezus van Kajafas naar het verblijf van de gouverneur. Het was vroeg in de morgen. Zelf gingen ze het verblijf van de gouverneur niet binnen, want dan zouden ze verontreinigd worden en het Pascha niet kunnen eten. Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg hun: ‘Waar beschuldigen jullie deze man van?’ Ze antwoordden hem: ‘Als hij geen misdadiger was, zouden we hem niet aan u hebben overgeleverd.’ Daarop zei Pilatus: ‘Neem hem dan zelf mee en oordeel hem volgens jullie wet.’ Maar de Judeeërs zeiden: ‘We hebben niet het recht om iemand te doden.’ Zo zou de uitspraak van Jezus worden vervuld die hij had gedaan om aan te geven hoe hij zou sterven.

Pilatus ging het gouverneursverblijf weer binnen, riep Jezus en vroeg hem: ‘Bent u de Koning van de Judeeërs?’ Jezus antwoordde: ‘Vraagt u dat uit uzelf of hebben anderen u over mij verteld?’ Daarop zei Pilatus: ‘Ik ben toch geen Judeeër? Uw eigen volk en de overpriesters hebben u aan mij overgeleverd. Wat hebt u gedaan?’ Jezus antwoordde: ‘Mijn Koninkrijk is geen deel van deze wereld. Als mijn Koninkrijk een deel van deze wereld was, zouden mijn dienaren hebben gevochten, zodat ik niet aan de Judeeërs overgeleverd zou worden. Maar mijn Koninkrijk is nu eenmaal niet van hier.’ Toen zei Pilatus tegen hem: ‘U bent dus toch een koning?’ Jezus antwoordde: ‘U zegt zelf dat ik een koning ben. Hiervoor ben ik geboren en hiervoor ben ik in de wereld gekomen: om te getuigen van de waarheid. Iedereen die aan de kant van de waarheid staat, luistert naar mijn stem.’ Daarop zei Pilatus: ‘Wat is waarheid?’

Na dat te hebben gezegd, ging hij weer naar buiten. Hij zei tegen de Judeeërs: ‘Ik vind niets waaraan hij schuldig is. Maar het is bij jullie gebruikelijk dat ik op het Pascha iemand vrijlaat. Willen jullie dat ik de Koning van de Judeeërs vrijlaat?’ Toen schreeuwden ze weer: ‘Nee, niet hem maar Barabbas!’ Barabbas was een misdadiger.

Toen liet Pilatus Jezus wegvoeren en geselen. De soldaten vlochten een doornenkroon die ze op zijn hoofd zetten en deden hem een purperen gewaad aan. Ze liepen naar hem toe en zeiden: ‘Gegroet, Koning van de Judeeërs!’ Ze sloegen hem ook in het gezicht. Pilatus ging weer naar buiten en zei tegen hen: ‘Luister, ik breng hem naar buiten bij jullie om jullie te laten weten dat ik niets vind waaraan hij schuldig is.’ Jezus kwam dus naar buiten, met de doornenkroon op en het purperen gewaad aan. Pilatus zei: ‘Kijk, de mens!’ Maar toen de overpriesters en de beambten hem zagen, schreeuwden ze: ‘Aan de paal met hem! Aan de paal met hem!’ Daarop zei Pilatus: ‘Neem hem dan zelf mee en hang hem aan een paal, want ik vind niets waaraan hij schuldig is.’ De Judeeërs antwoordden hem: ‘We hebben een wet, en volgens de wet moet hij sterven, omdat hij heeft beweerd dat hij Gods zoon is.’

Toen Pilatus hoorde wat ze zeiden, werd hij nog banger. Hij ging het verblijf van de gouverneur weer binnen en zei tegen Jezus: ‘Waar komt u vandaan?’ Maar Jezus gaf hem geen antwoord. ‘Weigert u met mij te praten?’, vroeg Pilatus. ‘Weet u niet dat ik de macht heb om u vrij te laten en de macht om u aan een paal te hangen?’ Jezus antwoordde hem: ‘U zou helemaal geen macht over mij hebben als die u niet van boven gegeven was. Om die reden heeft degene die mij aan u heeft overgeleverd grotere zonde.’

Daarom bleef Pilatus naar een manier zoeken om hem vrij te laten. Maar de Judeeërs schreeuwden: ‘Als u deze man vrijlaat, bent u geen vriend van caesar. Iedereen die zichzelf koning maakt, verzet zich tegen caesar.’ Toen Pilatus dat hoorde, bracht hij Jezus naar buiten. Hij ging op een rechterstoel zitten op een plek die het Stenen Plaveisel wordt genoemd, in het Hebreeuws Gabbatha. Het was de voorbereidingsdag van het Pascha, ongeveer het zesde uur. Hij zei tegen de Judeeërs: ‘Kijk, jullie koning!’ Maar ze schreeuwden: ‘Weg met hem! Weg met hem! Aan de paal met hem!’ Pilatus zei tegen hen: ‘Zal ik jullie koning aan een paal hangen?’ De overpriesters antwoordden: ‘Wij hebben geen andere koning dan caesar.’ Toen leverde hij hem aan ze over om aan een paal gehangen te worden.

Ze namen Jezus mee. Hij droeg zelf de martelpaal en ging naar de zogeheten Schedelplaats, die in het Hebreeuws Golgotha wordt genoemd. Daar hingen ze hem aan de paal, naast twee andere mannen, één aan elke kant en Jezus in het midden. Pilatus schreef ook een opschrift op een bord en bevestigde dat op de martelpaal. Er stond: ‘Jezus de Nazarener, de Koning van de Judeeërs’. Veel Judeeërs lazen dat opschrift, want de plek waar Jezus aan de paal werd gehangen, lag dicht bij de stad. Het was geschreven in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks. De overpriesters van de Judeeërs zeiden tegen Pilatus: ‘Schrijf niet “de Koning van de Judeeërs”, maar dat hij heeft gezegd: “Ik ben Koning van de Judeeërs.”’ Pilatus antwoordde: ‘Wat ik heb geschreven, heb ik geschreven.’

Toen de soldaten Jezus aan de paal hadden gehangen, namen ze zijn bovenkleren en verdeelden die in vieren, voor elke soldaat een deel. Ze namen ook het onderkleed, maar dat had geen naad, het was van bovenaf aan één stuk geweven. Daarom zeiden ze tegen elkaar: ‘Laten we het niet scheuren, maar laten we erom loten wie het krijgt.’ Zo zou vervuld worden wat de Schrift zegt: ‘Ze verdeelden mijn kleren onder elkaar, ze verlootten mijn kleding.’ En dat hebben de soldaten ook echt gedaan.

Bij de martelpaal van Jezus stonden zijn moeder en de zus van zijn moeder, en ook Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena. Toen Jezus zijn moeder zag staan en bij haar de discipel van wie hij veel hield, zei hij tegen zijn moeder: ‘Kijk, uw zoon!’ Vervolgens zei hij tegen de discipel: ‘Kijk, je moeder!’ En vanaf dat moment nam de discipel haar bij zich in huis.

Jezus wist dat nu alles was volbracht, en om de Schrift in vervulling te laten gaan zei hij: ‘Ik heb dorst.’ Er stond daar een kruik zure wijn. Daarom staken ze een spons vol zure wijn op een hysopstengel en brachten die naar zijn mond. Toen Jezus de zure wijn had ontvangen, zei hij: ‘Het is volbracht!’ En hij boog zijn hoofd en gaf de geest.

Omdat het de voorbereidingsdag was, vroegen de Judeeërs aan Pilatus of de benen van de mannen gebroken mochten worden en de lichamen weggenomen konden worden, zodat de lichamen niet op de sabbat aan de martelpalen zouden blijven hangen (want het was een grote sabbat). De soldaten kwamen dus en braken de benen van de eerste man en ook die van de andere man die naast hem aan een paal hing. Maar toen ze bij Jezus kwamen, zagen ze dat hij al dood was. Daarom braken ze zijn benen niet. Maar een van de soldaten stak met een speer in zijn zij, en meteen kwam er bloed en water uit. En hij die het heeft gezien, heeft daarvan getuigd, en zijn getuigenis is waar. Hij weet dat wat hij zegt waar is, zodat ook jullie gaan geloven. Dat is gebeurd zodat het Schriftgedeelte vervuld zou worden: ‘Geen van zijn botten zal worden gebroken.’ En nog een ander Schriftgedeelte zegt: ‘Ze zullen kijken naar degene die ze hebben doorstoken.’

Daarna vroeg Jozef van Arimathea — die uit angst voor de Judeeërs in het geheim een discipel van Jezus was — aan Pilatus of hij het lichaam van Jezus mocht meenemen. Toen Pilatus hem toestemming had gegeven, kwam hij het lichaam weghalen. Nikodemus, de man die een keer ’s nachts naar Jezus toe was gekomen, kwam ook. Hij had een mengsel van mirre en aloë bij zich, ongeveer 100 pond. Ze namen het lichaam van Jezus en wikkelden het met de specerijen in linnen doeken, zoals bij de Judeeërs gebruikelijk is als iemand begraven wordt. Dicht bij de plek waar hij aan een paal was gehangen, lag een tuin, en in de tuin was een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was gelegd. Omdat het de voorbereidingsdag van de Judeeërs was en het graf dichtbij was, legden ze Jezus daarin.

Vroeg op de eerste dag van de week, terwijl het nog donker was, kwam Maria Magdalena bij het graf. Ze zag dat de steen voor het graf al was weggehaald. Ze rende dus naar Simon Petrus en de andere discipel, aan wie Jezus gehecht was, en zei tegen ze: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald, en we weten niet waar ze hem hebben neergelegd.’

Petrus en de andere discipel gingen op weg naar het graf. De twee renden samen weg, maar de andere discipel rende sneller dan Petrus en kwam als eerste bij het graf aan. Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. Even later kwam ook Simon Petrus bij het graf aan. Hij ging naar binnen en zag de linnen doeken liggen. De doek die om Jezus’ hoofd had gezeten, lag niet bij de andere stroken stof, maar lag apart opgerold op een andere plek. Toen ging ook de andere discipel, die als eerste bij het graf was aangekomen, naar binnen. Hij zag het en geloofde. Want ze hadden het Schriftgedeelte waarin stond dat hij uit de dood moest opstaan nog niet begrepen. Toen gingen de discipelen terug naar huis.

Maar Maria bleef buiten bij het graf staan en huilde. Huilend boog ze zich voorover om in het graf te kijken. Op de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen, zag ze twee (hemelse) boodschappers in witte kleren zitten, één aan het hoofdeind en één aan het voeteneind. Ze vroegen haar: ‘Waarom huil je?’ Ze antwoordde: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald, en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.’ Nadat ze dat had gezegd, draaide ze zich om en zag ze Jezus staan, maar ze besefte niet dat het Jezus was. Jezus zei tegen haar: ‘Waarom huil je? Wie zoek je?’ Omdat ze dacht dat het de tuinman was, zei ze tegen hem: ‘Mijnheer, als u hem hebt weggehaald, zeg me dan waar u hem hebt neergelegd, dan zal ik hem meenemen.’ Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei tegen hem in het Hebreeuws: ‘Rabboni!’ (Dat betekent ‘Meester!’) Jezus zei tegen haar: ‘Houd me niet vast, want ik ben nog niet naar de Vader opgestegen. Maar ga naar mijn broeders en vertel hun: “Ik stijg op naar mijn Vader en jullie Vader en naar mijn God en jullie God.”’ Maria Magdalena ging naar de discipelen en liet ze weten: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde hun wat hij tegen haar had gezegd.

Laat op die dag, de eerste dag van de week, waren de discipelen bij elkaar. Uit angst voor de Judeeërs hadden ze de deuren op slot gedaan. Jezus kwam in hun midden staan en zei tegen ze: ‘Vrede zij met jullie.’ Nadat hij dat had gezegd, liet hij hun zijn handen en zijn zij zien. De discipelen waren blij toen ze de Heer zagen. ‘Vrede zij met jullie’, zei Jezus nog een keer tegen ze. ‘Zoals de Vader mij heeft gestuurd, stuur ik ook jullie.’ Nadat hij dat had gezegd, blies hij op hen en zei: ‘Ontvang heilige geest. Als jullie de zonden van iemand vergeven, dan zijn ze vergeven. Vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’

Maar Thomas, één van de twaalf, die de Tweeling werd genoemd, was niet bij hen toen Jezus kwam. De andere discipelen vertelden hem dus: ‘We hebben de Heer gezien!’ Maar hij zei tegen ze: ‘Alleen als ik in zijn handen de wonden van de spijkers zie en mijn vinger in de wonden van de spijkers steek, en als ik mijn hand in zijn zij steek, zal ik het geloven.’

Acht dagen later waren zijn discipelen opnieuw bij elkaar, en Thomas was erbij. Hoewel de deuren op slot waren, kwam Jezus in hun midden staan. Hij zei: ‘Vrede zij met jullie.’ Vervolgens zei hij tegen Thomas: ‘Leg je vinger hier en zie mijn handen, en steek je hand in mijn zij. Twijfel niet langer maar geloof.’ Thomas antwoordde hem: ‘Mijn Heer en mijn God!’ Jezus zei tegen hem: ‘Geloof je omdat je me hebt gezien? Gelukkig zijn degenen die niet hebben gezien en toch geloven.’

Jezus heeft natuurlijk nog veel meer wonderen in het bijzijn van de discipelen gedaan, die niet in deze boekrol zijn opgeschreven. Maar deze zijn opgeschreven zodat jullie geloven dat Jezus de Gezalfde is, de zoon van God, en zodat jullie vanwege dat geloof leven hebben door zijn naam.

Later verscheen Jezus opnieuw aan de discipelen, bij het Meer van Tiberias. Dat gebeurde als volgt. Daar waren bij elkaar: Simon Petrus, Thomas (die de Tweeling werd genoemd), Nathanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee van zijn discipelen. Simon Petrus zei tegen ze: ‘Ik ga vissen.’ Daarop zeiden ze: ‘We gaan met je mee.’ Ze stapten in de boot en vertrokken, maar ze vingen die nacht niets.

Toen het ochtend werd, stond Jezus op de oever, maar de discipelen beseften niet dat het Jezus was. Jezus zei tegen ze: ‘Kinderen, hebben jullie misschien wat te eten?’ ‘Nee’, antwoordden ze. Hij zei: ‘Gooi het net uit aan de rechterkant van de boot en je zult iets vangen.’ Ze gooiden het dus uit, en er zat zo veel vis in dat ze het niet meer konden binnenhalen. De discipel van wie Jezus veel hield zei tegen Petrus: ‘Het is de Heer!’ Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was, deed hij zijn bovenkleed aan, want hij was naakt, en sprong in het meer. Maar de andere discipelen kwamen met de kleine boot en sleepten het net vol vissen achter zich aan. Ze waren niet ver van land, ongeveer 90 meter.

Toen ze aan land kwamen, zagen ze een houtskoolvuur met vis erop en brood. Jezus zei tegen ze: ‘Haal wat van de vis die jullie net hebben gevangen.’ Simon Petrus ging aan boord en trok het net aan land. Het zat vol grote vissen, 153 stuks. En hoewel het er zo veel waren, scheurde het net niet. Jezus zei tegen ze: ‘Kom ontbijten.’ Niemand van de discipelen had de moed hem te vragen: ‘Wie ben je?’, want ze wisten dat het de Heer was. Jezus nam het brood en gaf het hun, en hij gaf hun ook de vis. Dat was de derde keer dat Jezus aan de discipelen verscheen nadat hij uit de dood was opgewekt.

Toen ze klaar waren met ontbijten zei Jezus tegen Simon Petrus: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je mij meer lief dan deze?’ Hij antwoordde: ‘Ja, Heer, je weet dat ik aan je gehecht ben.’ Hij zei tegen hem: ‘Voed mijn lammeren.’ Opnieuw vroeg hij hem, voor de tweede keer: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je me lief?’ Hij antwoordde: ‘Ja, Heer, je weet dat ik aan je gehecht ben.’ Hij zei tegen hem: ‘Weid mijn schaapjes.’ Voor de derde keer vroeg hij: ‘Simon, zoon van Johannes, ben je aan mij gehecht?’ Petrus werd verdrietig omdat hij hem voor de derde keer vroeg: ‘Ben je aan mij gehecht?’ Daarom zei hij: ‘Heer, je weet alles, je weet toch dat ik aan je gehecht ben.’ Jezus zei tegen hem: ‘Voed mijn schaapjes. Echt, ik verzeker je: Toen je jonger was, deed je zelf je kleren aan en ging je waarheen je wilde. Maar als je oud wordt, zul je je handen uitstrekken en zal een ander je aankleden en je dragen waar je niet heen wilt.’ Dat zei hij om aan te geven door wat voor dood hij God zou eren. Nadat hij dat had gezegd, zei hij: ‘Blijf mij volgen.’

Petrus draaide zich om en zag dat de discipel van wie Jezus veel hield, hen volgde. Dat was degene die bij de avondmaaltijd achterover had geleund tegen zijn borst en had gezegd: ‘Heer, wie is het die je verraadt?’ Toen Petrus hem zag, zei hij tegen Jezus: ‘En deze man dan, Heer?’ Jezus zei tegen hem: ‘Als het mijn wil is dat hij blijft totdat ik kom, wat gaat jou dat dan aan? Jij moet mij blijven volgen.’ Als gevolg daarvan werd er onder de broeders gezegd dat die discipel niet zou sterven. Maar Jezus had niet tegen hem gezegd dat hij niet zou sterven. Hij had gezegd: ‘Als het mijn wil is dat hij blijft totdat ik kom, wat gaat jou dat dan aan?’

Dat is de discipel die over deze dingen getuigt en die deze dingen heeft opgeschreven, en wij weten dat zijn getuigenis waar is.

Er zijn nog veel meer dingen die Jezus heeft gedaan. Als die ooit uitgebreid zouden worden opgeschreven, dan zou de wereld zelf, denk ik, te klein zijn voor de geschreven boekrollen.

__________

[1]
(Grieks: 'πρὶν Ἀβραὰμ γενέσθαι ἐγὼ εἰμί').
Johannes 1:1 (Caveat Lector)
. Een grondige analyse door Anthony Buzzard van Johannes 1:1.
'Johannes 1:1' in meer dan 50 verschillende Engelse vertalingen (vertaald in het Nederlands).
[2]
'Johannes 3:13 en 6:62'. Een grondige analyse door Anthony Buzzard van Johannes 3:13 en 6:62.
[3]
'De aard van de pre-existentie in het Nieuwe Testament'. Een grondige analyse door Anthony Buzzard.
'Kolossenzen 1:15-20 — Voorbestaan of voorrang?' . Een grondige analyse door Anthony Buzzard.