Het verslag van Lukas


Schrijver: Lukas
Waar geschreven: Cesarea
Geschrift voltooid: ca. 56-58 n.Chr.
Beschreven periode: 3 v.Chr.–33 n.Chr.


Velen hebben de moeite genomen om een verslag op te stellen van de gebeurtenissen die voor ons vaststaan. Die zijn aan ons doorgegeven door degenen die vanaf het begin ooggetuigen en dienaren van de boodschap zijn geweest. Omdat ik alle dingen vanaf het begin nauwkeurig ben nagegaan, heb ook ik besloten ze in logische volgorde op te schrijven, geachte Theofilus, zodat u ervan overtuigd raakt dat de dingen waarin u mondeling bent onderwezen inderdaad betrouwbaar zijn.

In de tijd dat Herodes koning was van Judea, was er een priester die Zacharias heette, van de afdeling van Abia. Hij was getrouwd met Elisabeth, die afstamde van Aäron. Ze waren allebei rechtvaardig in Gods ogen, omdat ze zich onberispelijk hielden aan alle geboden en voorschriften van Jehovah. Maar ze hadden geen kinderen, want Elisabeth was onvruchtbaar en ze waren allebei al op leeftijd.

Op een bepaald moment deed Zacharias dienst als priester voor God omdat zijn afdeling aan de beurt was. Hij was volgens het gebruik van de priesters aangewezen om het heiligdom van Jehovah binnen te gaan en een reukoffer te brengen. Op het uur waarop het reukoffer werd gebracht, stond de samengestroomde menigte buiten te bidden. Toen verscheen Jehovah’s (hemelse) boodschapper aan hem, aan de rechterkant van het reukofferaltaar. Zacharias schrok toen hij hem zag en werd bang. Maar de (hemelse) boodschapper zei tegen hem: ‘Wees niet bang, Zacharias, want je smeekgebed is verhoord. Je vrouw Elisabeth zal je een zoon schenken, en je moet hem Johannes noemen. Je zult veel vreugde en blijdschap hebben, en veel mensen zullen blij zijn met zijn geboorte, want hij zal groot zijn in de ogen van Jehovah. Hij mag geen wijn of andere alcoholische drank drinken. Al vóór zijn geboorte zal hij vervuld zijn met heilige geest, en hij zal veel Israëlieten bij Jehovah, hun God, terugbrengen. Bovendien zal hij voor hem uit gaan met de geest en de kracht van Elia om het hart van vaders tot kinderen terug te brengen en ongehoorzame mensen tot de praktische wijsheid van rechtvaardigen. Zo zal hij voor Jehovah een volk voorbereiden.’

Zacharias zei tegen de (hemelse) boodschapper: ‘Hoe kan ik daar zeker van zijn? Ik ben oud en ook mijn vrouw is al op leeftijd.’ De (hemelse) boodschapper antwoordde: ‘Ik ben Gabriël en ik ben altijd dicht bij God. Hij heeft mij gestuurd om met je te spreken en je dit goede nieuws te vertellen. Maar luister! Je zult zwijgen en niet kunnen praten tot de dag waarop deze dingen gebeuren, omdat je mijn woorden niet hebt geloofd. Toch zullen die op de vastgestelde tijd in vervulling gaan.’ Intussen stonden de mensen buiten op Zacharias te wachten, en ze waren verbaasd dat hij zo lang in het heiligdom bleef. Toen hij naar buiten kwam, kon hij niet praten en ze begrepen dat hij in het heiligdom een visioen had gehad. Hij maakte steeds gebaren tegen ze maar kon niets zeggen. Nadat de periode van zijn heilige dienst was afgelopen, ging hij naar huis.

Niet lang daarna werd zijn vrouw Elisabeth zwanger, en ze leefde vijf maanden in afzondering. Ze zei: ‘Dit heeft Jehovah voor me gedaan. Hij heeft aan me gedacht en ervoor gezorgd dat de mensen me niet meer verachten.’

In haar zesde maand stuurde God de (hemelse) boodschapper Gabriël naar Nazareth, een stad in Galilea, naar een maagd die Maria heette. Ze was verloofd met Jozef, een man uit de familie van David. Hij kwam bij haar en zei tegen haar: ‘Gegroet! Je bent bijzonder gezegend en Jehovah is met je.’ Ze schrok van wat hij zei en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had. Daarom zei de (hemelse) boodschapper: ‘Wees niet bang, Maria, want je geniet de gunst van God. Luister! Je zult zwanger worden en een zoon krijgen, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. Jehovah God zal hem de troon van zijn vader David geven. Hij zal voor eeuwig als Koning over het huis van Jakob regeren en aan zijn Koninkrijk zal geen eind komen.’

Maar Maria zei tegen de (hemelse) boodschapper: ‘Hoe zal dat gebeuren? Want ik heb geen gemeenschap met een man.’ De (hemelse) boodschapper antwoordde: ‘Heilige geest zal over je komen en kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat wordt geboren, heilig worden genoemd, Gods Zoon. Ook je familielid Elisabeth is in verwachting van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Er werd gedacht dat ze onvruchtbaar was, maar ze is nu al in haar zesde maand. Voor God is niets onmogelijk.’ Toen zei Maria: ‘Ik ben Jehovah’s slavin! Laat het gebeuren zoals u hebt gezegd.’ Daarna ging de (hemelse) boodschapper bij haar weg.

In die tijd vertrok Maria haastig naar het bergland, naar een stad in Juda. Ze ging het huis van Zacharias binnen en begroette Elisabeth. Toen Elisabeth Maria’s groet hoorde, sprong de baby op in haar buik. Elisabeth werd vervuld met heilige geest en riep uit: ‘Gezegend ben jij onder de vrouwen! En gezegend is de vrucht van je buik! Waar heb ik het aan te danken dat de moeder van mijn Heer bij mij komt? Want toen ik je begroeting hoorde, sprong de baby van blijdschap op in mijn buik. Gelukkig is ook zij die gelooft wat er tegen haar is gezegd, want Jehovah zal al die dingen volledig in vervulling laten gaan.’

Maria zei: ‘Mijn ziel looft Jehovah. Mijn hart kan alleen maar juichen om God, mijn Redder. Want hij heeft oog gehad voor mij, een onbeduidende slavin. Voortaan zullen alle generaties me gelukkig prijzen, omdat de Machtige grote dingen voor me heeft gedaan. Zijn naam is heilig, en van generatie op generatie is hij barmhartig voor degenen die ontzag voor hem hebben. Met zijn arm doet hij machtige daden. Trotse mensen heeft hij verjaagd. Heersers heeft hij van de troon gestoten en onbeduidende mensen heeft hij verhoogd. Hij heeft hongerige mensen volop goede dingen gegeven en rijke mensen met lege handen weggestuurd. Hij is zijn dienaar Israël te hulp gekomen en herinnert zich zijn barmhartigheid voor Abraham en zijn nageslacht voor eeuwig, zoals hij tegen onze voorouders heeft gezegd.’ Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar en daarna ging ze terug naar huis.

Toen kwam het moment dat Elisabeth moest bevallen, en ze kreeg een zoon. Haar buren en familieleden hoorden hoe barmhartig Jehovah voor haar was geweest, en ze waren erg blij voor haar. Op de achtste dag kwamen ze voor de besnijdenis van het kind. Ze wilden hem Zacharias noemen, naar zijn vader. Maar zijn moeder zei: ‘Nee, hij moet Johannes worden genoemd.’ ‘Maar er is niemand in je familie die zo heet’, zeiden ze. Toen vroegen ze zijn vader door middel van gebaren hoe hij het kind wilde noemen. Hij vroeg om een schrijfplankje en schreef daarop: ‘Johannes is zijn naam.’ Iedereen stond verbaasd. Meteen kon hij zijn mond en zijn tong weer bewegen. Hij begon te praten en loofde God. Iedereen die in de omgeving woonde, was diep onder de indruk. In het hele bergland van Judea werd erover gepraat. Het hield alle mensen die het hoorden bezig en ze zeiden bij zichzelf: ‘Hoe zal het verdergaan met dit kind?’ Want het was duidelijk dat Jehovah met hem was.

Zijn vader Zacharias werd vervuld met heilige geest en profeteerde: ‘Jehovah, de God van Israël, komt alle eer toe, want hij heeft aandacht gehad voor zijn volk en heeft hun bevrijding gebracht. Hij heeft ons een hoorn van redding gegeven uit het huis van zijn dienaar David. Via zijn heilige profeten uit de oudheid heeft hij namelijk gezegd dat hij ons zou redden van onze vijanden en van iedereen die ons haat. Zoals hij onze voorvaders heeft beloofd, zal hij barmhartig voor ons zijn en terugdenken aan zijn heilige verbond, de eed die hij aan onze voorvader Abraham heeft gezworen. Hij zal ons, nadat we van onze vijanden zijn bevrijd, het voorrecht geven om zonder angst heilige dienst voor hem te doen, zodat we ons hele leven loyaal en rechtvaardig zijn in zijn ogen. Maar jij, mijn kind, zult een profeet van de Allerhoogste worden genoemd, want je zult voor Jehovah uit gaan om de weg voor hem vrij te maken. Je zult zijn volk vertellen over redding door vergeving van hun zonden dankzij het liefdevolle medegevoel van onze God. Dat medegevoel van boven zal zijn als het licht van de zonsopgang. Het zal schijnen op degenen die leefden in het duister en in de schaduw van de dood, en het zal onze voeten leiden op de weg van vrede.’

Het kind groeide op en werd sterk van geest. Hij bleef in de woestijn tot de dag waarop hij in het openbaar aan Israël verscheen.

In die tijd gaf Caesar Augustus het bevel dat de hele bewoonde aarde zich moest laten inschrijven. (Deze eerste inschrijving vond plaats toen Quirinius gouverneur van Syrië was.) Alle mensen gingen op weg om zich in hun eigen stad te laten inschrijven. Natuurlijk deed ook Jozef dit. Hij vertrok uit de stad Nazareth in Galilea en ging naar Judea, naar Davids stad, die Bethlehem wordt genoemd. Hij stamde namelijk af van het huis en de familie van David. Hij ging op weg om zich te laten inschrijven samen met Maria, met wie hij inmiddels getrouwd was en die nu hoogzwanger was. Terwijl ze daar waren, kwam het moment dat ze moest bevallen. Ze bracht haar zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in doeken en legde hem in een voederbak, omdat er geen plaats voor hen was in de herberg.

Er waren in die streek ook herders, die de nacht buiten doorbrachten om op hun kudde te passen. Ineens stond Jehovah’s (hemelse) boodschapper voor ze, en ze werden omgeven door de glans van Jehovah’s pracht. Ze schrokken hevig. Maar de (hemelse) boodschapper zei tegen ze: ‘Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws vertellen dat het hele volk grote vreugde zal brengen. Vandaag is in de stad van David jullie redder geboren. Hij is de Gezalfde, de Heer. Zo kunnen jullie hem herkennen: jullie zullen een baby vinden die in doeken gewikkeld is en in een voederbak ligt.’ Plotseling was er bij de (hemelse) boodschapper een groot hemels leger dat God loofde en zei: ‘Glorie in de hoogste hoogten aan God, en vrede op aarde onder mensen van goede wil.’

Toen de (hemelse) boodschappers waren teruggegaan naar de hemel, zeiden de herders tegen elkaar: ‘Laten we meteen naar Bethlehem gaan om te zien wat er is gebeurd en wat Jehovah ons heeft bekendgemaakt.’ Ze gingen er snel naartoe en vonden Maria en Jozef, en ook de baby, die in de voederbak lag. Toen ze dat zagen, vertelden ze wat hun over het kind was gezegd. En iedereen die het hoorde, was verbaasd over wat de herders vertelden, maar Maria bewaarde al die woorden in haar hart en dacht na over de betekenis ervan. Toen gingen de herders terug. Ze eerden en loofden God vanwege alles wat ze hadden gezien en gehoord — het was precies zoals het hun was gezegd.

Na acht dagen, toen het kind besneden moest worden, kreeg het de naam Jezus, de naam die de (hemelse) boodschapper had genoemd voordat zijn moeder zwanger werd.

Toen de tijd kwam dat ze zich volgens de wet van Mozes moesten reinigen, brachten ze hem naar Jeruzalem om hem aan Jehovah aan te bieden, zoals in Jehovah’s wet geschreven staat: ‘Elke eerstgeborene van het mannelijk geslacht moet heilig worden genoemd voor Jehovah.’ Ze brachten een slachtoffer zoals de wet van Jehovah voorschrijft: ‘Een koppel tortelduiven of twee jonge duiven.’

In Jeruzalem woonde een man die Simeon heette. Die rechtvaardige, diepgelovige man keek uit naar de tijd dat Israël getroost zou worden, en op hem rustte heilige geest. Bovendien had God hem door de heilige geest onthuld dat hij niet zou sterven voordat hij de Gezalfde van Jehovah had gezien. Geleid door de geest ging hij de tempel binnen. Toen Jezus’ ouders hun kind binnenbrachten om voor hem te doen wat volgens de wet gebruikelijk is, nam hij het kind in zijn armen, loofde God en zei: ‘Soevereine Heer, uw slaaf kan nu in vrede gaan, zoals u hebt gezegd. Want mijn ogen hebben het middel tot redding gezien waar u voor de ogen van alle volken in hebt voorzien: een licht dat de sluier van de volken zal verwijderen en uw volk Israël tot eer zal strekken.’ Toen de vader en moeder hoorden wat er over hun kind werd gezegd, stonden ze versteld. Simeon zegende hen en zei tegen Maria, de moeder van het kind: ‘Dit kind is aangesteld om velen in Israël ten val te brengen en velen weer te laten opstaan en om een omstreden teken te zijn (ja, je zult doorboord worden met een lang zwaard), zodat onthuld zal worden wat er in het hart van velen leeft.’

Er was daar ook een profetes die Anna heette, de dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Ze was al op leeftijd en ze was vroeger zeven jaar getrouwd geweest. Nu was ze een weduwe van 84 jaar. Ze was altijd in de tempel te vinden en deed dag en nacht heilige dienst met vasten en smeekgebeden. Op dat moment kwam ze naar hen toe en begon God te danken. Iedereen die uitkeek naar de bevrijding van Jeruzalem vertelde ze over het kind.

Nadat ze alles hadden gedaan wat de wet van Jehovah voorschrijft, gingen ze terug naar Galilea, naar hun woonplaats, Nazareth. Het kind groeide op en werd sterk. Hij was vol wijsheid en hij bleef Gods gunst genieten.

Zijn ouders hadden de gewoonte om elk jaar naar Jeruzalem te gaan voor het paschafeest. Toen hij 12 jaar was, gingen ze zoals ze gewend waren naar het feest. Na afloop van het feest begonnen ze aan de terugreis, maar Jezus bleef in Jeruzalem achter zonder dat zijn ouders het in de gaten hadden. Omdat ze ervan uitgingen dat hij bij het reisgezelschap was, gingen ze pas na een hele dag te hebben gereisd op zoek naar hem onder hun familieleden en kennissen. Maar ze konden hem niet vinden. Daarom gingen ze terug naar Jeruzalem en zochten hem overal. Uiteindelijk vonden ze hem na drie dagen in de tempel, waar hij tussen de leraren zat. Hij luisterde naar ze en stelde ze vragen. Iedereen die hem hoorde, bleef zich verbazen over zijn inzicht en zijn antwoorden. Toen zijn ouders hem zagen, waren ze verbijsterd. Zijn moeder zei tegen hem: ‘Kind, waarom heb je ons dit aangedaan? Je vader en ik waren zo ongerust! We hebben overal naar je gezocht.’ Hij antwoordde: ‘Waarom waren jullie naar mij op zoek? Wisten jullie niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’ Maar ze begrepen niet wat hij bedoelde.

Toen ging hij met hen terug naar Nazareth, en hij bleef aan hen onderworpen. En zijn moeder bewaarde al deze woorden in haar hart. Terwijl Jezus opgroeide, kreeg hij steeds meer wijsheid en kwam hij steeds meer in de gunst bij God en bij de mensen.

In het 15de regeringsjaar van Tiberius Caesar, toen Pontius Pilatus gouverneur was van Judea, Herodes districtsregeerder van Galilea, zijn broer Filippus districtsregeerder van Iturea en Trachonitis, en Lysanias districtsregeerder van Abilene, in de tijd van de overpriester Annas en van Kajafas, kwam Gods woord in de woestijn tot Johannes, de zoon van Zacharias.

Hij ging naar de omgeving van de Jordaan en predikte dat mensen zich moesten laten dopen als symbool van berouw om vergeving van zonden te krijgen. Dat stond al geschreven in het boek van de profeet Jesaja: ‘In de woestijn roept een stem: “Maak de weg van Jehovah vrij! Maak zijn paden recht. Elk dal moet worden opgevuld en elke berg en heuvel moet vlak worden gemaakt. De bochtige wegen moeten recht gemaakt worden en de ruwe wegen glad. En alle mensen zullen de redding van God zien.”’

Hij zei tegen de grote groepen mensen die kwamen om door hem gedoopt te worden: ‘Addergebroed! Wie heeft gezegd dat jullie aan het komende oordeel kunnen ontsnappen? Breng eerst maar eens vruchten voort die bij berouw passen. Zeg niet bij jezelf: “Wij hebben Abraham als vader.” Want ik zeg jullie dat God uit deze stenen kinderen voor Abraham kan maken. Ja, de bijl ligt al klaar bij de wortels van de bomen. Elke boom die geen goede vruchten voortbrengt, zal omgehakt en in het vuur gegooid worden.’

De mensen vroegen hem: ‘Wat moeten we dan doen?’ Hij antwoordde: ‘Als je een extra stel kleren hebt, deel dan met iemand die niets heeft, en als je iets te eten hebt, doe dan hetzelfde.’ Er kwamen ook belastinginners om zich te laten dopen. Ze vroegen hem: ‘Meester, wat moeten wij doen?’ Hij zei tegen ze: ‘Eis niet meer dan het belastingtarief.’ En de soldaten vroegen hem: ‘Wat moeten wij doen?’ Hij antwoordde: ‘Je mag niemand afpersen of vals beschuldigen, maar je moet tevreden zijn met wat je als soldaat krijgt.’

Het volk was vol verwachting en iedereen vroeg zich daarom af of Johannes misschien de Gezalfde was. Johannes beantwoordde hun vraag door te zeggen: ‘Ik doop jullie met water, maar hij die na mij komt, is sterker dan ik. Ik ben het niet eens waard om de riem van zijn sandalen los te maken. Hij zal jullie dopen met heilige geest en met vuur. Hij heeft de wanschop in zijn hand, en hij zal zijn dorsvloer grondig reinigen en de tarwe in zijn voorraadschuur bijeenbrengen. Maar het kaf zal hij verbranden met vuur dat niet uitgedoofd kan worden.’

Ook spoorde hij hen op veel andere manieren aan, en hij bleef goed nieuws aan het volk bekendmaken. Maar de districtsregeerder Herodes, die door Johannes was terechtgewezen vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer, en vanwege alle slechte dingen die hij had gedaan, voegde daaraan nog het volgende toe: hij liet Johannes gevangenzetten.

Toen de mensen zich lieten dopen, werd ook Jezus gedoopt. Terwijl hij bad, werd de hemel geopend en de heilige geest daalde in de gedaante van een duif op hem neer. Ook klonk er een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon. Ik heb je goedgekeurd.’

Toen Jezus met zijn werk begon, was hij ongeveer 30 jaar. De mensen kenden hem als de zoon van
Jozef,
de zoon van Eli,
de zoon van Matthat,
de zoon van Levi,
de zoon van Melchi,
de zoon van Jannai,
de zoon van Jozef,
de zoon van Mattathias,
de zoon van Amos,
de zoon van Nahum,
de zoon van Esli,
de zoon van Naggai,
de zoon van Maäth,
de zoon van Mattathaas,
de zoon van Semeïn,
de zoon van Josech,
de zoon van Joda,
de zoon van Joanan,
de zoon van Resa,
de zoon van Zerubbabel,
de zoon van Sealthiël,
de zoon van Neri,
de zoon van Melchi,
de zoon van Addi,
de zoon van Kosam,
de zoon van Elmadan,
de zoon van Er,
de zoon van Jezus,
de zoon van Eliëzer,
de zoon van Jorim,
de zoon van Matthat,
de zoon van Levi,
de zoon van Simeon,
de zoon van Juda,
de zoon van Jozef,
de zoon van Jonam,
de zoon van Eljakim,
de zoon van Melea,
de zoon van Menna,
de zoon van Mattatha,
de zoon van Nathan,
de zoon van David,
de zoon van Isaï,
de zoon van Obed,
de zoon van Boaz,
de zoon van Salmon,
de zoon van Nahesson,
de zoon van Amminadab,
de zoon van Arni,
de zoon van Hezron,
de zoon van Perez,
de zoon van Juda,
de zoon van Jakob,
de zoon van Isaäk,
de zoon van Abraham,
de zoon van Terah,
de zoon van Nahor,
de zoon van Serug,
de zoon van Rehu,
de zoon van Peleg,
de zoon van Heber,
de zoon van Selah,
de zoon van Kainan,
de zoon van Arpachsad,
de zoon van Sem,
de zoon van Noach,
de zoon van Lamech,
de zoon van Methusalah,
de zoon van Henoch,
de zoon van Jered,
de zoon van Mahalaleël,
de zoon van Kainan,
de zoon van Enos,
de zoon van Seth,
de zoon van Adam,
de zoon van God.

Vervuld met heilige geest ging Jezus bij de Jordaan weg, en geleid door de geest trok hij rond in de woestijn, 40 dagen lang. Daar werd hij door de Lasteraar op de proef gesteld. Al die dagen at hij niets, en toen ze voorbij waren, had hij honger. Daarop zei de Lasteraar tegen hem: ‘Als je een zoon van God bent, zeg dan tegen deze steen dat hij een brood moet worden.’ Maar Jezus antwoordde: ‘Er staat geschreven: “De mens moet niet alleen van brood leven.”’

Daarop nam de Lasteraar hem mee naar een hooggelegen plaats en liet hem in een ogenblik alle koninkrijken van de bewoonde aarde zien. Toen zei de Lasteraar tegen hem: ‘Ik zal je de macht geven over al deze koninkrijken met hun pracht en praal, want die is mij in handen gegeven en ik geef die aan wie ik maar wil. Als je me aanbidt, is het allemaal van jou.’ Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Er staat geschreven: “Jehovah, je God, moet je aanbidden en alleen voor hem moet je heilige dienst doen.”’

Vervolgens nam hij hem mee naar Jeruzalem en plaatste hem op het hoogste punt van de tempel. Hij zei tegen hem: ‘Als je een zoon van God bent, spring dan naar beneden, want er staat geschreven: “Hij zal voor jou zijn (hemelse) boodschappers bevel geven je te beschermen” en: “Ze zullen je op hun handen dragen, zodat je je voet niet aan een steen zult stoten.”’ Jezus antwoordde: ‘Er is gezegd: “Je mag Jehovah, je God, niet op de proef stellen.”’ Nadat de Lasteraar hem aan al die beproevingen had onderworpen, ging hij bij hem weg tot er weer een geschikt moment zou komen.

In de kracht van de geest ging Jezus terug naar Galilea. En overal in de omgeving werd goed over hem gesproken. Hij ging in hun synagogen onderwijzen en iedereen was vol lof over hem.

Toen ging hij naar Nazareth, waar hij was opgegroeid, en volgens zijn gewoonte ging hij op de sabbat naar de synagoge. Hij stond op om voor te lezen, en de boekrol van de profeet Jesaja werd hem overhandigd. Hij opende de boekrol en zocht de plaats op waar stond: ‘Jehovah’s geest rust op mij, want hij heeft mij gezalfd om aan arme mensen goed nieuws te vertellen. Hij heeft mij gestuurd om aan de gevangenen bekend te maken dat ze vrijgelaten zullen worden en aan de blinden dat ze weer zullen zien, om de onderdrukten vrijheid te geven, om Jehovah’s jaar van aanvaarding te prediken.’ Daarna rolde hij de boekrol op, gaf die aan de dienaar terug en ging zitten. Alle ogen in de synagoge waren op hem gericht. Toen zei hij tegen ze: ‘Vandaag is het Schriftgedeelte in vervulling gegaan dat jullie net hebben gehoord.’

Alle aanwezigen spraken goedkeurend over hem en stonden verbaasd over de aangename woorden die uit zijn mond kwamen. Ze zeiden: ‘Dat is toch een zoon van Jozef?’ Maar hij zei tegen ze: ‘Jullie passen nu vast het spreekwoord op me toe “Dokter, genees jezelf” en zeggen: “We hebben gehoord wat u in Kapernaüm hebt gedaan. Doe die dingen ook in uw eigen plaats.”’ Toen zei hij: ‘Ik verzeker jullie dat geen enkele profeet in zijn eigen plaats wordt erkend. Ik zeg jullie de waarheid: In de tijd van Elia, toen de hemel drieënhalf jaar lang gesloten bleef zodat er een grote hongersnood in het hele land kwam, waren er veel weduwen in Israël. Toch werd Elia niet naar een van die vrouwen gestuurd, maar naar een weduwe in Sarfath, in het gebied van Sidon. En in de tijd van de profeet Elisa waren er veel melaatsen in Israël. Toch werd niemand van hen genezen, maar de Syriër Naäman wel.’ Toen de aanwezigen in de synagoge dat hoorden, werden ze woedend. Ze stonden op en joegen hem de stad uit, naar de rand van de berg waarop de stad was gebouwd. Daar wilden ze hem in de afgrond gooien. Maar hij ging midden tussen hen door en vertrok.

Hij daalde af naar Kapernaüm, een stad in Galilea, waar hij het volk op de sabbat onderwees. Ze waren diep onder de indruk van zijn manier van onderwijzen, want hij sprak met gezag. In de synagoge was een man die bezeten was door een geest, een onreine demon. Hij schreeuwde: ‘Ach! Wat hebben we met jou te maken, Jezus de Nazarener? Ben je gekomen om ons te vernietigen? Ik weet precies wie je bent: de Heilige van God.’ Jezus sprak de geest bestraffend toe en zei: ‘Zwijg en ga uit hem weg.’ De demon gooide de man op de grond, midden tussen de mensen. Daarna verliet hij hem zonder hem iets aan te doen. Iedereen stond verbaasd en ze zeiden tegen elkaar: ‘Wat zijn dat voor woorden? Want met gezag geeft hij de onreine geesten een krachtig bevel en ze gaan weg!’ Het nieuws over hem verspreidde zich dan ook in de hele streek.

Nadat hij de synagoge had verlaten, ging hij het huis van Simon binnen. Simons schoonmoeder had hoge koorts en ze vroegen Jezus of hij haar wilde helpen. Hij boog zich over haar heen en sprak de koorts bestraffend toe, waarop de koorts verdween. Ze stond meteen op en ging hen bedienen.

Toen de zon onderging, brachten de mensen hun zieken, die aan allerlei kwalen leden, naar hem toe. Hij genas de zieken door zijn handen op elk van hen te leggen. Ook gingen uit veel mensen demonen weg, die schreeuwden: ‘Jij bent de Zoon van God.’ Maar hij bestrafte ze en stond hun niet toe iets te zeggen, omdat ze wisten dat hij de Gezalfde was.

Bij het aanbreken van de dag vertrok hij naar een afgelegen plek. De menigte ging naar hem op zoek en toen ze hem gevonden hadden, probeerden ze te voorkomen dat hij bij hen weg zou gaan. Maar hij zei tegen hen: ‘Ik moet ook in andere steden het goede nieuws van Gods Koninkrijk bekendmaken, want daarvoor ben ik gestuurd.’ Hij ging daarom in de synagogen van Judea prediken.

Op een keer stond hij aan het Meer van Gennesareth. De menigte verdrong zich rondom hem om naar het woord van God te luisteren. Hij zag twee boten aan de oever van het meer liggen. De vissers waren eruit gestapt en waren de netten aan het uitspoelen. Hij stapte in een van de boten (die van Simon) en vroeg hem een eindje van het land weg te varen. Vervolgens ging hij zitten om de menigte vanuit de boot te onderwijzen. Toen hij klaar was met spreken, zei hij tegen Simon: ‘Ga naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’ Maar Simon antwoordde: ‘Meester, we hebben de hele nacht hard gewerkt en niets gevangen. Maar omdat jij het zegt, zal ik de netten uitgooien.’ Toen ze dat deden, vingen ze zo veel vis dat de netten dreigden te scheuren. Daarom gebaarden ze naar hun collega’s in de andere boot dat ze moesten komen helpen. Die kwamen, en ze laadden beide boten zo vol dat ze bijna zonken. Toen Simon Petrus dat zag, viel hij voor Jezus op zijn knieën en zei: ‘Heer, ga weg van mij, want ik ben een zondig man.’ Hij en alle mensen die bij hem waren, waren namelijk verbijsterd over de grote hoeveelheid vis die ze hadden binnengehaald. Dat gold ook voor Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die collega’s van Simon waren. Maar Jezus zei tegen Simon: ‘Je hoeft niet meer bang te zijn. Voortaan zul je mensen levend vangen.’ Ze brachten de boten terug aan land, lieten alles achter en gingen hem volgen.

Een andere keer was hij in een van de steden, en daar was een man die helemaal bedekt was met melaatsheid. Toen hij Jezus zag, liet hij zich op de grond vallen en smeekte: ‘Heer, als u het alleen maar wilt, kunt u me rein maken.’ Jezus stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het! Word rein.’ Onmiddellijk verdween zijn melaatsheid. Daarna beval hij de man het aan niemand te vertellen. ‘Ga je aan de priester laten zien en breng een offer voor je reiniging, zoals Mozes heeft voorgeschreven, als teken voor hen.’ Maar het nieuws over hem verspreidde zich steeds meer, en grote groepen mensen verzamelden zich om naar hem te luisteren en van hun ziekten te worden genezen. Toch trok hij zich vaak op een eenzame plaats terug om te bidden.

Op een dag was hij onderwijs aan het geven. Er zaten ook farizeeën en wetsleraren bij, die uit elk dorp van Galilea en Judea en uit Jeruzalem waren gekomen. En met Jehovah’s kracht genas hij mensen. Toen kwamen er mannen met een draagbed waarop een verlamde man lag, en ze probeerden hem naar binnen te brengen om hem voor Jezus neer te leggen. Maar vanwege de menigte lukte dat niet. Dus klommen ze het dak op en lieten hem op het draagbed door het tegeldak naar beneden zakken, vlak voor Jezus. Toen hij hun geloof zag, zei hij tegen de man: ‘Je zonden zijn je vergeven.’ Maar de schriftgeleerden en de farizeeën zeiden tegen elkaar: ‘Wie is die man? Wat hij zegt is godslastering! Wie kan er zonden vergeven behalve God?’ Omdat Jezus doorhad hoe ze dachten, zei hij tegen ze: ‘Waarom denken jullie zo? Wat is makkelijker? Te zeggen: “Je zonden zijn je vergeven” of: “Sta op en loop”? Maar om jullie te laten zien dat de Mensenzoon de macht heeft om op aarde zonden te vergeven . . .’ En hij zei tegen de verlamde man: ‘Ik zeg je: sta op, pak je draagbed op en ga naar huis.’ Toen stond de man voor hun ogen op, pakte het bed waarop hij had gelegen en ging naar huis, terwijl hij God eerde. Alle mensen stonden versteld. Ze eerden God en zeiden vol ontzag: ‘We hebben vandaag geweldige dingen gezien!’

Daarna ging Jezus naar buiten, en bij het belastingkantoor zag hij een belastinginner zitten die Levi heette. Hij zei tegen hem: ‘Wees mijn volgeling.’ Hij stond op, liet alles achter en ging hem volgen. Ook organiseerde hij in zijn huis een groot feestmaal voor hem. Er kwam een grote groep belastinginners en anderen die met hen meeaten. De farizeeën en hun schriftgeleerden klaagden hierover tegen Jezus’ discipelen en zeiden: ‘Waarom eten en drinken jullie met belastinginners en zondaars?’ Jezus antwoordde: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar de zieken wel. Ik ben niet gekomen om rechtvaardige mensen tot berouw te brengen, maar zondaars.’

Ze zeiden tegen hem: ‘De discipelen van Johannes vasten geregeld en zenden smeekgebeden op, en ook de discipelen van de farizeeën doen dat. Maar die van u eten en drinken.’ Jezus zei tegen ze: ‘Je kunt de vrienden van de bruidegom toch niet laten vasten terwijl de bruidegom bij ze is? Maar er komt een tijd dat de bruidegom bij ze wordt weggehaald. Dan, in die tijd, zullen ze vasten.’

Hij vertelde hun ook een illustratie: ‘Niemand knipt een lap van een nieuw bovenkleed af en naait die op een oud bovenkleed. Als je dat wel doet, scheurt de nieuwe lap eraf. Bovendien past de lap van het nieuwe kleed niet bij het oude kleed. Ook doet niemand nieuwe wijn in oude wijnzakken. Als je dat wel doet, zullen de wijnzakken door de nieuwe wijn barsten. De wijn loopt er dan uit en de wijnzakken worden onbruikbaar. Nieuwe wijn moet je in nieuwe wijnzakken doen. Niemand die oude wijn heeft gedronken, wil nieuwe wijn, want hij zegt: “De oude is lekker.”’

Op een sabbat liep hij door de graanvelden. Zijn discipelen plukten aren, wreven die tussen hun handen en aten ervan. Toen zeiden sommige farizeeën: ‘Waarom doen jullie iets wat op de sabbat verboden is?’ Maar Jezus antwoordde: ‘Hebben jullie nooit gelezen wat David deed toen hij en zijn mannen honger hadden? Hij ging het huis van God binnen, kreeg de toonbroden, at ervan en liet ook zijn mannen ervan eten, terwijl het niemand is toegestaan daarvan te eten behalve de priesters.’ Daarna zei hij: ‘De Mensenzoon is Heer van de sabbat.’

Op een andere sabbat ging hij naar de synagoge en begon te onderwijzen. Er was daar een man met een verschrompelde rechterhand. De schriftgeleerden en de farizeeën hielden Jezus scherp in de gaten om te zien of hij op de sabbat iemand zou genezen. Ze wilden namelijk iets vinden waarvan ze hem konden beschuldigen. Hij wist wat ze dachten en zei daarom tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Sta op en ga in het midden staan.’ De man stond op en deed het. Toen zei Jezus tegen ze: ‘Ik vraag jullie: is het toegestaan op de sabbat goed te doen of kwaad te doen, een leven te redden of te vernietigen?’ Hij keek ze allemaal stuk voor stuk aan en zei daarna tegen de man: ‘Steek je hand uit.’ Dat deed hij en zijn hand werd weer gezond. Maar ze waren buiten zichzelf van woede en gingen met elkaar overleggen wat ze met Jezus zouden doen.

Op een van die dagen ging hij de berg op om te bidden, en hij bad de hele nacht tot God. Toen het dag werd, riep hij zijn discipelen bij zich. Hij koos er 12 uit en noemde ze apostelen: Simon, aan wie hij ook de naam Petrus gaf, zijn broer Andreas, Jakobus, Johannes, Filippus, Bartholomeüs, Mattheüs, Thomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Simon, die de ijverige wordt genoemd, Judas, de zoon van Jakobus, en Judas Iskariot, die een verrader werd.

En hij daalde samen met hen de berg af en ging staan op een plaats waar het vlak was. Daar was een groot aantal discipelen van hem en een grote mensenmenigte uit heel Judea en Jeruzalem en de kuststreek van Tyrus en Sidon. Ze waren gekomen om naar hem te luisteren en van hun ziekten te worden genezen. Ook mensen die last hadden van onreine geesten werden genezen. En alle mensen probeerden hem aan te raken, want er ging een kracht van hem uit die iedereen genas.

Hij keek naar zijn discipelen en zei vervolgens:
‘Gelukkig zijn jullie die arm zijn, want voor jullie is Gods Koninkrijk.

Gelukkig zijn jullie die nu honger lijden, want jullie zullen verzadigd worden.

Gelukkig zijn jullie die nu huilen, want jullie zullen lachen.

Gelukkig zijn jullie wanneer de mensen je haten, en wanneer ze je buitensluiten en beledigen en je naam door het slijk halen vanwege de Mensenzoon. Wees op die dag blij en spring op van vreugde, want je beloning is groot in de hemel. Dezelfde dingen hebben hun voorvaders namelijk de profeten aangedaan.

Maar wee jullie die rijk zijn, want jullie hebben je deel al gehad.

Wee jullie die nu verzadigd zijn, want jullie zullen honger lijden.

Wee jullie die nu lachen, want jullie zullen treuren en huilen.

Wee jullie wanneer alle mensen positief over je praten, want dat deden hun voorvaders ook over de valse profeten.

Maar tegen jullie die luisteren zeg ik: Heb je vijanden lief en wees goed voor degenen die je haten. Blijf degenen zegenen die je vervloeken en bidden voor degenen die je beledigen. Als iemand je op de ene wang slaat, bied hem dan ook de andere wang aan. En als iemand je bovenkleed afpakt, laat hem dan ook je onderkleed nemen. Als iemand iets van je vraagt, geef het dan, en als iemand iets van je afpakt, vraag het dan niet terug.

Behandel andere mensen zoals je zelf graag behandeld wilt worden.

Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefhebben? Want zelfs de zondaars hebben lief wie hen liefhebben. Is het een verdienste als je goed bent voor iemand die goed is voor jou? Zelfs zondaars doen dat. En is het een verdienste als je leent aan personen van wie je verwacht dat ze je terugbetalen? Zelfs zondaars lenen aan zondaars om evenveel terug te krijgen. Maar jullie moeten je vijanden liefhebben, goed zijn voor anderen en uitlenen zonder te hopen iets terug te krijgen. Dan zal jullie beloning groot zijn en zullen jullie zonen van de Allerhoogste zijn, want ook hij is goed voor ondankbare en slechte mensen. Wees altijd barmhartig, net zoals jullie Vader barmhartig is.

Houd ook op met oordelen, dan zul je niet geoordeeld worden. En houd op met veroordelen, dan zul je niet veroordeeld worden. Blijf vergeven, dan zul je vergeven worden. Blijf geven, dan zal aan jou gegeven worden. Een goed gevulde, stevig aangedrukte, geschudde en overvolle maat zal in je schoot worden gestort. Want met de maat waarmee jij meet, zul je gemeten worden.’

Vervolgens vertelde hij hun ook een illustratie: ‘Kan de ene blinde de andere blinde leiden? Dan vallen ze toch allebei in een kuil? Een leerling staat niet boven zijn leraar, maar iemand die volmaakt is onderwezen, zal als zijn leraar zijn. Waarom let je wel op de splinter in het oog van je broeder, maar zie je de balk in je eigen oog niet? Hoe kun je tegen je broeder zeggen: “Broeder, laat mij die splinter uit je oog halen”, terwijl je niet ziet dat er in je eigen oog een balk zit? Huichelaar! Haal eerst de balk uit je eigen oog. Dan zul je duidelijk zien hoe je de splinter uit het oog van je broeder kunt halen.

Want een goede boom draagt geen slechte vruchten, en een slechte boom geen goede. Elke boom is te herkennen aan zijn eigen vruchten. Je kunt bijvoorbeeld geen vijgen of druiven plukken van een doornstruik. Een goed mens haalt goede dingen tevoorschijn uit de goede voorraad van zijn hart, maar een slecht mens haalt slechte dingen tevoorschijn uit zijn voorraad met slechte dingen. Waar het hart vol van is, loopt de mond van over.

Waarom zeggen jullie “Heer! Heer!” tegen me, maar doen jullie niet wat ik zeg? Iemand die bij me komt, mijn woorden hoort en ze toepast — ik zal jullie vertellen op wie zo iemand lijkt. Hij is als een man die een huis bouwde en diep in de grond groef om het fundament op de rots te leggen. Later kwam er een overstroming en de rivier beukte tegen het huis, maar het huis wankelde niet omdat het goed was gebouwd. Maar wie hoort en niets doet, is als een man die een huis op de grond bouwde zonder een fundament te leggen. De rivier beukte ertegen, en het huis stortte meteen in en werd volledig verwoest.’

Toen hij dat allemaal tegen het volk had gezegd, ging hij Kapernaüm binnen. Er was daar een legerofficier die een slaaf had die veel voor hem betekende. Deze slaaf was ernstig ziek en lag op sterven. De legerofficier hoorde over Jezus en stuurde oudsten van de Judeeërs naar hem toe met de vraag of hij wilde komen om zijn slaaf beter te maken. Ze kwamen bij Jezus, deden hem een dringend verzoek en zeiden: ‘Hij is het waard dat u hem deze gunst bewijst, want hij houdt van ons volk en heeft de synagoge voor ons laten bouwen.’ Jezus ging met ze mee. Maar toen hij niet ver meer van het huis was, stuurde de legerofficier vrienden naar hem toe met de boodschap: ‘Mijnheer, doe geen moeite, want ik ben het niet waard dat u onder mijn dak komt. Om die reden ben ik niet zelf naar u toe gekomen. U hoeft het alleen maar te zeggen en dan wordt mijn dienaar beter. Want ook ik ben onder het gezag van anderen gesteld en ik heb soldaten onder me. Tegen de een zeg ik: “Ga!” en dan gaat hij, tegen een ander: “Kom!” en dan komt hij, en tegen mijn slaaf: “Doe dit!” en dan doet hij het.’ Jezus stond versteld toen hij die dingen hoorde. Hij draaide zich om naar de menigte die hem volgde en zei: ‘Ik zeg jullie: zelfs in Israël heb ik niet zo’n groot geloof gevonden.’ De mannen die gestuurd waren, gingen terug naar het huis en troffen daar de slaaf in goede gezondheid aan.

Kort daarna ging hij naar de stad Naïn, en zijn discipelen en een grote menigte gingen met hem mee. Toen hij in de buurt van de stadspoort kwam, werd er net een dode man naar buiten gedragen, de enige zoon van een weduwe. Er was ook een grote groep mensen uit de stad bij haar. Toen de Heer haar zag, kreeg hij medelijden met haar en zei: ‘Huil maar niet.’ Hij kwam dichterbij en raakte de baar aan. De dragers bleven staan en hij zei: ‘Jongeman, ik zeg je: sta op!’ De dode man kwam overeind en begon te praten, en Jezus gaf hem terug aan zijn moeder. Iedereen werd vervuld met ontzag. Ze loofden God en zeiden: ‘Een groot profeet is onder ons opgestaan’ en: ‘God heeft aan zijn volk gedacht.’ Dat nieuws over hem werd bekend in heel Judea en het gebied eromheen.

Johannes kreeg al die dingen te horen van zijn discipelen. Daarom riep hij twee van zijn discipelen bij zich en stuurde ze naar de Heer met de vraag: ‘Bent u degene die zou komen of moeten we een ander verwachten?’ Toen de mannen bij hem kwamen, zeiden ze: ‘Johannes de doper heeft ons gestuurd met de vraag: “Bent u degene die zou komen of moeten we een ander verwachten?”’ Jezus genas toen veel mensen van ziekten en ernstige kwalen en van boze geesten. Ook gaf hij veel blinden het gezichtsvermogen terug. Hij antwoordde: ‘Ga naar Johannes en vertel hem wat jullie hebben gezien en gehoord: de blinden zien, de kreupelen lopen, de melaatsen worden rein, de doven horen, de doden worden opgewekt en aan de armen wordt het goede nieuws verteld. Gelukkig is degene die geen aanstoot aan mij neemt.’

Toen de afgezanten van Johannes waren weggegaan, begon Jezus tegen de menigte over Johannes te spreken: ‘Waar zijn jullie in de woestijn naar gaan kijken? Naar een rietstengel die heen en weer beweegt in de wind? Waar zijn jullie dan naar gaan kijken? Naar iemand in kostbare kleding? Mensen met prachtige kleding die in weelde leven, vind je alleen in paleizen. Waar zijn jullie dan wel naar gaan kijken? Naar een profeet? Ja, zeg ik jullie, en veel meer dan een profeet. Dit is degene over wie is geschreven: “Let op! Ik stuur mijn (hemelse) boodschapper voor je uit, die de weg voor je zal banen.” Ik zeg jullie: Onder degenen die uit een vrouw geboren zijn, is niemand groter dan Johannes. Toch is zelfs de kleinste in Gods Koninkrijk groter dan hij.’ (Toen de mensen dat hoorden, ook de belastinginners, erkenden ze dat God rechtvaardig was, want zij waren met de doop van Johannes gedoopt. Maar de farizeeën en de wetgeleerden minachtten Gods raad voor hen, want zij waren niet door Johannes gedoopt.)

‘Met wie zal ik de mensen van deze generatie daarom vergelijken? Op wie lijken ze? Ze zijn te vergelijken met kinderen die op een marktplein zitten en naar elkaar roepen: “Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld, maar jullie wilden niet dansen. Wij hebben een treurlied gezongen, maar jullie wilden niet huilen.” Zo is ook Johannes de Doper gekomen. Hij at geen brood en dronk geen wijn, en toch zeggen jullie: “Hij is bezeten door een demon.” De Mensenzoon is gekomen, en hij eet en drinkt wel, maar nu zeggen jullie: “Hij is een veelvraat en een dronkaard, een vriend van belastinginners en zondaars!” Maar wijsheid blijkt uit de resultaten.’

Een van de farizeeën nodigde hem herhaaldelijk uit om bij hem te komen eten. Hij kwam dus in het huis van de farizeeër en ging aan tafel. Er was in die stad een vrouw die bekendstond als een zondares. Toen ze hoorde dat hij bij de farizeeër thuis at, ging ze ernaartoe en nam een albasten kruikje met geurige olie mee. Huilend knielde ze achter hem neer, bij zijn voeten. Ze maakte zijn voeten met haar tranen nat en droogde ze met haar haar af. Ook kuste ze zijn voeten teder en goot de geurige olie erover uit. Toen de farizeeër die hem had uitgenodigd dat zag, zei hij bij zichzelf: ‘Als deze man echt een profeet was, zou hij weten wat voor vrouw het is die hem aanraakt, dat ze een zondares is.’ Maar Jezus zei tegen hem: ‘Simon, ik wil je iets zeggen.’ Hij zei: ‘Wat dan, Meester?’

‘Twee mannen hadden geld geleend bij een geldschieter. De een had 500 denarii schuld en de ander 50. Ze konden hun schuld niet terugbetalen, en hij schold ze allebei hun schuld kwijt. Wie van de twee zal het meest van hem houden?’ Simon antwoordde: ‘Ik denk de man aan wie hij het meest heeft kwijtgescholden.’ Hij zei: ‘Dat heb je goed gezien.’ Jezus keek naar de vrouw en zei tegen Simon: ‘Zie je deze vrouw? Ik ben in jouw huis gekomen en jij hebt me geen water voor mijn voeten gegeven. Maar deze vrouw heeft mijn voeten met haar tranen natgemaakt en ze met haar haar afgedroogd. Jij hebt me geen kus gegeven, maar deze vrouw is er sinds ik hier ben niet mee opgehouden mijn voeten teder te kussen. Jij hebt geen olie over mijn hoofd gegoten, maar deze vrouw heeft geurige olie over mijn voeten gegoten. Ik zeg je: op grond hiervan zijn haar zonden vergeven, ook al zijn het er veel, want ze heeft veel liefde getoond. Maar iemand die weinig wordt vergeven, toont weinig liefde.’ Toen zei hij tegen haar: ‘Je zonden zijn je vergeven.’ De anderen aan tafel zeiden tegen elkaar: ‘Wie is deze man, dat hij zelfs zonden vergeeft?’ Maar hij zei tegen de vrouw: ‘Je geloof heeft je gered. Ga in vrede.’

Kort daarna trok hij van stad naar stad en van dorp naar dorp om het goede nieuws van Gods Koninkrijk te prediken en bekend te maken. De twaalf gingen met hem mee, en ook enkele vrouwen die van boze geesten en ziekten waren genezen: Maria die Magdalena wordt genoemd, bij wie zeven demonen waren uitgedreven, Johanna, de vrouw van Chuzas (de rentmeester van Herodes), Suzanna en veel andere vrouwen, die hun eigen middelen gebruikten om hen van dienst te zijn.

Uit de ene na de andere stad kwamen mensen bij hem en er verzamelde zich een grote menigte. Toen vertelde hij hun een illustratie: ‘Een zaaier ging op weg om te zaaien. Tijdens het zaaien vielen sommige zaadjes langs de weg en werden vertrapt, en ze werden opgegeten door de vogels van de hemel. Andere zaadjes kwamen op een rots terecht. Ze ontkiemden, maar verdorden door gebrek aan water. Er waren ook zaadjes die tussen de distels vielen. De distels kwamen tegelijk met het zaad op en verstikten het. Maar er waren ook zaadjes die in goede aarde vielen. Ze ontkiemden en brachten 100 keer zo veel vrucht op.’ Daarna riep hij uit: ‘Laat iedereen die oren heeft, goed luisteren.’

Zijn discipelen vroegen hem wat die illustratie betekende. Hij zei: ‘Jullie hebben het voorrecht de heilige geheimen van Gods Koninkrijk te begrijpen, maar voor de anderen blijft het in illustraties, zodat ze kijken maar niets zien, en horen maar de betekenis niet begrijpen. De illustratie betekent het volgende: Het zaad is het woord van God. Het zaad langs de weg zijn degenen die het horen, maar dan komt de Lasteraar en neemt het woord uit hun hart weg om te voorkomen dat ze geloven en gered worden. Het zaad dat op een rots valt, zijn degenen die het woord horen en met vreugde aannemen, maar het schiet geen wortel. Ze geloven een tijdje, maar als er beproevingen komen, vallen ze af. Het zaad dat tussen de distels valt, zijn degenen die het woord horen maar worden meegesleept door zorgen, rijkdom en pleziertjes van dit leven. Daardoor worden ze volledig verstikt en brengen ze geen rijpe vruchten voort. Het zaad dat in goede aarde valt, zijn degenen die het woord horen met een goed en oprecht hart, eraan vasthouden, volharden en vrucht dragen.

Als je een lamp aansteekt, zet je die niet onder een vat of onder een bed, maar je zet de lamp op een standaard, zodat iedereen die binnenkomt, het licht kan zien. Want alles wat bedekt is, zal openbaar worden, en alles wat zorgvuldig verborgen is, zal bekend worden en aan het licht komen. Let dus goed op hoe je luistert. Want wie heeft, zal meer krijgen. Maar van wie niets heeft, zal zelfs wat hij denkt te hebben, worden afgenomen.’

Zijn moeder en broers kwamen naar hem toe, maar vanwege de menigte konden ze niet bij hem komen. Hij kreeg te horen: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten en willen u zien.’ Maar hij antwoordde: ‘Degenen die het woord van God horen en toepassen, dát zijn mijn moeder en mijn broers.’

Op een dag stapten hij en zijn discipelen in een boot. ‘Laten we naar de overkant van het meer gaan’, zei hij tegen ze en ze voeren weg. Terwijl ze aan het varen waren, viel Jezus in slaap. Er kwam op het meer een zware storm opzetten. De boot maakte water en ze raakten in nood. Ze maakten hem wakker en zeiden: ‘Meester, Meester, we vergaan!’ Hij stond op en sprak de wind en de woeste golven bestraffend toe. De storm ging liggen en het werd stil. Toen zei hij tegen ze: ‘Waar is jullie geloof?’ Maar ze waren heel bang en stonden versteld. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie is dat toch? Zelfs de wind en het water geeft hij bevelen, en ze doen wat hij zegt.’

Ze legden aan in het gebied van de Gerasenen, dat tegenover Galilea ligt. Toen Jezus aan land was gegaan, kwam hem een man uit de stad tegemoet die door demonen bezeten was. De man droeg al een hele tijd geen kleren meer en woonde niet in een huis maar tussen de graven. Toen hij Jezus zag, viel hij schreeuwend voor hem neer en riep luid: ‘Wat heb ik met jou te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik smeek je, doe me geen pijn.’ (Jezus had de onreine geest namelijk bevel gegeven om de man te verlaten. De geest had al vaak bezit genomen van de man, die meerdere keren met kettingen en voetboeien was vastgebonden en ook werd bewaakt. Maar hij trok de boeien elke keer kapot en werd dan door de demon naar afgelegen plaatsen gedreven.) Jezus vroeg hem: ‘Hoe heet je?’ Hij antwoordde: ‘Legioen’, want er waren veel demonen in hem gegaan. En ze bleven hem smeken hen niet de afgrond in te sturen. Nu werd daar op de berg een grote kudde varkens gehoed. De demonen vroegen hem dringend of ze in de varkens mochten gaan, en hij stond hun dat toe. De demonen verlieten de man en gingen in de varkens, waarop de kudde van de steile helling af stormde, het meer in, en verdronk. Toen de varkenshoeders zagen wat er was gebeurd, vluchtten ze en vertelden het in de stad en op het platteland.

De mensen gingen kijken wat er was gebeurd. Ze kwamen bij Jezus en zagen de man die door demonen bezeten was geweest. Hij had kleren aan, was goed bij zijn verstand en zat aan Jezus’ voeten. De mensen werden bang. Degenen die hadden gezien wat er was gebeurd, vertelden hoe de bezeten man beter was gemaakt. Een grote menigte mensen uit het gebied van de Gerasenen vroeg Jezus om weg te gaan, want ze waren heel bang geworden. Hij stapte dus in de boot om te vertrekken. De man uit wie de demonen waren weggegaan, smeekte hem of hij bij hem mocht blijven. Maar hij stuurde de man weg en zei: ‘Ga naar huis en vertel alles wat God voor je gedaan heeft.’ Hij ging weg en maakte overal in de stad bekend wat Jezus voor hem had gedaan.

Toen Jezus terugkwam, wachtte er een menigte op hem, die hem vriendelijk ontving. Er kwam een man naar hem toe die Jairus heette, een bestuurder van de synagoge. Hij viel aan Jezus’ voeten en smeekte hem naar zijn huis te komen, omdat zijn enige dochter op sterven lag. Ze was ongeveer 12 jaar.

Terwijl Jezus ernaartoe ging, verdrong de menigte zich rondom hem. Nu was er een vrouw die al 12 jaar aan bloedvloeiingen leed, en niemand had haar kunnen genezen. Ze kwam van achteren naar hem toe en raakte de franje van zijn bovenkleed aan. Meteen hield de bloedvloeiing op. Jezus zei: ‘Wie heeft mij aangeraakt?’ Iedereen ontkende het en Petrus zei: ‘Meester, de mensen duwen en dringen van alle kanten tegen je aan.’ Maar Jezus zei: ‘Iemand heeft me aangeraakt, want ik merkte dat er kracht uit me wegging.’ De vrouw besefte dat haar aanraking was opgemerkt. Ze kwam bevend naar hem toe, knielde voor hem neer en legde in het bijzijn van alle mensen uit waarom ze hem had aangeraakt en dat ze meteen was genezen. Hij zei tegen haar: ‘Je geloof heeft je beter gemaakt, mijn dochter. Ga in vrede.’

Terwijl hij nog aan het praten was, kwam er iemand uit het huis van de synagogebestuurder, die zei: ‘Uw dochter is gestorven. Val de Meester niet langer lastig.’ Jezus hoorde het en zei tegen Jaïrus: ‘Wees niet bang, maar heb geloof, dan zal ze worden gered.’ Toen hij bij het huis kwam, liet hij niemand met zich mee naar binnen gaan behalve Petrus, Johannes, Jakobus en de vader en moeder van het meisje. Alle mensen huilden om haar en sloegen zich op de borst van verdriet. Daarom zei hij: ‘Houd op met huilen, want ze is niet gestorven, ze slaapt.’ Maar ze lachten hem uit, want ze wisten dat ze gestorven was. Toen pakte hij haar hand en riep: ‘Kind, sta op!’ Ze kwam weer tot leven en stond meteen op, en Jezus zei dat ze haar iets te eten moesten geven. Haar ouders waren buiten zichzelf van blijdschap, maar hij zei dat ze aan niemand mochten vertellen wat er was gebeurd.

Hij riep de twaalf bij elkaar en gaf hun macht en gezag over alle demonen en om ziekten te genezen. Daarna zond hij ze uit om Gods Koninkrijk te prediken en zieken te genezen. Hij zei tegen ze: ‘Neem niets mee voor de reis — geen staf, geen voedselzak, geen brood, geen geld en ook geen extra kleren. Maar als je ergens een huis binnengaat, blijf daar dan tot je weer verdergaat. En als mensen je niet willen ontvangen, verlaat dan die stad en schud het stof van je voeten, als een getuigenis tegen hen.’ Ze gingen op weg en trokken het gebied door, van dorp naar dorp. Overal maakten ze het goede nieuws bekend en genazen ze zieken.

Herodes, de districtsregeerder, hoorde wat er allemaal gebeurde. Hij raakte in grote verwarring, want sommigen zeiden dat Johannes uit de dood was opgewekt, anderen dat Elia was verschenen en weer anderen dat een van de profeten uit de oudheid was opgestaan. Herodes zei: ‘Johannes heb ik laten onthoofden. Over wie hoor ik al die verhalen dan?’ Daarom zocht hij naar een gelegenheid om hem te ontmoeten.

Toen de apostelen terugkwamen, vertelden ze Jezus wat ze allemaal hadden gedaan. Daarna trok hij zich alleen met hen terug en ging naar de stad Bethsaïda. Maar de mensen kwamen erachter en volgden hem. Hij ontving hen vriendelijk en vertelde hun over Gods Koninkrijk. Ook genas hij degenen die genezing nodig hadden. Tegen het einde van de dag kwamen de twaalf naar hem toe en zeiden: ‘Stuur de menigte weg, dan kunnen ze in de omliggende dorpen en op het land op zoek gaan naar voedsel en onderdak, want we zijn hier op een afgelegen plek.’ Maar hij zei: ‘Geven jullie ze maar iets te eten.’ Ze antwoordden: ‘We hebben hier alleen maar vijf broden en twee vissen. Of we moeten zelf eten gaan kopen voor al die mensen.’ Er waren ongeveer 5000 mannen. Hij zei tegen zijn discipelen: ‘Laat ze in groepen van ongeveer 50 gaan zitten.’ Dat deden ze en iedereen ging zitten. Daarna nam hij de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel en zegende ze. Hij brak ze en gaf ze aan de discipelen zodat die ze aan de menigte konden uitdelen. Alle mensen aten tot ze genoeg hadden. Toen werden de overgebleven stukken opgehaald: 12 manden vol.

Later had hij zich afgezonderd om te bidden. De discipelen kwamen naar hem toe en hij vroeg hun: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ Ze antwoordden: ‘Johannes de doper. Anderen zeggen Elia, en weer anderen zeggen dat een van de profeten uit de oudheid is opgestaan uit de dood.’ Toen vroeg hij: ‘Maar wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordde: ‘De Gezalfde van God.’ Daarop gebood hij ze uitdrukkelijk om dat aan niemand te vertellen en zei verder: ‘De Mensenzoon moet veel lijden ondergaan en door de oudsten, de overpriesters en de schriftgeleerden verworpen worden, en hij moet gedood worden en op de derde dag worden opgewekt.’

Vervolgens zei hij tegen hen allemaal: ‘Als iemand mijn volgeling wil worden, moet hij zichzelf wegcijferen, elke dag zijn martelpaal opnemen en mij altijd volgen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest ter wille van mij, zal het redden. Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest of zichzelf schade toebrengt? Want als iemand zich voor mij en voor mijn woorden schaamt, zal de Mensenzoon zich voor hem schamen wanneer hij komt met zijn macht en die van de Vader en van de heilige (hemelse) boodschappers. Ik verzeker jullie dat sommigen van degenen die hier staan niet zullen sterven voordat ze Gods Koninkrijk hebben gezien.’

Ongeveer acht dagen nadat hij dat had gezegd, nam hij Petrus, Johannes en Jakobus mee en ging de berg op om te bidden. En terwijl hij aan het bidden was, veranderde de aanblik van zijn gezicht en werd zijn kleding stralend wit. Opeens waren er twee mannen met hem in gesprek. Het waren Mozes en Elia. Ze verschenen met grote pracht en begonnen over zijn vertrek te praten en dat dit in Jeruzalem zou moeten plaatsvinden. Petrus en de anderen waren in slaap gevallen, maar toen ze wakker werden, zagen ze Jezus’ grote pracht en de twee mannen die bij hem stonden. Toen die weg wilden gaan, zei Petrus tegen Jezus: ‘Meester, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie tenten opzetten, één voor jou, één voor Mozes en één voor Elia.’ Maar hij wist niet wat hij zei. Terwijl hij nog sprak, vormde zich een wolk, die hen omhulde. Toen ze in de wolk terechtkwamen, werden ze bang. Er kwam een stem uit de wolk, die zei: ‘Dit is mijn Zoon, degene die is uitverkoren. Luister naar hem.’ Op het moment dat de stem klonk, zagen ze dat Jezus weer alleen was. Maar ze hielden het stil en vertelden in die tijd niemand over de dingen die ze hadden gezien.

De volgende dag daalden ze de berg af en een grote menigte kwam hem tegemoet. Een man in de menigte riep: ‘Meester, kom alstublieft naar mijn zoon kijken, want hij is mijn enige kind. Er is een geest die bezit van hem neemt, en dan schreeuwt hij het plotseling uit. De geest laat hem stuiptrekken tot het schuim op zijn mond staat. Hij slaat hem bont en blauw en laat hem haast niet meer los. Ik heb uw discipelen gesmeekt hem uit te drijven, maar dat konden ze niet.’ Jezus zei: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovige en zondige generatie! Hoelang moet ik nog bij jullie blijven en jullie nog verdragen? Breng je zoon hier.’ Toen de jongen dichterbij kwam, gooide de demon hem opnieuw op de grond en liet hem hevig stuiptrekken. Maar Jezus bestrafte de onreine geest, genas de jongen en gaf hem aan zijn vader terug. Iedereen was diep onder de indruk van Gods grote macht.

Terwijl de mensen nog onder de indruk waren van wat Jezus allemaal deed, zei hij tegen zijn discipelen: ‘Luister goed en onthoud wat ik jullie zeg: de Mensenzoon zal worden verraden en aan mensen worden overgeleverd.’ Maar ze begrepen niet wat hij bedoelde. Het bleef voor hen verborgen zodat ze het niet zouden begrijpen, maar ze durfden hem er niets over te vragen.

Toen kregen ze een meningsverschil over de vraag wie van hen de grootste was. Omdat Jezus wist wat er in hun hart leefde, nam hij een kind bij zich, zette dat naast zich neer en zei tegen ze: ‘Wie dit kind in mijn naam ontvangt, ontvangt ook mij, en wie mij ontvangt, ontvangt ook degene die mij heeft gestuurd. Want wie zich onder jullie als een mindere opstelt, die is groot.’

Johannes antwoordde: ‘Meester, we hebben iemand gezien die jouw naam gebruikt om demonen uit te drijven. We hebben geprobeerd hem tegen te houden, omdat hij jou niet samen met ons volgt.’ Maar Jezus zei tegen hem: ‘Probeer hem niet tegen te houden, want wie niet tegen jullie is, is vóór jullie.’

Toen de tijd dichterbij kwam dat hij in de hemel zou worden opgenomen, was hij vastbesloten om naar Jeruzalem te gaan. Daarom stuurde hij een paar (hemelse) boodschappers vooruit. Ze gingen naar een Samaritaans dorp om zijn komst voor te bereiden. Maar omdat Jeruzalem het doel van zijn reis was, werd hij niet gastvrij ontvangen. Toen de discipelen Jakobus en Johannes dat zagen, zeiden ze: ‘Heer, wil je dat we om vuur uit de hemel vragen om hen te vernietigen?’ Maar hij draaide zich om en wees hen terecht. Daarom gingen ze naar een ander dorp.

Terwijl ze onderweg waren, zei iemand tegen hem: ‘Ik zal u volgen, waar u ook naartoe gaat.’ Maar Jezus zei tegen hem: ‘Vossen hebben holen en vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon heeft geen plek om zijn hoofd neer te leggen.’ Toen zei hij tegen een ander: ‘Wees mijn volgeling.’ De man zei: ‘Heer, mag ik eerst teruggaan om mijn vader te begraven?’ Maar hij antwoordde: ‘Laat de doden hun doden begraven. Maar jij moet overal Gods Koninkrijk bekendmaken.’ En weer een ander zei: ‘Ik zal u volgen, Heer, maar mag ik eerst naar huis om afscheid te nemen?’ Jezus zei tegen hem: ‘Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en omkijkt naar de dingen die achter hem liggen, is geschikt voor Gods Koninkrijk.’

Daarna wees de Heer 70 anderen aan en stuurde die twee aan twee voor zich uit naar elke stad en plaats waar hij zelf naartoe zou gaan. Hij zei tegen ze: ‘Ja, de oogst is groot, maar er zijn weinig werkers. Smeek daarom de Meester van de oogst dat hij werkers stuurt om zijn oogst binnen te halen. Ga op weg. Ik stuur jullie als lammeren onder de wolven. Neem geen geldbuidel, geen voedselzak en geen sandalen mee, en begroet onderweg niemand. Als je een huis binnengaat, zeg dan eerst: “Ik wens dit huis vrede toe.” Als daar een vredelievend mens woont, zal je vrede met hem zijn. Zo niet, dan komt je vrede bij je terug. Blijf in dat huis en eet en drink wat ze je aanbieden, want de arbeider is zijn loon waard. Ga niet steeds van het ene huis naar het andere.

Als je een stad binnengaat en de mensen je ontvangen, eet dan wat je wordt voorgezet, genees de zieken daar en vertel ze: “Gods Koninkrijk is nabij.” Maar als je een stad binnengaat waar je niet ontvangen wordt, ga dan naar de brede straten en zeg: “Zelfs het stof uit jullie stad dat aan onze voeten kleeft, vegen we tegen jullie af. Maar weet dit: Gods Koninkrijk is nabij.” Ik zeg jullie: die dag zal voor Sodom draaglijker zijn dan voor die stad.

Wee Chorazin! Wee Bethsaïda! Als in Tyrus en Sidon dezelfde wonderen waren gebeurd als bij jullie, zouden de inwoners allang in zak en as berouw hebben gehad. Daarom zal het in het oordeel voor Tyrus en Sidon draaglijker zijn dan voor jullie. En jij, Kapernaüm, zul je tot de hemel worden verheven? In het Graf zul je terechtkomen!

Wie naar jullie luistert, luistert ook naar mij. En wie jullie afwijst, wijst ook mij af. En wie mij afwijst, wijst ook degene af die mij heeft gestuurd.’

De 70 kwamen vol vreugde terug en zeiden: ‘Heer, zelfs de demonen onderwerpen zich aan ons als we je naam gebruiken!’ Hij zei tegen ze: ‘Ik zie Tegenstrever al als een bliksemschicht uit de hemel vallen. Ik heb jullie de macht gegeven om slangen en schorpioenen te vertrappen en om alle kracht van de vijand te breken, en niets zal jullie kwaad doen. Toch moet je niet blij zijn omdat de geesten zich aan je onderwerpen, maar omdat je naam in de hemel is opgeschreven.’ Op dat moment werd hij vervuld met vreugde en heilige geest en zei: ‘Vader, Heer van hemel en aarde, ik loof u in het openbaar omdat u deze dingen voor wijzen en intellectuelen zorgvuldig hebt verborgen en ze aan kleine kinderen hebt onthuld. Ja, Vader, want zo hebt u het gewild. Mijn Vader heeft alle dingen aan mij toevertrouwd. Niemand weet wie de Zoon is behalve de Vader, en niemand weet wie de Vader is behalve de Zoon en degenen aan wie de Zoon bereid is hem te onthullen.’

Toen richtte hij zich alleen tot de discipelen en zei tegen ze: ‘Gelukkig zijn de ogen die de dingen zien die jullie zien. Want ik zeg jullie: veel profeten en koningen hebben ernaar verlangd te zien wat jullie zien, maar hebben het niet gezien, en hebben ernaar verlangd te horen wat jullie horen, maar hebben het niet gehoord.’

Er kwam een wetgeleerde die hem op de proef wilde stellen en zei: ‘Meester, wat moet ik doen om eeuwig leven te krijgen?’ Hij zei tegen hem: ‘Wat staat er in de wet? Hoe lees jij dat?’ De man antwoordde: ‘“Je moet Jehovah, je God, liefhebben met je hele hart, je hele ziel, je hele kracht en je hele verstand” en: “Je moet je naaste liefhebben als jezelf.”’ Hij zei tegen hem: ‘Je hebt goed geantwoord. Blijf dat doen en je zult leven krijgen.’

Maar de man wilde bewijzen dat hij rechtvaardig was en zei tegen Jezus: ‘Wie is dan mijn naaste?’ Jezus zei daarop: ‘Een man daalde af van Jeruzalem naar Jericho en viel in handen van rovers, die hem uitkleedden, hem mishandelden en hem halfdood achterlieten. Toevallig daalde er een priester langs die weg af, maar toen hij hem zag, ging hij aan de overkant van de weg voorbij. Er kwam ook een Leviet langs. Toen hij de man zag, ging ook hij aan de overkant voorbij. Daarna kwam er een Samaritaan langs die weg. Hij zag de man en kreeg medelijden met hem. Hij ging naar hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze. Daarna tilde hij hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem. De volgende dag haalde hij twee denarii tevoorschijn, gaf die aan de herbergier en zei: “Zorg voor hem, en als u nog meer kosten maakt, zal ik die vergoeden wanneer ik terugkom.” Wie van deze drie is volgens jou een naaste geweest voor de man die in handen van rovers viel?’ Hij zei: ‘Degene die barmhartig voor hem is geweest.’ Toen zei Jezus: ‘Ga en doe hetzelfde.’

Terwijl ze verder reisden, ging hij een dorp in. Daar ontving een vrouw die Martha heette hem als gast in haar huis. Ze had ook een zus die Maria heette. Die ging aan de voeten van de Heer zitten en bleef luisteren naar wat hij zei. Maar Martha was afgeleid omdat ze druk bezig was om voor alles te zorgen. Daarom ging ze naar hem toe en zei: ‘Heer, zie je niet dat mijn zus mij alles alleen laat doen? Zeg haar dat ze me moet komen helpen.’ De Heer antwoordde: ‘Martha, Martha, je maakt je bezorgd en druk over van alles. Toch zijn er maar weinig dingen nodig, of maar één. Maria heeft het beste deel gekozen en het zal haar niet worden afgenomen.’

Op een keer was hij ergens aan het bidden. Toen hij opgehouden was, zei een van zijn discipelen tegen hem: ‘Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes het zijn discipelen heeft geleerd.’

Hij zei tegen ze: ‘Wanneer je bidt, zeg dan: “Vader, laat uw naam geheiligd worden. Laat uw Koninkrijk komen. Geef ons elke dag het brood dat we die dag nodig hebben. En vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven iedereen die bij ons in de schuld staat. En breng ons niet in beproeving.”’

Vervolgens zei hij tegen ze: ‘Stel dat een van jullie een vriend heeft en dat je midden in de nacht naar hem toe gaat en tegen hem zegt: “Vriend, leen me drie broden, want een vriend van me die op reis is, is net bij me gekomen en ik heb niets om hem voor te zetten.” Maar die vriend antwoordt van binnenuit: “Laat me met rust. De deur is al op slot en mijn kinderen en ik zijn al naar bed. Ik kan nu niet opstaan om je iets te geven.” Ik zeg jullie: Als hij niet opstaat om je iets te geven omdat hij je vriend is, dan zal hij opstaan omdat je maar blijft aandringen. Hij zal je alles geven wat je nodig hebt. Daarom zeg ik jullie: Blijf vragen en je zult ontvangen. Blijf zoeken en je zult vinden. Blijf kloppen en er zal voor je worden opengedaan. Want iedereen die vraagt, ontvangt. Iedereen die zoekt, vindt. En voor iedereen die klopt, zal worden opengedaan. Welke vader onder jullie zou zijn zoon, als hij om een vis vraagt, in plaats daarvan een slang geven? Of zou hij hem een schorpioen geven als hij om een ei vraagt? Als jullie al goede dingen geven aan je kinderen, ook al zijn jullie slecht, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan heilige geest geven aan degenen die hem erom vragen!’

Later dreef hij een demon uit die niet kon spreken. Nadat de demon was weggegaan, kon de man weer praten, tot verbazing van de menigte. Maar sommigen van hen zeiden: ‘Hij drijft de demonen uit door Beëlzebub, de heerser van de demonen.’ Anderen wilden hem op de proef stellen en vroegen hem om een teken uit de hemel. Omdat hij wist wat ze dachten, zei hij tegen ze: ‘Elk koninkrijk waar verdeeldheid is, komt ten val, en een huis waar verdeeldheid is, valt. Dat geldt ook voor Tegenstrever: als hij zich tegen zichzelf keert, hoe kan zijn koninkrijk dan standhouden? Want jullie zeggen dat ik de demonen uitdrijf door Beëlzebub. Als ik de demonen door Beëlzebub uitdrijf, door wie drijven jullie zonen ze dan uit? Daarom zullen zij jullie veroordelen. Maar als ik met behulp van Gods vinger de demonen uitdrijf, dan is Gods Koninkrijk ongemerkt bij jullie gekomen. Als een sterke, goedbewapende man zijn paleis bewaakt, zijn zijn bezittingen veilig. Maar als iemand die sterker is hem aanvalt en hem verslaat, dan neemt die alle wapens mee waarop de man vertrouwde en verdeelt de buit. Wie niet aan mijn kant staat, is tegen mij, en wie niet met mij samenbrengt, drijft uiteen.

Wanneer een onreine geest iemand verlaat, trekt hij door dorre streken op zoek naar een rustplaats. Als hij die niet vindt, zegt hij: “Ik ga terug naar het huis dat ik verlaten heb.” Als hij daar aankomt, ziet hij dat het schoongeveegd en versierd is. Vervolgens gaat hij zeven andere geesten halen die nog slechter zijn dan hijzelf en ze gaan naar binnen om er te wonen. Uiteindelijk is die man er dus nog erger aan toe dan voor die tijd.’

Terwijl hij die dingen zei, riep een vrouw uit de menigte naar hem: ‘Gelukkig de schoot die u heeft gedragen en de borsten die u hebben gevoed!’ Maar hij zei: ‘Nee, gelukkig zijn degenen die het woord van God horen en zich eraan houden!’

Terwijl de mensen samenstroomden, zei hij: ‘Dit is een verdorven generatie. Ze vragen om een teken, maar ze zullen geen ander teken krijgen dan dat van Jona. Want net zoals Jona een teken werd voor de Ninevieten, zo zal de Mensenzoon een teken zijn voor deze generatie. De koningin van het Zuiden zal in het oordeel samen met de mensen van deze generatie een opstanding krijgen en hen veroordelen, want zij kwam van de einden van de aarde om de wijsheid van Salomo te horen. Maar kijk! Meer dan Salomo is hier. In het oordeel zullen de inwoners van Ninevé samen met deze generatie opstaan en hen veroordelen, want zij hadden berouw toen Jona tot ze predikte. Maar kijk! Meer dan Jona is hier. Iemand die een lamp aansteekt, verbergt die niet en zet die niet onder een korenmaat maar op een standaard, zodat iedereen die binnenkomt, het licht kan zien. Je oog is de lamp van je lichaam. Als je oog op één punt gericht is, is ook je hele lichaam verlicht. Maar als je oog hebzuchtig rondkijkt, zal ook je lichaam in duisternis zijn. Let er dus goed op dat het licht dat in je is, geen duisternis blijkt te zijn. Als daarom je hele lichaam verlicht is en geen enkel deel donker is, zal het hele lichaam net zo licht zijn als wanneer een lamp je met zijn stralen verlicht.’

Toen hij dat had gezegd, nodigde een farizeeër hem uit om bij hem te komen eten. Jezus kwam binnen en ging aan tafel. De farizeeër was verbaasd toen hij zag dat hij zich vóór de maaltijd niet waste. De Heer zei tegen hem: ‘Jullie, farizeeën, maken de buitenkant van de beker en de schaal schoon, maar vanbinnen zijn jullie vol hebzucht en slechtheid. Dwazen! Degene die de buitenkant heeft gemaakt, heeft toch ook de binnenkant gemaakt? Als jullie giften aan de armen geven, moeten die van binnenuit komen, en dan zal alles aan jullie rein zijn. Wee jullie, farizeeën! Want jullie geven een tiende van de munt, de wijnruit en alle andere tuinkruiden, maar jullie negeren de gerechtigheid en de liefde voor God! Die dingen hadden jullie moeten doen, zonder het andere na te laten. Wee jullie, farizeeën! Want jullie willen in de synagoge graag vooraan zitten en willen op het marktplein begroet worden! Wee jullie! Want jullie zijn als ongemarkeerde graven waar mensen zonder het te weten overheen lopen!’

Een wetgeleerde zei hierop tegen hem: ‘Meester, door die dingen te zeggen, beledigt u ook ons.’ Jezus zei: ‘Wee ook jullie, wetgeleerden! Want jullie leggen de mensen lasten op die haast niet te dragen zijn, maar steken er zelf geen vinger naar uit!

Wee jullie! Want jullie bouwen grafmonumenten voor de profeten die door jullie voorouders zijn vermoord. Jullie weten maar al te goed wat jullie voorouders hebben gedaan, en toch stemmen jullie ermee in. Zij hebben de profeten gedood, maar nu bouwen jullie monumenten voor de profeten. Daarom heeft God in zijn wijsheid ook gezegd: “Ik zal profeten en apostelen naar hen sturen, en sommigen van hen zullen ze doden en vervolgen. Daarom zal deze generatie verantwoordelijk worden gehouden voor het bloed van alle profeten dat sinds de grondlegging van de wereld vergoten is, van het bloed van Abels tot het bloed van Zacharia, die werd vermoord tussen het altaar en het huis.” Ja, ik zeg jullie: deze generatie zal daarvoor verantwoordelijk worden gehouden.

Wee jullie, wetgeleerden! Want jullie hebben de sleutel tot kennis weggenomen. Zelf zijn jullie niet naar binnen gegaan, en de mensen die naar binnen willen, houden jullie tegen!’

Toen hij daar wegging, begonnen de schriftgeleerden en de farizeeën het hem heel moeilijk te maken en hem met nog meer vragen te bestoken. Ze waren eropuit hem op zijn woorden te vangen.

Ondertussen waren er duizenden mensen samengestroomd. Het was zo druk dat ze elkaar bijna onder de voet liepen. Jezus richtte zich eerst tot zijn discipelen: ‘Pas op voor de zuurdesem van de farizeeën, dat wil zeggen hun huichelarij. Maar alles wat zorgvuldig verborgen is, zal onthuld worden, en wat geheim is, zal bekend worden. Daarom zal alles wat je in de duisternis zegt, in het licht worden gehoord, en zal wat je binnen in huis fluistert, van de daken worden gepredikt. Tegen jullie, mijn vrienden, zeg ik: wees niet bang voor degenen die het lichaam kunnen doden en daarna niets meer kunnen doen. Maar ik zal jullie vertellen voor wie je bang moet zijn: voor degene die de autoriteit heeft om mensen niet alleen te doden maar ook in Gehenna te gooien. Ja, ik zeg jullie: voor hem moet je bang zijn. Zijn vijf mussen niet te koop voor twee munten die weinig waard zijn? Toch wordt er niet één door God vergeten. Zelfs de haren op je hoofd zijn allemaal geteld. Wees niet bang: jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen.

Ik zeg jullie: Als iemand tegen de mensen zegt dat hij mij kent, zal de Mensenzoon ook tegen de (hemelse) boodschappers van God zeggen dat hij hem kent. Maar als iemand tegen de mensen zegt dat hij mij niet kent, zal ik ook tegen de (hemelse) boodschappers van God zeggen dat ik hem niet ken. En als iemand kwaadspreekt over de Mensenzoon, zal het hem worden vergeven. Maar als iemand tegen de heilige geest lastert, zal dat hem niet worden vergeven. Wanneer je op openbare zittingen, voor regeringsfunctionarissen en voor autoriteiten moet verschijnen, maak je er dan geen zorgen over hoe je je moet verdedigen of wat je moet zeggen, want op dat moment zal de heilige geest je leren wat je moet zeggen.’

Iemand uit de menigte zei tegen hem: ‘Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen.’ Hij antwoordde: ‘Wie heeft mij als rechter of bemiddelaar over jullie aangesteld?’ Vervolgens zei hij tegen ze: ‘Pas op en vermijd elke vorm van hebzucht, want ook al heeft iemand nog zo veel, hij dankt zijn leven niet aan zijn bezittingen.’ Hij vertelde hun ook een illustratie: ‘Het land van een rijke man bracht een goede oogst op. Daarom dacht hij bij zichzelf: “Wat moet ik doen? Ik kan mijn oogst nergens opslaan.” Toen zei hij: “Dit ga ik doen: Ik breek mijn voorraadschuren af en bouw grotere, zodat ik daarin al mijn graan en andere goederen kan opslaan. Dan zal ik tegen mezelf zeggen: ‘Je kunt jaren vooruit met alle goede dingen die je hebt verzameld. Neem rust. Eet, drink en geniet ervan.’” Maar God zei tegen hem: “Dwaas! Vannacht nog zal je leven worden weggenomen. Voor wie is dan alles wat je hebt verzameld?” Zo gaat het met iemand die schatten verzamelt voor zichzelf, maar niet rijk is bij God.’

Toen zei hij tegen zijn discipelen: ‘Daarom zeg ik jullie: Maak je niet langer zorgen over je leven en wat je zult eten of over je lichaam en wat je zult aantrekken. Want het leven is meer waard dan voedsel en het lichaam is meer waard dan kleding. Kijk eens naar de raven: ze zaaien niet en oogsten niet, ze hebben geen schuur of opslagplaats, en toch geeft God ze te eten. Zijn jullie niet veel meer waard dan vogels? Wie kan zijn leven met ook maar een el verlengen door zich zorgen te maken? Als je zelfs zoiets kleins niet kunt, waarom zou je je dan zorgen maken over de rest? Kijk eens hoe de lelies groeien: ze zwoegen niet en spinnen niet, en toch zeg ik jullie dat zelfs Salomo met al zijn pracht en praal niet zo mooi gekleed was als een van deze lelies. Als God nu de planten op het veld die er vandaag zijn en morgen in de oven worden gegooid, zo mooi kleedt, dan zal hij jullie toch zeker ook kleden? Wat is jullie geloof toch klein! Maak je dus niet langer druk over wat je zult eten en wat je zult drinken, en wees niet langer angstig en bezorgd. Want dat zijn allemaal dingen waar de volken van deze wereld heel druk mee bezig zijn. Maar jullie Vader weet dat jullie die dingen nodig hebben. Blijf in plaats daarvan zijn Koninkrijk zoeken, dan zullen die dingen je ook gegeven worden.

Wees niet bang, kleine kudde, want jullie Vader heeft besloten jullie het Koninkrijk te geven. Verkoop je bezittingen en geef giften aan de armen. Zorg voor een geldbuidel die niet verslijt, een onuitputtelijke schat in de hemel, waar geen dief bij kan komen en die door geen mot kan worden aangetast. Want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.

Zorg dat je klaarstaat en dat je lampen branden. Jullie moeten zijn als slaven die op hun meester staan te wachten tot hij terugkomt van de bruiloft, zodat ze meteen kunnen opendoen als hij komt en aanklopt. Gelukkig zijn de slaven die op de uitkijk staan als de meester komt! Ik verzeker jullie: hij zal zich omkleden, hen aan tafel uitnodigen en bij hen komen om hen te bedienen. Gelukkig zijn ze als hij ziet dat ze klaarstaan wanneer hij komt in de tweede of zelfs in de derde nachtwake. Maar weet dit: als de huiseigenaar had geweten hoe laat de dief zou komen, zou hij niet hebben toegelaten dat er in zijn huis werd ingebroken. Ook jullie moeten klaarstaan, want de Mensenzoon komt op een uur dat jullie het niet verwachten.’

Petrus vroeg: ‘Heer, vertel je deze illustratie alleen aan ons of aan iedereen?’ De Heer zei: ‘Wie is echt de getrouwe en beleidvolle beheerder, die door de meester over zijn bedienden zal worden aangesteld om hun steeds op het juiste moment het voedsel te geven dat ze nodig hebben? Gelukkig is die slaaf als hij daarmee bezig is wanneer zijn meester komt! Ik zeg jullie de waarheid: hij zal hem aanstellen over al zijn bezittingen. Maar stel dat die slaaf bij zichzelf zegt: “Mijn meester komt voorlopig niet”, en hij begint de andere bedienden te slaan, gaat eten en drinken en wordt dronken. Dan komt de meester van die slaaf op een dag waarop hij hem niet verwacht en op een uur dat hij niet weet, en hij zal hem heel zwaar straffen en hem hetzelfde lot laten ondergaan als degenen die ontrouw zijn. Dan zal de slaaf die de wil van zijn meester heeft begrepen, maar geen voorbereidingen heeft getroffen of niet heeft gedaan wat de meester vroeg, veel slagen krijgen. Maar degene die de wil niet heeft begrepen en dingen heeft gedaan die slagen verdienen, zal weinig slagen krijgen. Als er veel aan iemand wordt gegeven, zal er veel van hem worden geëist, en als er veel aan iemand wordt toevertrouwd, zal er meer dan gebruikelijk van hem worden geëist.

Ik ben gekomen om op aarde een vuur te ontsteken, en wat heb ik nog te wensen nu het al brandt? Ik moet een doop ondergaan, en het benauwt me tot het achter de rug is! Denken jullie dat ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde? Nee, zeg ik jullie, ik kom juist verdeeldheid brengen. Want vanaf nu zullen er vijf in één huis verdeeld zijn, drie tegen twee en twee tegen drie. Ze zullen verdeeld zijn: vader tegen zoon en zoon tegen vader, moeder tegen dochter en dochter tegen moeder, schoonmoeder tegen schoondochter en schoondochter tegen schoonmoeder.’

Daarna zei hij ook tegen de menigte: ‘Als je in het westen een wolk ziet opkomen, zeg je meteen: “Er komt een stortbui aan”, en dat gebeurt dan ook. En als je merkt dat de wind uit het zuiden komt, zeg je: “Er komt een hittegolf”, en het gebeurt. Huichelaars, de aanblik van de aarde en de lucht kunnen jullie beoordelen. Hoe komt het dan dat jullie deze bijzondere tijd niet kunnen beoordelen? Waarom beoordelen jullie zelf niet wat rechtvaardig is? Als je bijvoorbeeld met de tegenpartij in een geschil onderweg bent naar een bestuurder, probeer het dan snel bij te leggen. Anders daagt hij je misschien voor de rechter en levert die je uit aan de gerechtsdienaar, die je in de gevangenis zal gooien. Ik zeg je: je komt niet vrij voordat je de laatste cent hebt betaald.’

Op dat moment waren er enkele mensen aanwezig die Jezus vertelden over de Galileeërs van wie Pilatus het bloed vermengd had met hun offers. Hij zei tegen ze: ‘Denken jullie dat deze Galileeërs ergere zondaars waren dan alle andere Galileeërs omdat hun dat is overkomen? Zeker niet, zeg ik jullie. Maar als jullie geen berouw hebben, zullen jullie allemaal omkomen, net als zij. Of neem de 18 die werden gedood doordat de toren van Siloam op ze viel. Denken jullie dat zij schuldiger waren dan alle andere inwoners van Jeruzalem? Zeker niet, zeg ik jullie. Maar als jullie geen berouw hebben, zullen jullie allemaal omkomen, net als zij.’

Toen vertelde hij de volgende illustratie: ‘Een man had een vijgenboom in zijn wijngaard staan en ging kijken of er vruchten aan zaten, maar hij vond er geen. Toen zei hij tegen de wijnbouwer: “Ik kom nu al drie jaar kijken of er vruchten aan deze vijgenboom zitten, maar ik vind er nooit een. Hak hem om! Waarom zou hij nog grond in beslag nemen?” De wijnbouwer antwoordde: “Meester, laat hem nog één jaar staan, tot ik de grond eromheen heb omgespit en bemest. Als hij in de toekomst vruchten oplevert, dan is het goed. Zo niet, hak hem dan maar om.”’

Op een sabbat gaf Jezus in een van de synagogen onderwijs. Er was daar een vrouw die al 18 jaar te lijden had van een geest die haar ziek maakte. Ze was helemaal krom en kon niet rechtop staan. Toen Jezus haar zag, sprak hij haar aan en zei: ‘Vrouw, je bent van je kwaal verlost.’ Hij legde zijn handen op haar en meteen ging ze rechtop staan en loofde ze God. Maar de bestuurder van de synagoge was verontwaardigd omdat Jezus iemand genas op de sabbat. Hij zei tegen de menigte: ‘Er zijn zes dagen om te werken. Kom op die dagen om genezen te worden en niet op de sabbat.’ Maar de Heer antwoordde: ‘Huichelaars! Jullie maken op de sabbat toch ook je stier of ezel los en leiden hem uit de stal weg om hem te drinken te geven? Deze vrouw is een dochter van Abraham en werd door Tegenstrever 18 jaar geboeid gehouden. Mocht ze dan niet op de sabbat van deze boeien worden verlost?’ Toen hij dat zei, voelden al zijn tegenstanders schaamte, maar de menigte was juist blij met alle geweldige dingen die hij deed.

‘Waarop lijkt Gods Koninkrijk en waarmee kan ik het vergelijken?’, vervolgde hij. ‘Het is als een mosterdzaadje dat iemand in zijn tuin zaaide. Het groeide en werd een boom, en de vogels van de hemel nestelden in de takken.’

En hij zei opnieuw: ‘Waar kan ik Gods Koninkrijk mee vergelijken? Het is als zuurdesem die een vrouw door drie grote maten meel mengde, en uiteindelijk was de hele deegmassa gegist.’

Onderweg naar Jeruzalem trok hij van stad naar stad en van dorp naar dorp, terwijl hij onderwijs gaf. Iemand zei tegen hem: ‘Heer, worden er maar weinig mensen gered?’ Hij zei tegen ze: ‘Strijd met grote ijver om door de smalle deur naar binnen te gaan. Want ik zeg jullie: veel mensen zullen proberen naar binnen te gaan, maar zullen daar niet in slagen. Als de eigenaar van het huis opstaat en de deur op slot doet, staan jullie buiten op de deur te kloppen en te roepen: “Heer, laat ons binnen!” Maar hij zal zeggen: “Ik weet niet waar jullie vandaan komen.” Dan zullen jullie antwoorden: “We hebben in uw bijzijn gegeten en gedronken, en u hebt op onze brede straten onderwijs gegeven.” Maar hij zal tegen jullie zeggen: “Ik weet niet waar jullie vandaan komen. Ga weg, onrechtvaardige mensen!” Jullie zullen jammeren en knarsetanden wanneer jullie Abraham, Isaäk, Jakob en alle profeten in Gods Koninkrijk zien maar er zelf uit gegooid worden. Ook zullen er mensen uit het oosten en westen en uit het noorden en zuiden komen, en ze zullen aan tafel gaan in Gods Koninkrijk. Er zijn laatsten die de eersten zullen zijn, en er zijn eersten die de laatsten zullen zijn.’

Op dat moment kwamen er een paar farizeeën naar hem toe die zeiden: ‘U moet hier weggaan, want Herodes wil u doden.’ Hij antwoordde: ‘Ga tegen die vos zeggen: “Vandaag en morgen drijf ik demonen uit en genees ik mensen, en op de derde dag zal ik klaar zijn.” Maar vandaag, morgen en overmorgen moet ik verder reizen, want een profeet hoort niet buiten Jeruzalem te worden gedood. Jeruzalem, Jeruzalem! Je vermoordt de profeten en stenigt de mensen die naar je toe zijn gestuurd . . . Hoe vaak heb ik je kinderen bij me willen verzamelen zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt! Maar jullie hebben het niet gewild. Jullie huis zal verlaten worden. Ik zeg jullie: vanaf nu zullen jullie me niet meer zien totdat jullie zeggen: “Gezegend is degene die komt in Jehovah’s naam!”’

Een andere keer ging hij op de sabbat voor een maaltijd naar het huis van een leider van de farizeeën, en ze hielden hem scherp in de gaten. Ineens stond er een man voor hem die aan waterzucht leed. Jezus vroeg aan de wetgeleerden en de farizeeën: ‘Is het toegestaan op de sabbat iemand te genezen of niet?’ Maar ze zeiden niets. Hij pakte de man vast, genas hem en liet hem gaan. Toen zei hij tegen ze: ‘Als je zoon of je stier op de sabbat in een put valt, dan trek je die er toch ook meteen uit?’ Daar konden ze niets tegen inbrengen.

Omdat hij merkte dat de gasten de beste plaatsen kozen, vertelde hij hun een illustratie: ‘Als je voor een bruiloft wordt uitgenodigd, kies dan niet de beste plaats. Misschien is er ook iemand uitgenodigd die belangrijker is dan jij. Dan zal de gastheer naar je toe komen en zeggen: “Sta je plaats af aan deze man.” En dan zul je vol schaamte de slechtste plaats moeten innemen. Kies als je wordt uitgenodigd juist de slechtste plaats. Als de gastheer dan komt, zal hij tegen je zeggen: “Vriend, kom toch dichterbij.” Dan zul je eer krijgen voor het oog van alle gasten. Want iedereen die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en iedereen die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.’

Daarna zei hij ook tegen de man die hem had uitgenodigd: ‘Als je ’s middags of ’s avonds een feestmaal geeft, vraag dan niet je vrienden, broers, familieleden of rijke buren. Die zouden je namelijk op hun beurt kunnen uitnodigen om iets terug te doen. Als je een feestmaal geeft, nodig dan juist arme, kreupele, verlamde en blinde mensen uit, en je zult gelukkig zijn omdat zij niets voor je terug kunnen doen. Je zult ervoor beloond worden in de opstanding van de rechtvaardigen.’

Een van de andere gasten die dat hoorde, zei tegen hem: ‘Gelukkig is degene die aan tafel gaat in Gods Koninkrijk.’

Jezus zei tegen hem: ‘Een man gaf een groot feestmaal en nodigde veel mensen uit. Toen het tijd was voor het feestmaal stuurde hij zijn slaaf eropuit om tegen de genodigden te zeggen: “Kom, want alles staat klaar.” Maar ze hadden allemaal een excuus. De eerste zei: “Ik heb een veld gekocht en ik moet het echt gaan bekijken. Het spijt me, ik kan niet komen.” Een ander zei: “Ik heb vijf span runderen gekocht en ga die keuren. Het spijt me, ik kan niet komen.” Weer een ander zei: “Ik ben net getrouwd en daarom kan ik niet komen.” De slaaf ging terug en bracht verslag uit aan zijn meester. Zijn meester werd woedend en zei tegen hem: “Ga vlug naar de brede straten en naar de steegjes van de stad, en breng de arme, kreupele, blinde en verlamde mensen hier.” Uiteindelijk zei de slaaf: “Meester, ik heb gedaan wat u me hebt opgedragen, maar er is nog steeds plaats.” De meester zei: “Ga de wegen en de paden op, en dwing de mensen om binnen te komen zodat mijn huis vol raakt. Want ik zeg jullie: geen van de mannen die waren uitgenodigd, zal iets van mijn feestmaal proeven.”’

Grote groepen mensen reisden met hem mee, en hij richtte zich tot hen en zei: ‘Als iemand bij me komt en hij zijn vader, moeder, vrouw, kinderen, broers en zussen, en zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij mijn discipel niet zijn. Als iemand zijn martelpaal niet draagt en mij niet volgt, kan hij mijn discipel niet zijn. Stel dat je een toren wilt bouwen. Dan ga je er toch eerst voor zitten om de kosten te berekenen zodat je weet of je genoeg geld hebt? Want als je het fundament legt maar de bouw niet kunt voltooien, zullen alle mensen die het zien je uitlachen en zeggen: “Die man begon te bouwen, maar hij kon het niet afmaken.” En stel dat een koning oorlog wil voeren tegen een andere koning die met 20.000 soldaten op hem af komt. Dan zal hij er toch eerst voor gaan zitten om te overleggen of hij met zijn leger van 10.000 soldaten die koning kan verslaan? Want als hij dat niet kan, stuurt hij terwijl de ander nog ver weg is gezanten en smeekt om vrede. Zo kunnen jullie er ook zeker van zijn dat je alleen een discipel van mij kunt zijn als je al je bezittingen opgeeft.

Zout is zeker iets goeds. Maar als het zout zijn kracht verliest, hoe krijgt het dan zijn smaak terug? Het is niet geschikt voor op het land en ook niet als mest. Het wordt weggegooid. Laat iedereen die oren heeft, goed luisteren.’

Er kwamen steeds allemaal belastinginners en zondaars naar hem toe om naar hem te luisteren. De farizeeën en de schriftgeleerden klaagden: ‘Die man gaat om met zondaars en eet met ze.’ Toen vertelde hij hun de volgende illustratie: ‘Stel dat iemand van jullie 100 schapen heeft en er één kwijtraakt. Dan zal hij toch de 99 andere in de wildernis achterlaten en naar het verloren schaap zoeken tot hij het vindt? En als hij het heeft gevonden, legt hij het vol blijdschap op zijn schouders. Wanneer hij thuiskomt, roept hij zijn vrienden en buren bij elkaar en zegt tegen ze: “Deel in mijn vreugde, want ik heb het schaap gevonden dat ik kwijt was!” Ik zeg jullie: zo is er ook in de hemel meer vreugde over één zondaar die berouw heeft dan over 99 rechtvaardigen die geen berouw nodig hebben.

Of stel dat een vrouw tien drachmen heeft en er één verliest. Dan zal ze toch een lamp aansteken, het huis vegen en net zo lang zoeken tot ze de munt vindt? Als ze die heeft gevonden, roept ze haar vriendinnen en buurvrouwen bij elkaar en zegt: “Deel in mijn vreugde, want ik heb de drachme gevonden die ik kwijt was!” Ik zeg jullie: zo is er ook vreugde bij de (hemelse) boodschappers van God over één zondaar die berouw heeft.’

Toen zei hij: ‘Een man had twee zonen. De jongste zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waar ik recht op heb.” Daarom verdeelde hij zijn bezittingen onder hen. Een paar dagen later pakte de jongste zoon zijn spullen bij elkaar en vertrok naar een ver land. Daar leidde hij een losbandig leven en verkwistte alles wat hij had. Toen hij al zijn geld had uitgegeven, kwam er in het hele land een zware hongersnood, en hij begon gebrek te lijden. Hij vroeg zelfs om werk bij een van de inwoners van dat land, die hem op zijn velden varkens liet hoeden. Hij had zijn maag graag willen vullen met de carobepeulen die de varkens aten, maar niemand gaf hem iets.

Toen hij tot bezinning kwam, zei hij: “De loonarbeiders van mijn vader hebben meer dan genoeg te eten, terwijl ik hier doodga van de honger! Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: ‘Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u. Ik ben het niet meer waard uw zoon te worden genoemd. Behandel me als een van uw loonarbeiders.’” Hij vertrok meteen en ging naar zijn vader. Toen hij nog ver weg was, zag zijn vader hem al aankomen en kreeg medelijden met hem. Hij rende naar zijn zoon toe, omhelsde hem en kuste hem teder. Zijn zoon zei: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u. Ik ben het niet meer waard uw zoon te worden genoemd.” Maar de vader zei tegen zijn slaven: “Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan. Doe een ring aan zijn vinger en sandalen aan zijn voeten. Haal het gemeste kalf, slacht het en laten we eten en feestvieren. Want deze zoon van mij was dood maar is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden.” En ze begonnen feest te vieren.

Zijn oudste zoon was op dat moment op het land. Toen hij terugging en in de buurt van het huis kwam, hoorde hij muziek en gedans. Hij riep een van de bedienden en vroeg wat er aan de hand was. Die antwoordde: “Uw broer is teruggekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij zijn zoon gezond en wel heeft teruggekregen.” Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen gaan. Zijn vader kwam naar buiten en drong erop aan dat hij binnen zou komen. Toen zei hij tegen zijn vader: “Ik werk al jaren hard voor u en ik ben u nooit ongehoorzaam geweest. Toch hebt u mij nog nooit een geitenbokje gegeven zodat ik met mijn vrienden feest kon vieren. Maar nu komt die zoon van u terug, die uw bezittingen er met de hoeren doorheen heeft gejaagd, en u slacht het gemeste kalf voor hem.” Zijn vader zei: “Zoon, jij bent altijd bij me geweest, en alles wat van mij is, is ook van jou. Maar we moesten wel feestvieren en blij zijn, want je broer was dood maar is tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden.”’

Daarna zei hij ook tegen de discipelen: ‘Een rijke man had een beheerder die ervan werd beschuldigd dat hij de eigendommen van zijn meester verkwistte. Hij riep hem dus bij zich en zei: “Wat hoor ik allemaal over je? Je kunt het huis niet langer besturen, dus leg verantwoording af van je beheer.” Toen zei de beheerder bij zichzelf: “Wat moet ik doen? Mijn meester wil het beheer van me afnemen. Ik ben niet sterk genoeg om te spitten en ik schaam me om te bedelen. Wacht, ik weet al wat ik zal doen om ervoor te zorgen dat mensen me in hun huis zullen ontvangen wanneer ik straks als beheerder ontslagen ben!” Hij liet iedereen die bij zijn meester schulden had een voor een bij zich komen. Hij zei tegen de eerste: “Hoeveel ben je mijn meester schuldig?” De man antwoordde: “Honderd maten olijfolie.” Hij zei: “Hier is de geschreven overeenkomst. Ga zitten en schrijf vlug 50 op.” Tegen een ander zei hij: “En jij, hoeveel ben jij hem schuldig?” De man antwoordde: “Honderd grote maten tarwe.” Hij zei: “Hier is de geschreven overeenkomst. Schrijf 80 op.” Ook al was de beheerder onrechtvaardig, toch prees zijn meester hem omdat hij met praktische wijsheid te werk was gegaan. Want de zonen van dit tijdperk zijn ten opzichte van hun eigen geslacht praktisch gezien slimmer dan de zonen van het licht.

Zo zeg ik jullie ook: Maak vrienden met behulp van de onrechtvaardige rijkdom, zodat zij je in de eeuwige woonplaatsen zullen ontvangen wanneer die rijkdom wegvalt. Wie betrouwbaar is in het kleine, is ook betrouwbaar in het grote, en wie onrechtvaardig is in het kleine, is ook onrechtvaardig in het grote. Als je dus niet betrouwbaar blijkt te zijn als het gaat om de onrechtvaardige rijkdom, wie zal dan de ware rijkdom aan je toevertrouwen? En als je niet betrouwbaar blijkt te zijn als het gaat om de bezittingen van een ander, wie zal je dan iets geven voor jezelf? Een knecht kan niet twee meesters dienen: óf hij zal de een haten en van de ander houden, óf hij zal juist aan de eerste gehecht zijn en de ander verachten. Je kunt niet God én de Rijkdom dienen.’

De farizeeën, die van geld hielden, luisterden naar die dingen en begonnen hem te bespotten. Hij zei tegen ze: ‘Jullie doen je bij de mensen rechtvaardig voor, maar God kent jullie hart. Wat bij mensen in hoog aanzien staat, is in Gods ogen walgelijk.

Tot Johannes waren er de Wet en de Profeten. Vanaf die tijd wordt Gods Koninkrijk als goed nieuws bekendgemaakt, en alle soorten mensen streven ernaar het te bereiken. Hemel en aarde zouden nog eerder verdwijnen dan dat ook maar één deeltje van een letter uit de wet onvervuld blijft. Iedereen die zich van zijn vrouw laat scheiden en met een ander trouwt, pleegt overspel. En iemand die met een gescheiden vrouw trouwt, pleegt overspel.

Er was een rijke man die purperen en linnen kleding droeg en elke dag in weelde en luxe baadde. Bij zijn poort werd altijd een bedelaar neergelegd die Lazarus heette en die onder de zweren zat. Hij hoopte zijn maag te vullen met wat er van de tafel van de rijke man viel. Ook kwamen de honden zijn zweren likken. Op een dag stierf de bedelaar en hij werd door de (hemelse) boodschappers naar Abraham gedragen.

Ook de rijke man stierf en hij werd begraven. In het Graf keek hij op terwijl hij hevige pijn had, en hij zag in de verte Abraham met Lazarus naast zich. “Vader Abraham,” riep hij, “heb medelijden en stuur Lazarus naar me toe. Dan kan hij het topje van zijn vinger in water dopen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd hevige pijn in deze vlammen.” Maar Abraham zei: “Kind, bedenk dat jij tijdens je leven heel veel goede dingen hebt gekregen, terwijl Lazarus het heel slecht heeft gehad. Nu wordt hij hier getroost maar lijd jij hevige pijn. Bovendien bevindt er zich tussen ons en jullie een grote kloof, zodat niemand van hier naar jullie kan oversteken en ook niemand van daar naar ons.” Toen zei hij: “Vader, dan vraag ik of u hem naar het huis van mijn vader wilt sturen om mijn vijf broers een grondig getuigenis te geven, zodat zij niet in deze plaats van pijniging terechtkomen.” Maar Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de Profeten. Daar moeten ze naar luisteren.” Hij zei: “Nee, vader Abraham, maar als er iemand uit de dood opstaat en naar ze toe gaat, zullen ze berouw hebben.” Maar hij antwoordde: “Als ze niet naar Mozes en de Profeten luisteren, zullen ze ook niet overtuigd worden als er iemand uit de dood opstaat.”’

Toen zei hij tegen zijn discipelen: ‘Het is onvermijdelijk dat er struikelblokken komen. Maar wee degene die ze veroorzaakt! Hij kan beter met een molensteen om zijn nek in zee worden gegooid dan dat hij een van deze kleinen laat struikelen. Let goed op jezelf. Als je broeder een zonde begaat, wijs hem dan terecht, en als hij berouw heeft, vergeef hem dan. Zelfs als hij zeven keer per dag tegen je zondigt en zeven keer bij je terugkomt en zegt: “Ik heb berouw”, moet je hem vergeven.’

De apostelen zeiden tegen de Heer: ‘Geef ons meer geloof.’ De Heer antwoordde: ‘Als jullie geloof maar zo groot was als een mosterdzaadje, dan zouden jullie tegen deze zwarte moerbeiboom zeggen: “Trek je wortels uit de grond en plant jezelf in de zee!”, en dan zou hij jullie gehoorzamen.

Stel dat je een slaaf hebt die voor je ploegt of op de kudde past. Als hij terugkomt van het land, zeg je dan tegen hem: “Kom maar meteen aan tafel”? Nee, je zult eerder tegen hem zeggen: “Maak het avondeten voor me klaar, doe een schort voor en bedien me totdat ik klaar ben met eten en drinken. Daarna kun jij eten en drinken.” Je zult de slaaf toch niet dankbaar zijn omdat die heeft gedaan wat hem was opgedragen? Voor jullie geldt hetzelfde. Als jullie alles hebben gedaan wat je is opgedragen, zeg dan: “Wij zijn maar slaven. We hebben gedaan wat we moesten doen.”’

Terwijl hij naar Jeruzalem ging, trok hij door het grensgebied van Samaria en Galilea. Toen hij een dorp binnenging, kwamen tien melaatsen hem tegemoet, maar ze bleven in de verte staan. Ze riepen: ‘Jezus, Meester, heb medelijden met ons!’ Hij zag ze en zei tegen ze: ‘Ga je aan de priesters laten zien.’ Terwijl ze onderweg waren, werden ze weer rein. Een van hen ging terug toen hij zag dat hij genezen was, en hij prees God met luide stem. Hij viel aan Jezus’ voeten neer en bedankte hem. Het was een Samaritaan. Jezus zei: ‘Alle tien zijn toch rein geworden? Waar zijn dan de andere negen? Is er niemand anders teruggekomen om God te eren dan deze man van een ander volk?’ Hij zei tegen hem: ‘Sta op en ga. Je geloof heeft je beter gemaakt.’

De farizeeën vroegen hem wanneer Gods Koninkrijk zou komen. Hij antwoordde: ‘Het Koninkrijk van God komt niet op een opvallende manier. De mensen zullen niet zeggen: “Kijk hier!” of: “Daar!” Want kijk! Gods Koninkrijk is in jullie midden.’

Tegen de discipelen zei hij: ‘Er komt een tijd dat jullie ernaar zullen verlangen een van de dagen van de Mensenzoon te zien, maar jullie zullen die niet zien. En mensen zullen tegen je zeggen: “Kijk daar!” of: “Kijk hier!” Ga er niet heen en loop niet achter ze aan. Want net zoals de bliksem de hemel van de ene tot de andere kant oplicht, zo zal de Mensenzoon zijn in die tijd. Maar eerst moet hij veel lijden ondergaan en door deze generatie verworpen worden. In de tijd van de Mensenzoon zal het net zo gaan als in de tijd van Noach: de mensen aten en dronken, mannen trouwden en vrouwen werden uitgehuwelijkt, tot de dag dat Noach de ark in ging en de vloed kwam, die hen allemaal vernietigde. Het zal net zo gaan als in de tijd van Lot: de mensen aten en dronken, ze kochten en verkochten, ze plantten en ze bouwden. Maar op de dag dat Lot uit Sodom vertrok, regende het vuur en zwavel uit de hemel, waardoor ze allemaal werden vernietigd. Zo zal het ook gaan op de dag waarop de Mensenzoon wordt geopenbaard.

Wie op die dag op het dak van zijn huis is terwijl zijn bezittingen in het huis zijn, moet niet naar beneden gaan om die op te halen. En wie buiten op het veld is, moet niet teruggaan naar de dingen die hij heeft achtergelaten. Denk aan de vrouw van Lot. Wie zijn leven probeert te redden, zal het verliezen, maar wie het verliest, zal het redden. Ik zeg jullie: Die nacht zullen er twee personen in één bed liggen. De een zal worden meegenomen, maar de ander achtergelaten. Er zullen twee vrouwen samen graan malen. De een zal worden meegenomen, maar de ander achtergelaten.’ Ze vroegen hem: ‘Waar, Heer?’ Hij zei tegen ze: ‘Waar het lichaam is, zullen de arenden zich verzamelen.’

Vervolgens vertelde hij hun met een illustratie waarom het nodig is altijd te bidden en het niet op te geven. Hij zei: ‘In een bepaalde stad was een rechter die geen ontzag voor God had en geen respect voor mensen. In die stad was ook een weduwe, die steeds naar hem toe ging en zei: “Zorg ervoor dat mij recht wordt gedaan tegenover mijn tegenpartij.” Een tijdlang wilde hij dat niet, maar later zei hij bij zichzelf: “Hoewel ik geen ontzag voor God en geen respect voor mensen heb, zal ik er toch voor zorgen dat deze weduwe recht wordt gedaan, want ze valt me de hele tijd lastig. Anders blijft ze maar komen met haar eisen en mij het leven zuur maken.”’ Toen zei de Heer: ‘Let op wat de rechter zei, ook al was hij onrechtvaardig. Zal God er dan niet zeker voor zorgen dat er recht wordt gedaan aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot hem roepen, terwijl hij geduld met hen heeft? Ik zeg jullie: hij zal ervoor zorgen dat hun snel recht wordt gedaan. Maar wanneer de Mensenzoon komt, zal hij dan echt zo’n geloof op aarde vinden?’

Ook vertelde hij de volgende illustratie aan mensen die overtuigd waren van hun eigen rechtvaardigheid en die op anderen neerkeken: ‘Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden. De een was een farizeeër en de ander een belastinginner. De farizeeër ging staan en bad bij zichzelf: “O God, ik dank u dat ik niet zo ben als de rest: afpersers, onrechtvaardigen, overspelige mensen, of zelfs zoals deze belastinginner. Ik vast twee keer per week en ik geef een tiende van al mijn inkomsten.” Maar de belastinginner stond op een afstand en durfde niet eens omhoog te kijken naar de hemel. Hij sloeg zich de hele tijd op de borst en zei: “O God, ik ben een zondaar. Heb medelijden met mij.” Ik zeg jullie: die man ging naar huis en bleek rechtvaardiger te zijn dan de farizeeër. Want iedereen die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en iedereen die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.’

Mensen brachten kleine kinderen bij Jezus om ze door hem te laten aanraken. Toen de discipelen dat zagen, wezen ze hen terecht. Maar Jezus riep de kleine kinderen bij zich en zei: ‘Laat de kinderen bij me komen. Probeer ze niet tegen te houden, want Gods Koninkrijk is voor mensen die zijn zoals zij. Ik verzeker jullie: wie Gods Koninkrijk niet aanvaardt als een kind, zal het zeker niet binnengaan.’

Een van de bestuurders vroeg hem: ‘Goede Meester, wat moet ik doen om eeuwig leven te krijgen?’ Jezus zei tegen hem: ‘Waarom noem je mij goed? Niemand is goed, behalve één, God. Je kent de geboden: “Pleeg geen overspel, moord niet, steel niet, leg geen vals getuigenis af, eer je vader en je moeder.”’ Daarop zei hij: ‘Van jongs af aan heb ik me aan al die dingen gehouden.’ Toen Jezus dat hoorde, zei hij: ‘Er is nog één ding dat je moet doen: verkoop alles wat je hebt en verdeel de opbrengst onder de armen. Dan zul je een schat in de hemel hebben. Kom, wees mijn volgeling.’ Toen hij dat hoorde, werd hij diepbedroefd, want hij was heel rijk.

Jezus keek naar hem en zei: ‘Wat zal het voor mensen die geld hebben moeilijk zijn om het Koninkrijk van God binnen te gaan! Het is voor een kameel makkelijker om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het Koninkrijk van God binnen te gaan.’ Degenen die dat hoorden, vroegen: ‘Wie kan er dan eigenlijk worden gered?’ Hij antwoordde: ‘Wat bij mensen onmogelijk is, is bij God wel mogelijk.’ Toen zei Petrus: ‘Maar wij hebben alles achtergelaten wat we hadden en zijn je gevolgd!’ Jezus zei tegen ze: ‘Ik verzeker jullie: er is niemand die zijn huis of zijn vrouw of broers of ouders of kinderen heeft verlaten voor Gods Koninkrijk, die geen veelvoud daarvan zal krijgen in deze tijd, en in het toekomstige tijdperk eeuwig leven.’

Hij nam de twaalf apart en zei: ‘Luister, we gaan naar Jeruzalem, en alles wat door de profeten over de Mensenzoon is geschreven, zal in vervulling gaan. Hij zal aan de natiën worden overgeleverd en hij zal bespot, beledigd en bespuugd worden. Nadat ze hem hebben gegeseld, zullen ze hem doden, maar op de derde dag zal hij opstaan.’ Ze begrepen er alleen niets van omdat de betekenis van die woorden voor hen verborgen was. Ze konden niet vatten wat hij zei.

Toen Jezus in de buurt van Jericho kwam, zat er langs de weg een blinde te bedelen. Hij hoorde een grote groep mensen voorbijkomen en vroeg wat er aan de hand was. Ze vertelden hem: ‘Jezus de Nazarener komt voorbij.’ Toen riep hij: ‘Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!’ Degenen die vooropliepen, snauwden hem toe dat hij zijn mond moest houden. Maar hij riep nog harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’ Jezus bleef staan en zei dat de man bij hem gebracht moest worden. Toen de man bij hem was, vroeg Jezus hem: ‘Wat wil je dat ik voor je doe?’ Hij zei: ‘Heer, laat me weer zien.’ Jezus zei tegen hem: ‘Je kunt weer zien. Je geloof heeft je beter gemaakt.’ Meteen kon hij weer zien. Hij ging hem volgen en eerde God. Ook alle mensen die het zagen, loofden God.

Toen ging hij Jericho in en trok door de stad. Er was daar een man die Zacheüs heette. Hij was hoofd van de belastinginners en hij was rijk. Hij probeerde te zien wie Jezus was, maar dat lukte niet omdat er zo veel mensen waren en hij klein van stuk was. Daarom rende hij vooruit en klom in een vijgenboom om Jezus te zien, die daar voorbij zou komen. Toen Jezus bij die plek kwam, keek hij omhoog en zei tegen hem: ‘Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet ik in jouw huis te gast zijn.’ Hij kwam snel naar beneden en ontving hem vol vreugde. Maar alle mensen die het zagen, mopperden: ‘Hij is te gast in het huis van een zondaar.’ Zacheüs stond op en zei tegen hem: ‘Heer, de helft van mijn bezittingen geef ik aan de armen, en de mensen die ik heb afgeperst, geef ik vier keer zo veel terug.’ Jezus zei tegen hem: ‘Vandaag is er redding gekomen voor dit huis, want ook jij bent een zoon van Abraham. De Mensenzoon is namelijk gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.’

Terwijl ze naar hem luisterden, vertelde hij hun nog een illustratie, omdat hij dicht bij Jeruzalem was en ze dachten dat Gods Koninkrijk onmiddellijk zou verschijnen. Hij zei: ‘Een man van hoge afkomst ging op reis naar een ver lande om het koningschap te ontvangen. Daarna zou hij terugkomen. Hij riep tien van zijn slaven, gaf ze tien minen en zei tegen ze: “Doe er zaken mee totdat ik kom.” Maar de burgers hadden een hekel aan hem. Ze stuurden gezanten achter hem aan met de boodschap: “Wij willen niet dat die man koning over ons wordt.”

Uiteindelijk kwam hij terug nadat hij het koningschap had ontvangen. Hij riep de slaven aan wie hij het geld had gegeven bij zich, omdat hij wilde weten hoeveel ze met zakendoen hadden verdiend. De eerste kwam naar voren en zei: “Heer, uw mine heeft tien minen opgeleverd.” Hij zei tegen hem: “Goed gedaan! Je bent een goede slaaf. Omdat je bewezen hebt dat je betrouwbaar bent in iets kleins, geef ik je het gezag over tien steden.” De tweede kwam en zei: “Heer, uw mine heeft vijf minen opgebracht.” Tegen die slaaf zei hij: “Jij krijgt het gezag over vijf steden.” Maar de volgende kwam en zei: “Heer, hier is uw mine. Ik heb hem verborgen in een doek. Ik was namelijk bang voor u omdat u een strenge man bent. U neemt wat u niet hebt uitgezet en u oogst wat u niet hebt gezaaid.” Tegen hem zei hij: “Slechte slaaf, met je eigen woorden zal ik je veroordelen. Je wist toch dat ik een strenge man ben en dat ik neem wat ik niet heb uitgezet en oogst wat ik niet heb gezaaid? Waarom heb je mijn geld dan niet naar een bank gebracht? Dan had ik het bij mijn aankomst met rente teruggekregen.”

Toen zei hij tegen degenen die erbij stonden: “Pak de mine van hem af en geef die aan de slaaf die tien minen heeft.” Maar ze zeiden tegen hem: “Heer, hij heeft al tien minen!” Hij antwoordde: “Ik zeg jullie: Wie heeft, zal meer krijgen. Maar van wie niets heeft, zal zelfs wat hij heeft worden afgenomen. En breng mijn vijanden die niet wilden dat ik koning over ze werd bij me en dood ze voor mijn ogen.”’

Nadat Jezus dat had gezegd, reisde hij verder richting Jeruzalem. Toen hij dicht bij Bethfagé en Bethanië kwam, bij de berg die de Olijfberg wordt genoemd, stuurde hij twee van zijn discipelen eropuit en zei: ‘Ga het dorp in dat jullie daar zien. Zodra je er binnenkomt, zul je een vastgebonden veulen vinden waarop nog nooit iemand heeft gezeten. Maak het los en breng het hier. Als iemand vraagt: “Waarom maken jullie het los?”, moeten jullie zeggen: “De Heer heeft het nodig.”’ Ze gingen op weg en vonden het veulen, precies zoals hij had gezegd. Toen ze het veulen losmaakten, zeiden de eigenaars: ‘Waarom maken jullie het veulen los?’ Ze antwoordden: ‘De Heer heeft het nodig.’ Ze brachten het veulen bij Jezus, legden hun bovenkleren over het dier heen en lieten Jezus erop zitten.

Terwijl hij reed, spreidden de mensen hun bovenkleren op de weg uit. Toen hij bij de weg kwam die van de Olijfberg naar beneden loopt, begon de hele groep discipelen te juichen en God met luide stem te prijzen voor alle wonderen die ze hadden gezien. Ze zeiden: ‘Gezegend is degene die komt als de Koning in Jehovah’s naam! Vrede in de hemel en glorie in de hoogste hoogten!’ Maar enkele farizeeën uit de menigte zeiden tegen hem: ‘Meester, wijs uw discipelen terecht.’ Hij antwoordde: ‘Ik zeg jullie: als zij zouden zwijgen, zouden de stenen het uitroepen.’

Toen hij dichterbij kwam en naar de stad keek, begon hij te huilen en zei: ‘Had jij vandaag maar ingezien wat vrede brengt — maar nu is dat voor je ogen verborgen. Want er komt een tijd dat je vijanden een belegeringswal van puntige palen om je heen zullen bouwen. Ze zullen je omsingelen en je van alle kanten belegeren. Ze zullen je met de grond gelijkmaken en je kinderen verpletteren. Ze zullen in jou geen steen op de andere laten, omdat je de tijd waarin je werd geïnspecteerd, niet hebt herkend.’

Toen ging hij de tempel in en joeg iedereen weg die daar aan het verkopen was. Hij zei tegen ze: ‘Er staat geschreven: “Mijn huis zal een huis van gebed zijn”, maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!’

Hij ging elke dag in de tempel onderwijzen. De overpriesters, de schriftgeleerden en de leiders van het volk wilden hem uit de weg ruimen. Maar ze konden geen manier vinden om dat te doen, want de mensen bleven steeds bij hem in de buurt om naar hem te luisteren.

Op een van de dagen dat hij het volk in de tempel onderwees en het goede nieuws bekendmaakte, kwamen de overpriesters en de schriftgeleerden met de oudsten naar hem toe. Ze zeiden tegen hem: ‘Vertel ons eens: Met welk recht doet u deze dingen? En wie heeft u dat recht gegeven?’ Hij antwoordde: ‘Ik zal jullie ook een vraag stellen. Vertel me eens: was de doop van Johannes uit de hemel of uit de mensen?’ Ze overlegden en zeiden tegen elkaar: ‘Als we zeggen: “Uit de hemel”, dan zal hij zeggen: “Waarom hebben jullie hem dan niet geloofd?” Maar als we zeggen: “Uit de mensen”, dan zal het hele volk ons stenigen, want zij zijn ervan overtuigd dat Johannes een profeet was.’ Ze antwoordden dus dat ze niet wisten waar die vandaan kwam. Jezus zei: ‘Dan vertel ik jullie ook niet met welk recht ik deze dingen doe.’

Daarna vertelde hij het volk de volgende illustratie: ‘Een man legde een wijngaard aan, verhuurde die aan wijnbouwers en vertrok voor lange tijd naar het buitenland. In de oogsttijd stuurde hij een slaaf naar de wijnbouwers om wat vruchten van de wijngaard in ontvangst te nemen. Maar de wijnbouwers sloegen de slaaf in elkaar en stuurden hem met lege handen weg. Hij stuurde nog een slaaf naar ze toe. Ze sloegen en vernederden ook hem en stuurden hem met lege handen weg. Vervolgens stuurde hij een derde slaaf. Ook die verwondden ze en ze gooiden hem eruit. Toen zei de eigenaar van de wijngaard: “Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefde zoon sturen. Voor hem zullen ze vast respect hebben.” Maar toen de wijnbouwers hem zagen, overlegden ze met elkaar en zeiden: “Daar is de erfgenaam. Laten we hem doden, dan is de erfenis voor ons!” Ze gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. Wat zal de eigenaar van de wijngaard nu met ze doen? Hij zal komen en die wijnbouwers ombrengen, en hij zal de wijngaard aan anderen geven.’

Toen ze dat hoorden, zeiden ze: ‘Dat nooit!’ Maar hij keek ze aan en zei: ‘Wat betekent dan wat er geschreven staat: “De steen die de bouwers hebben afgekeurd, is juist de belangrijkste hoeksteen geworden”? Iedereen die op deze steen valt, zal verpletterd worden. En iedereen op wie de steen valt, zal erdoor verbrijzeld worden.’

Op dat moment wilden de schriftgeleerden en de overpriesters hem grijpen, omdat ze begrepen dat de illustratie over hen ging. Maar ze waren bang voor het volk. Ze hielden hem scherp in de gaten en stuurden mannen die ze in het geheim hadden gehuurd om zich rechtvaardig voor te doen. Ze wilden hem namelijk op zijn woorden vangen, zodat ze hem aan de overheid konden uitleveren, aan het gezag van de gouverneur. Ze legden hem een vraag voor: ‘Meester, we weten dat wat u zegt en onderwijst juist is en dat u geen vooroordeel hebt, en dat u de waarheid over Gods weg onderwijst. Is het toegestaan caesar belasting te betalen of niet?’ Maar hij doorzag hun sluwe bedoelingen en zei tegen ze: ‘Laat me een denarius zien. Van wie zijn de afbeelding en het opschrift?’ Ze antwoordden: ‘Van caesar.’ Hij zei tegen ze: ‘Geef dan in elk geval aan caesar wat van caesar is, maar aan God wat van God is.’ Ze konden hem in het bijzijn van het volk dus niet op zijn woorden vangen. Verbaasd over zijn antwoord zeiden ze verder niets.

Toen kwamen er sadduceeën naar hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is. Ze vroegen: ‘Meester, Mozes heeft geschreven: “Als iemands broer kinderloos sterft en een vrouw achterlaat, moet zijn broer met de weduwe trouwen en nakomelingen verwekken voor zijn broer.” Nu waren er zeven broers. De eerste trouwde maar stierf kinderloos. Daarom trouwde de tweede broer met de weduwe en later ook de derde. Zo ging het met alle zeven: ze stierven en lieten geen kinderen na. Uiteindelijk stierf ook de vrouw. Wie zal haar in de opstanding als vrouw krijgen? Want ze zijn alle zeven met haar getrouwd geweest.’

Jezus zei tegen ze: ‘De kinderen van deze wereld trouwen en worden uitgehuwelijkt. Maar degenen die waardig zijn bevonden om deel te hebben aan die wereld en aan de opstanding uit de dood, trouwen niet en worden niet uitgehuwelijkt. Ze kunnen trouwens ook niet meer sterven, want ze zijn als de (hemelse) boodschappers, en als kinderen van de opstanding zijn ze Gods kinderen. Maar dat de doden worden opgewekt, heeft ook Mozes onthuld in het verslag over de doornstruik, waarin hij Jehovah “de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob” noemt. Hij is geen God van de doden, maar van de levenden, want voor hem leven ze allemaal.’ Sommige schriftgeleerden zeiden daarop: ‘Meester, u hebt goed gesproken.’ Ze durfden hem namelijk geen enkele vraag meer te stellen.

Maar hij vroeg hun: ‘Hoe kan er gezegd worden dat de Gezalfde Davids zoon is? Want David zegt zelf in het boek Psalmen: “Jehovah heeft tegen mijn Heer gezegd: ‘Ga aan mijn rechterhand zitten totdat ik je vijanden aan je voeten leg als een voetenbank.’” David noemt hem dus Heer. Hoe kan hij dan zijn zoon zijn?’

Terwijl het hele volk luisterde, zei hij tegen zijn discipelen: ‘Pas op voor de schriftgeleerden. Ze lopen rond in lange gewaden en willen graag begroet worden op het marktplein. Ook zitten ze in de synagoge graag vooraan en willen ze de beste plaatsen hebben bij feestmaaltijden. Ze verslinden de huizen van de weduwen en zeggen voor de schijn lange gebeden op. Hun staat een strenger oordeel te wachten.’

Toen hij opkeek, zag hij de rijken hun giften in de geldkisten doen. Hij zag ook dat een arme weduwe er twee kleine muntjes die heel weinig waard waren in deed en hij zei: ‘Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft er meer in gedaan dan alle anderen. Want die anderen hebben iets gegeven van wat ze overhadden, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven wat ze had, alles waarvan ze moest leven.’

Later hadden sommigen het erover dat de tempel versierd was met prachtige stenen en opgedragen voorwerpen. Toen zei Jezus: ‘Er komt een tijd dat alles wat jullie hier zien, afgebroken zal worden. Niet één steen zal op de andere blijven.’ Daarop vroegen ze hem: ‘Meester, wanneer zal dat allemaal gebeuren? En wat zal het teken zijn dat die dingen gaan gebeuren?’ Hij zei: ‘Pas op dat je niet wordt misleid, want er zullen velen komen die mijn naam gebruiken en zeggen: “Ik ben het” en: “De tijd is gekomen.” Ga ze niet achterna. Als jullie horen van oorlogen en ongeregeldheden, raak dan niet in paniek. Want die dingen moeten eerst gebeuren, maar het einde zal niet meteen komen.’

Daarna zei hij tegen ze: ‘Het ene volk zal strijden tegen het andere, en het ene koninkrijk tegen het andere. Er zullen grote aardbevingen zijn en in de ene plaats na de andere voedseltekorten en epidemieën. Ook zullen er angstaanjagende dingen te zien zijn en zullen er uit de hemel grote tekenen zijn.

Maar voordat al die dingen gebeuren, zullen de mensen jullie oppakken en vervolgen, en jullie overleveren aan synagogen en gevangenissen. Jullie zullen ter wille van mijn naam voor koningen en bestuurders gesleept worden. Het zal ertoe leiden dat jullie een getuigenis zullen geven. Neem je dus voor om niet van tevoren uit te denken hoe je je moet verdedigen, want ik zal jullie woorden van wijsheid geven die al jullie tegenstanders bij elkaar niet kunnen weerstaan of tegenspreken. Ook zullen jullie zelfs door ouders, broers, familie en vrienden worden overgeleverd, en sommigen van jullie zullen ter dood worden gebracht. En jullie zullen vanwege mijn naam door alle mensen worden gehaat. Toch zal geen haar van je hoofd verloren gaan. Door te volharden zul je je leven redden.

Maar wanneer jullie zien dat Jeruzalem door legertroepen omsingeld is, weet dan dat de verwoesting van de stad dichtbij is. Dan moeten degenen die in Judea zijn, naar de bergen vluchten, en degenen die in de stad zijn, moeten vertrekken. En wie op het land is, moet niet de stad in gaan, want dit zijn dagen waarin het oordeel wordt voltrokken zodat alles wat geschreven staat, zal worden vervuld. Wee de vrouwen die in die tijd zwanger zijn of een kind aan de borst hebben! Want er zal veel ellende over het land komen en dit volk zal zwaar gestraft worden. Ze zullen door het zwaard omkomen of als gevangenen naar alle volken worden weggevoerd. En Jeruzalem zal door de natiën worden vertrapt totdat de vastgestelde tijd van de natiën voorbij is.

Ook zullen er tekenen zijn in de zon, de maan en de sterren, en op aarde zullen de volken doodsbang zijn en geen uitweg weten vanwege het gebulder van de woeste zee. De mensen zullen bezwijken van angst en spanning om wat er over de bewoonde aarde komt, want de hemelse krachten zullen worden geschud. En dan zullen ze de Mensenzoon in een wolk zien komen met kracht en grote majesteit. Als die dingen beginnen te gebeuren, ga dan rechtop staan en hef je hoofd op, want je bevrijding is dichtbij.’

Toen vertelde hij hun een illustratie: ‘Kijk eens naar de vijgenboom en alle andere bomen. Als je ziet dat ze in de knop staan, weet je dat het bijna zomer is. Zo weten jullie ook, als jullie die dingen zien gebeuren, dat Gods Koninkrijk nabij is. Ik verzeker jullie dat deze generatie niet zal verdwijnen voordat al die dingen gebeuren. Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden zullen nooit verdwijnen.

Let goed op jezelf, zodat je hart nooit overbelast raakt door te veel eten en te veel drinken en de zorgen van het leven. Anders overvalt die dag je plotseling, als een val die dichtklapt. Want die dag zal komen over alle mensen die op aarde leven. Blijf dus wakker en blijf smeken dat het je zal lukken om aan al deze dingen die moeten gebeuren te ontkomen en om vóór de Mensenzoon te staan.’

Overdag onderwees hij in de tempel maar ’s avonds vertrok hij naar de Olijfberg om daar te overnachten. ’s Morgens vroeg kwam het volk dan weer bij hem in de tempel om naar hem te luisteren.

Het Feest van het Ongezuurde Brood, dat Pascha wordt genoemd, was bijna aangebroken. De overpriesters en de schriftgeleerden zochten naar een goede manier om hem uit de weg te ruimen, want ze waren bang voor het volk. Toen kwam Tegenstrever in Judas, degene die Iskariot werd genoemd en die bij de twaalf hoorde. Hij ging naar de overpriesters en de tempelwachters om te overleggen hoe hij hem aan hen kon verraden. Ze waren opgetogen en spraken af hem zilverstukken te geven. Hij ging akkoord en begon te zoeken naar een goed moment om hem aan hen te verraden zonder dat er veel mensen bij waren.

Toen brak de dag van het Feest van het Ongezuurde Brood aan, de dag waarop het paschaoffer gebracht moest worden. Jezus stuurde Petrus en Johannes eropuit en zei: ‘Ga de paschamaaltijd voor ons klaarmaken, zodat we die kunnen eten.’ Ze vroegen hem: ‘Waar wil je dat we het klaarmaken?’ Hij antwoordde: ‘Wanneer jullie de stad in gaan, zal jullie een man tegemoetkomen die een waterkruik draagt. Volg hem naar het huis dat hij binnengaat. Zeg tegen de eigenaar van het huis: “De Meester vraagt u: ‘Waar is het gastenvertrek waar ik met mijn discipelen de paschamaaltijd kan eten?’” De man zal jullie dan boven een grote kamer laten zien die al is ingericht. Maak het daar klaar.’ Ze vertrokken en vonden het precies zoals hij hun had gezegd. En ze maakten alles klaar voor het Pascha.

Toen het zover was, ging hij samen met de apostelen aan tafel. Hij zei tegen ze: ‘Ik heb er echt naar verlangd om deze paschamaaltijd met jullie te eten vóór mijn lijden. Want ik zeg jullie: ik zal het niet meer eten tot de vervulling ervan in Gods Koninkrijk.’ Hij nam een beker aan, sprak een dankgebed uit en zei: ‘Neem deze beker en geef hem aan elkaar door, want ik zeg jullie: vanaf nu zal ik niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken totdat Gods Koninkrijk komt.’

Hij nam ook een brood en sprak een dankgebed uit. Daarna brak hij het, gaf het aan hen en zei: ‘Dit betekent mijn lichaam, dat voor jullie gegeven zal worden. Blijf dit doen om mij te gedenken.’ Na de maaltijd deed hij hetzelfde met de beker en zei: ‘Deze beker betekent het nieuwe verbond dat wordt bekrachtigd door mijn bloed, dat voor jullie vergoten zal worden.

Maar weet dat mijn verrader hier bij mij aan tafel is. Want de Mensenzoon zal inderdaad zijn weg gaan zoals is bepaald. Maar wee de man door wie hij wordt verraden!’ Toen begonnen ze er met elkaar over te praten wie van hen zoiets zou kunnen doen.

Er ontstond onder hen ook een verhitte discussie over de vraag wie van hen de grootste was. Daarop zei hij tegen hen: ‘De koningen van de volken heersen over hen en de machthebbers laten zich weldoener noemen. Maar laat dat bij jullie niet zo zijn. De grootste onder jullie moet juist als de jongste worden, en degene die de leiding neemt als degene die dient. Want wie is groter: degene die aan tafel aanligt of degene die bedient? Is het niet degene die aan tafel aanligt? Toch ben ik hier degene die jullie bedient.

Jullie zijn degenen die tijdens mijn beproevingen steeds bij me zijn gebleven. En ik maak een verbond met jullie voor een koninkrijk, net zoals mijn Vader een verbond met mij heeft gemaakt, zodat jullie in mijn Koninkrijk aan mijn tafel kunnen eten en drinken, en op tronen kunnen zitten om de 12 stammen van Israël te oordelen.

Simon, Simon! de Tegenstrever heeft jullie allemaal voor zich opgeëist om jullie te ziften als tarwe. Maar ik heb voor je gesmeekt dat je geloof niet zou bezwijken. En als je tot inkeer bent gekomen, moet je je broeders versterken.’ Hij antwoordde: ‘Heer, ik ben bereid om met je de gevangenis in te gaan en zelfs te sterven.’ Maar Jezus zei: ‘Ik zeg je, Petrus: nog voordat er vandaag een haan kraait, zul je drie keer zeggen dat je mij niet kent.’

Ook zei hij tegen ze: ‘Toen ik jullie eropuit stuurde zonder geldbuidel, voedselzak en sandalen, zijn jullie toen iets tekortgekomen?’ Ze antwoordden: ‘Nee.’ Hij zei tegen ze: ‘Maar als je een geldbuidel en een voedselzak hebt, moet je die nu wel meenemen. En als je geen zwaard hebt, moet je je bovenkleed verkopen en er een aanschaffen. Ik zeg jullie dat in mij volbracht moet worden wat geschreven staat, namelijk: “Hij werd tot de wettelozen gerekend.” Want deze woorden gaan nu in mij in vervulling.’ Ze zeiden: ‘Kijk Heer, hier zijn twee zwaarden.’ Hij antwoordde: ‘Dat is genoeg.’

Hij vertrok en ging zoals altijd naar de Olijfberg. De discipelen gingen met hem mee. Toen hij daar was aangekomen, zei hij tegen ze: ‘Blijf bidden, zodat jullie niet toegeven aan verleiding.’ Hij ging bij ze weg, en op ongeveer een steenworp afstand knielde hij neer en ging in gebed. Hij zei: ‘Vader, als u het wilt, neem deze beker dan van mij weg. Maar laat niet mijn wil gebeuren, maar die van u.’ Na het gebed stond hij op en ging naar de discipelen. Hij trof ze slapend aan, want ze waren uitgeput van verdriet. Hij zei: ‘Waarom slapen jullie? Sta op en blijf bidden, zodat jullie niet toegeven aan verleiding.’

Hij was nog niet uitgesproken of er kwam een menigte aan. Voorop liep de man die Judas werd genoemd, één van de twaalf. Hij kwam op Jezus af om hem te kussen. Maar Jezus zei tegen hem: ‘Judas, verraad je de Mensenzoon met een kus?’ Toen degenen die bij hem stonden, begrepen wat er ging gebeuren, zeiden ze: ‘Heer, zullen we er met het zwaard op inslaan?’ Een van hen haalde zelfs uit naar de slaaf van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af. Maar Jezus zei: ‘Zo is het genoeg.’ En hij raakte het oor aan en genas hem. Toen zei Jezus tegen de overpriesters, de tempelwachters en de oudsten die op hem af waren gekomen: ‘Zijn jullie met zwaarden en knuppels gekomen alsof ik een misdadiger ben? Dag in dag uit was ik bij jullie in de tempel, en toen hebben jullie geen vinger naar me uitgestoken. Maar dit is jullie uur en de duisternis heerst.’

Toen namen ze hem gevangen en leidden hemd naar het huis van de hogepriester. Petrus volgde op een afstand. Ze staken midden op de binnenplaats een vuur aan en gingen bij elkaar zitten. Petrus zat tussen hen in. Bij het licht van het vuur zag een dienstmeisje hem zitten. Ze bekeek hem goed en zei: ‘Deze man was ook bij hem.’ Maar hij ontkende het en zei tegen haar: ‘Ik ken hem niet.’ Even later zag iemand anders hem en zei: ‘Jij hoort ook bij hen.’ Maar Petrus zei: ‘Welnee, man.’ Ongeveer een uur later zei weer een ander heel stellig: ‘Ja, deze man was ook bij hem. Trouwens, hij is een Galileeër!’ Maar Petrus zei tegen de man: ‘Ik weet niet waar je het over hebt.’ Onmiddellijk, terwijl hij nog praatte, kraaide er een haan. De Heer draaide zich om en keek Petrus aan, en Petrus herinnerde zich de uitspraak van de Heer: ‘Voordat vandaag een haan kraait, zul je drie keer zeggen dat je mij niet kent.’ Hij ging naar buiten en huilde bitter.

De mannen die Jezus gevangenhielden, maakten hem belachelijk en sloegen hem. Ze bedekten zijn gezicht en zeiden: ‘Profeteer! Wie is het die je geslagen heeft?’ En ze zeiden allerlei andere lasterlijke dingen tegen hem.

Toen het dag werd, kwam de raad van oudsten van het volk bijeen, zowel overpriesters als schriftgeleerden. Ze brachten hem naar hun Sanhedrin en zeiden: ‘Als jij de Gezalfde bent, zeg het ons dan.’ Maar hij antwoordde: ‘Ook al zou ik het jullie zeggen, jullie zouden het toch niet geloven. En als ik jullie vragen zou stellen, zouden jullie toch geen antwoord geven. Maar vanaf nu zal de Mensenzoon aan de machtige rechterhand van God zitten.’ Daarop zeiden ze allemaal: ‘Ben je dan de Zoon van God?’ Hij antwoordde: ‘Jullie zeggen zelf dat ik het ben.’ Ze zeiden: ‘Waarvoor hebben we nog getuigenverklaringen nodig? We hebben het uit zijn eigen mond gehoord!’

De hele menigte stond op en ze brachten hem naar Pilatus. Daar begonnen ze hem te beschuldigen: ‘We hebben vastgesteld dat deze man ons volk tot opstand aanzet en de mensen verbiedt belasting aan caesar te betalen. Hij zegt van zichzelf dat hij de Gezalfde is, een koning.’ Pilatus vroeg hem: ‘Bent u de Koning van de Judeeërs?’ Hij antwoordde: ‘U zegt het zelf.’ Toen zei Pilatus tegen de overpriesters en de menigte: ‘Ik heb niets strafbaars bij deze man gevonden.’ Maar ze hielden vol: ‘Hij hitst het volk in heel Judea op met zijn leer, van Galilea helemaal tot hier.’ Toen Pilatus dat hoorde, vroeg hij of de man een Galileeër was. Nadat hij had vastgesteld dat Jezus onder het rechtsgebied van Herodes viel, stuurde hij hem door naar Herodes, die op dat moment ook in Jeruzalem was.

Herodes was heel blij toen hij Jezus zag. Hij wilde hem al een hele tijd ontmoeten omdat hij veel over hem gehoord had en hoopte hem een wonder te zien doen. Daarom ondervroeg hij hem uitgebreid, maar hij gaf geen antwoord. De overpriesters en de schriftgeleerden stonden steeds op en beschuldigden hem fel. Toen vernederden Herodes en zijn soldaten hem, en hij maakte hem belachelijk door hem in een schitterend gewaad te steken. Daarna stuurde hij hem terug naar Pilatus. Op die dag werden Herodes en Pilatus vrienden, terwijl ze voor die tijd vijanden van elkaar waren geweest.

Pilatus riep de overpriesters, de regeerders en het volk bij elkaar en zei tegen ze: ‘Jullie hebben deze man bij me gebracht als iemand die het volk tot opstand aanzet. Ik heb hem in jullie bijzijn verhoord, maar ik heb geen basis gevonden voor de beschuldigingen die jullie tegen hem inbrengen. Ook Herodes trouwens niet, want hij heeft hem naar ons teruggestuurd. De man heeft niets gedaan waarop de doodstraf staat. Ik zal hem daarom straffen en hem vrijlaten.’ —— Maar de hele menigte schreeuwde: ‘Weg met hem! Laat Barabbas vrij!’ (Deze man was gevangengezet vanwege een oproer in de stad en vanwege moord.) Pilatus sprak hen opnieuw toe, want hij wilde Jezus vrijlaten. Toen begonnen ze te schreeuwen: ‘Aan de paal met hem! Aan de paal met hem!’ De derde keer zei hij tegen ze: ‘Waarom? Wat voor slechts heeft deze man gedaan? Ik heb niets gevonden waarvoor hij de dood verdient. Ik zal hem daarom straffen en hem vrijlaten.’ Vervolgens gingen ze aandringen en eisten ze luidkeels dat hij aan de paal gehangen zou worden. Hun geschreeuw gaf de doorslag. Pilatus besloot hun eis in te willigen. De man om wie ze vroegen en die vanwege oproer en moord gevangen was gezet, liet hij vrij, maar met Jezus mochten ze doen wat ze wilden.

Toen ze hem meenamen, grepen ze Simon, een man uit Cyrene, die net van het land kwam. Ze legden de martelpaal op zijn rug en lieten hem die achter Jezus aan dragen. Een grote menigte volgde Jezus, onder wie vrouwen die zich op de borst sloegen en om hem huilden. Jezus draaide zich om naar de vrouwen en zei: ‘Dochters van Jeruzalem, huil niet om mij, maar huil om jezelf en je kinderen. Want er komt een tijd dat mensen zullen zeggen: “Gelukkig de onvruchtbare vrouwen, de schoot die niet heeft gebaard en de borsten die niet hebben gevoed!” Dan zullen ze tegen de bergen zeggen: “Val op ons!”, en tegen de heuvels: “Bedek ons!” Als ze deze dingen al doen wanneer de boom nog leeft, wat zal er dan gebeuren wanneer de boom verdord is?’

Er werden nog twee mannen weggeleid om met hem terechtgesteld te worden, twee misdadigers. Ze kwamen op de plaats die Schedel wordt genoemd. Daar hingen ze hem aan de paal, met de misdadigers naast hem: één rechts en één links van hem. Jezus zei: ‘Vader, vergeef hen, want ze weten niet wat ze doen.’ En ze verdeelden zijn kleren door het lot te werpen. Het volk stond toe te kijken, maar de regeerders bespotten hem en zeiden: ‘Anderen heeft hij gered! Laat hij zichzelf maar redden als hij de Gezalfde van God is, de Uitverkorene.’ Zelfs de soldaten bespotten hem. Ze kwamen naar hem toe, boden hem zure wijn aan en zeiden: ‘Als je de Koning van de Judeeërs bent, red jezelf dan.’ Ook hing boven hem het opschrift: ‘Dit is de Koning van de Judeeërs’.

Een van de misdadigers die daar hing, zei spottend tegen hem: ‘Ben jij niet de Gezalfde? Red jezelf dan en ons erbij!’ Maar de ander wees hem terecht met de woorden: ‘Heb je dan zelfs geen ontzag voor God nu je dezelfde straf ondergaat? En bij ons is het terecht, want wij krijgen ons verdiende loon. Maar deze man heeft niets verkeerds gedaan.’ Daarna zei hij: ‘Jezus, denk aan mij wanneer je in je Koninkrijk gekomen bent.’ Hij antwoordde: ‘Ik verzeker je vandaag: jij zult met mij in het paradijs zijn.’

Het was nu rond het zesde uur, en toch viel er een duisternis over het hele land, tot het negende uur. Er was namelijk geen zonlicht. Toen scheurde het gordijn van het heiligdom doormidden. En Jezus riep luid: ‘Vader, aan uw handen vertrouw ik mijn geest toe.’ Nadat hij dat had gezegd, blies hij de laatste adem uit. De legerofficier zag wat er gebeurde en loofde God. Hij zei: ‘Deze man was echt rechtvaardig.’ Toen de grote groepen mensen die waren gekomen om naar het schouwspel te kijken, zagen wat er gebeurde, gingen ze naar huis, terwijl ze zich op de borst sloegen. Degenen die hem hadden gekend, stonden op een afstand. Er waren daar ook vrouwen die met hem waren meegekomen vanuit Galilea en die zagen wat er gebeurde.

Nu was er een goede en rechtvaardige man die Jozef heette en een lid van de Raad was. (Hij had niet ingestemd met hun complot en daden.) Hij kwam uit Arimathea, een stad van de Judeeërs, en hij verwachtte het Koninkrijk van God. Deze man ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. Hij nam het van de paal af en wikkelde het in fijn linnen. Toen legde hij het in een graf dat in de rotsen was uitgehakt en waarin nog niemand had gelegen. Het was voorbereidingsdag en de sabbat was bijna aangebroken. De vrouwen die met Jezus waren meegereisd uit Galilea, volgden hem. Ze bekeken het graf en zagen hoe zijn lichaam erin werd gelegd. Daarna gingen ze terug om specerijen en geurige oliën te bereiden. Maar op de sabbat rustten ze natuurlijk, zoals voorgeschreven.

Op de eerste dag van de week kwamen ze heel vroeg bij het graf met de specerijen die ze hadden bereid. Maar ze zagen dat de steen van het graf was weggerold, en toen ze naar binnen gingen, vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet. Ze begrepen er niets van. Plotseling stonden er twee mannen in stralende kleding bij hen. De vrouwen schrokken en durfden niet op te kijken. De mannen zeiden tegen ze: ‘Waarom zoeken jullie de levende onder de doden? Hij is niet hier, hij is uit de dood opgewekt. Denk aan wat hij tegen jullie heeft gezegd toen hij nog in Galilea was, dat de Mensenzoon aan zondige mensen overgeleverd en aan een paal gehangen moest worden, en dat hij op de derde dag zou opstaan.’ Toen herinnerden ze zich zijn woorden. Ze kwamen terug van het graf en vertelden al die dingen aan de elf en aan de rest. Het waren Maria Magdalena, Johanna en Maria, de moeder van Jakobus. Ook de andere vrouwen die bij hen waren, vertelden de apostelen hierover. Maar die vonden het onzin en wilden de vrouwen niet geloven.

Petrus stond echter op en rende naar het graf. Toen hij zich vooroverboog, zag hij alleen de linnen doeken. Hij ging dus weer weg, terwijl hij zich afvroeg wat er gebeurd was.

Op diezelfde dag waren twee van hen op weg naar een dorp dat Emmaüs heette, zo’n 11 kilometer van Jeruzalem vandaan. Ze praatten met elkaar over alles wat er gebeurd was.

Terwijl ze hierover in gesprek waren, kwam Jezus naar ze toe en liep met ze mee, maar hun ogen werden ervan weerhouden hem te herkennen. Hij zei tegen ze: ‘Waar lopen jullie zo druk over te praten?’ Met een verdrietig gezicht bleven ze staan. Eén van hen, Kleopas, antwoordde: ‘Bent u soms een vreemdeling die helemaal alleen woont? Weet u echt niet wat er de afgelopen dagen in Jeruzalem gebeurd is?’ Hij vroeg: ‘Wat dan?’ Ze zeiden: ‘Wat er gebeurd is met Jezus de Nazarener. Hij was een profeet die krachtig was in woord en daad voor de ogen van God en van het hele volk. Maar onze overpriesters en regeerders hebben hem ter dood laten veroordelen en hebben hem aan een paal gehangen. Wij hoopten juist dat deze man degene was die Israël zou bevrijden. Maar inmiddels is het al de derde dag sinds dat allemaal gebeurd is. En een paar vrouwen van onze groep hebben ons in verwarring gebracht: Ze waren ’s morgens vroeg naar het graf gegaan, maar toen ze zijn lichaam niet vonden, kwamen ze vertellen dat er (hemelse) boodschappers aan hen waren verschenen die zeiden dat hij leeft. Een paar van ons zijn toen naar het graf gegaan, en ze troffen het precies zo aan als de vrouwen hadden gezegd, maar hem hebben ze niet gezien.’

Hij zei tegen ze: ‘Zijn jullie zo onverstandig en traag van begrip dat jullie niet geloven wat de profeten allemaal hebben gezegd? De Gezalfde moest al dat lijden toch ondergaan om verheerlijkt te worden?’ En hij legde hun uit wat in de hele Schrift over hem gezegd werd, te beginnen bij Mozes en alle Profeten.

Uiteindelijk kwamen ze bij het dorp waarnaar ze op weg waren, en hij deed alsof hij verder wilde gaan. Maar ze drongen bij hem aan: ‘Blijf bij ons, want het wordt al avond. De dag is bijna om.’ Toen ging hij mee naar binnen en bleef bij ze. Terwijl hij met ze aan tafel was, nam hij het brood. Hij zegende het, brak het en deelde het uit. Op dat moment werden hun ogen volledig geopend en herkenden ze hem, maar toen verdween hij. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Brandde ons hart niet in ons toen hij onderweg met ons praatte en de Schrift duidelijk aan ons uitlegde?’ Meteen stonden ze op en gingen ze naar Jeruzalem terug. Daar vonden ze de elf, die met de andere discipelen bij elkaar waren gekomen en die zeiden: ‘De Heer is inderdaad uit de dood opgewekt en hij is aan Simon verschenen!’ Daarop vertelden zij wat er onderweg was gebeurd en dat ze hem hadden herkend toen hij het brood brak.

Terwijl ze het daarover hadden, kwam Jezus zelf in hun midden staan en zei tegen ze: ‘Vrede zij met jullie.’ Maar ze schrokken en werden bang, want ze dachten dat ze een geest zagen. Daarom zei hij: ‘Waarom schrikken jullie zo en waarom komen er twijfels op in jullie hart? Kijk naar mijn handen en voeten. Ik ben het echt. Raak me maar aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en botten, zoals jullie zien dat ik heb.’ Terwijl hij dat zei, liet hij hun zijn handen en voeten zien. Toen ze het van vreugde en verbazing nog steeds niet konden geloven, zei hij tegen ze: ‘Hebben jullie hier iets te eten?’ Ze gaven hem een stuk geroosterde vis. Hij nam het aan en at het voor hun ogen op.

Vervolgens zei hij: ‘Toen ik nog bij jullie was, heb ik jullie gezegd dat alles wat in de Wet van Mozes, de Profeten en de Psalmen over mij geschreven staat, vervuld moest worden.’ Toen opende hij hun verstand volledig, zodat ze de betekenis van de Schrift begrepen. Hij zei: ‘Er staat geschreven dat de Gezalfde zou lijden en op de derde dag uit de dood zou opstaan. En op basis van zijn naam zou er, te beginnen vanuit Jeruzalem, tot alle volken gepredikt worden dat ze berouw moesten hebben om vergeving van zonden te krijgen. Jullie moeten daarvan getuigen. En ik stuur jullie wat mijn Vader heeft beloofd. Maar jullie moeten in de stad blijven totdat jullie zijn bekleed met kracht van boven.’

Toen nam hij hen mee de stad uit, tot bij Bethanië. Hij hief zijn handen op en zegende hen. Terwijl hij hen zegende, werd hij van hen gescheiden en in de hemel opgenomen. Ze bewezen hem eer en gingen vol vreugde terug naar Jeruzalem. En ze waren voortdurend in de tempel om God te loven.