Het verslag van Markus


Schrijver: Markus (יוֹחָנָן מרקוס = Jochanan Markos)
Waar geschreven: Rome
Geschrift voltooid: ca. 60-65 n.Chr.
Beschreven periode: 29-33 n.Chr.


Het begin van het goede nieuws over Jezus de gezalfde, de Zoon van God. Zoals geschreven staat in Jesaja, de profeet: ‘(Let op! Ik stuur mijn (hemelse) boodschapper voor je uit, die de weg voor je zal banen.) In de woestijn roept een stem: “Maak de weg van Jehovah vrij! Maak zijn paden recht.”’ Johannes de doper was in de woestijn en predikte dat mensen zich moesten laten dopen als symbool van berouw om vergeving van zonden te krijgen. Heel Judea en alle inwoners van Jeruzalem gingen naar hem toe. Ze lieten zich door hem in de rivier de Jordaan dopen en bekenden openlijk hun zonden. Johannes droeg kleren van kameelhaar en had een leren gordel om zijn middel. Hij at sprinkhanen en wilde honing. Hij predikte: ‘Na mij komt iemand die sterker is dan ik. Ik ben het niet eens waard me te bukken om de riem van zijn sandalen los te maken. Ik heb jullie gedoopt met water, maar hij zal jullie dopen met heilige geest.’

In de loop van die dagen kwam Jezus uit Nazareth in Galilea, en hij werd door Johannes in de Jordaan gedoopt. Zodra hij uit het water omhoogkwam, zag hij dat de hemel geopend werd en dat de geest als een duif op hem neerdaalde. Ook klonk er een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon. Ik heb je goedgekeurd.’

Onmiddellijk zette de geest hem ertoe aan naar de woestijn te gaan, waar hij 40 dagen bleef. In de woestijn werd hij door de Tegenstrever op de proef gesteld en verbleef hij tussen de wilde dieren, maar de (hemelse) boodschappers waren hem van dienst.

Nadat Johannes gevangen was genomen, ging Jezus naar Galilea. Hij predikte daar het goede nieuws van God en zei: ‘De vastgestelde tijd is aangebroken en Gods Koninkrijk is nabij. Heb berouw, en geloof in het goede nieuws.’

Terwijl hij langs het Meer van Galilea liep, zag hij Simon en zijn broer Andreas hun netten in het meer uitgooien. Het waren vissers. Jezus zei tegen ze: ‘Kom, volg me, dan zal ik van jullie vissers van mensen maken.’ Onmiddellijk lieten ze hun netten in de steek en volgden hem. Verderop zag hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, die in hun boot bezig waren hun netten te repareren. Meteen riep hij hen. Ze lieten hun vader Zebedeüs met de loonarbeiders in de boot achter en volgden hem. Daarna gingen ze Kapernaüm in.

Zodra het sabbat was, ging hij de synagoge in en begon te onderwijzen. Ze waren diep onder de indruk van zijn manier van onderwijzen, want hij onderwees hen als iemand met gezag, en niet zoals de schriftgeleerden. Er was op dat moment een man in de synagoge die in de macht was van een onreine geest. Hij schreeuwde: ‘Wat hebben we met jou te maken, Jezus de Nazarener? Ben je gekomen om ons te vernietigen? Ik weet precies wie je bent: de Heilige van God!’ Jezus sprak de geest bestraffend toe en zei: ‘Zwijg en ga uit hem weg!’ De onreine geest liet de man stuiptrekken, schreeuwde luid en verliet hem. De mensen waren allemaal zo verbaasd dat ze tegen elkaar zeiden: ‘Wat is dit? Een nieuwe leer! Hij heeft zelfs gezag over onreine geesten en ze gehoorzamen zijn bevelen.’ Het nieuws over hem verbreidde zich snel over heel Galilea.

Daarop verlieten ze de synagoge en gingen naar het huis van Simon en Andreas, samen met Jakobus en Johannes. Simons schoonmoeder lag met koorts op bed. Ze vertelden hem meteen over haar. Hij ging naar haar toe, pakte haar bij de hand en hielp haar overeind. De koorts verdween en ze ging hen bedienen.

’s Avonds, na zonsondergang, werden alle mensen die ziek of door demonen bezeten waren bij hem gebracht. De hele stad had zich voor de deur verzameld. Hij genas veel mensen van allerlei ziekten en dreef veel demonen uit. Maar hij stond demonen niet toe iets te zeggen, omdat ze wisten dat hij de Gezalfde was.

Vroeg in de morgen, toen het nog donker was, stond hij op en ging naar buiten, naar een afgelegen plaats. Daar ging hij bidden. Maar Simon en de anderen die bij hem waren, gingen naar hem op zoek en vonden hem. Ze zeiden tegen hem: ‘Iedereen zoekt je!’ Maar hij zei: ‘Laten we ergens anders naartoe gaan, naar de dorpen in de buurt, zodat ik ook daar kan prediken, want daarvoor ben ik gekomen.’ Hij ging op weg en predikte in de synagogen in heel Galilea en dreef demonen uit.

Er kwam ook een melaatse naar hem toe, die zelfs op zijn knieën viel en hem smeekte: ‘Als u het alleen maar wilt, kunt u me rein maken.’ Jezus had medelijden met hem, stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het! Word rein.’ Onmiddellijk verdween zijn melaatsheid, en hij werd rein. Jezus stuurde hem meteen weg met de duidelijke waarschuwing: ‘Denk erom dat je het aan niemand vertelt, maar ga je aan de priester laten zien en breng het offer voor je reiniging dat Mozes heeft voorgeschreven, als teken voor hen.’ Maar eenmaal vertrokken, ging de man het verhaal overal breeduit rondvertellen, zodat Jezus niet meer openlijk een stad kon binnengaan. Daarom bleef hij op afgelegen plaatsen buiten de steden. Toch bleven de mensen van alle kanten naar hem toe komen.

Maar na een aantal dagen kwam hij weer in Kapernaüm, en het werd bekend dat hij thuis was. Er verzamelden zich zo veel mensen dat er zelfs buiten voor de deur geen plaats meer was, en hij ging hun het woord bekendmaken. Toen werd er een verlamde man bij hem gebracht, die door vier mannen werd gedragen. Omdat ze hem vanwege de menigte niet vlak bij Jezus konden brengen, verwijderden ze een stuk van het dak boven Jezus’ hoofd. Nadat ze een opening hadden gegraven, lieten ze het draagbed waarop de verlamde man lag naar beneden zakken. Toen Jezus hun geloof zag, zei hij tegen de verlamde: ‘Mijn zoon, je zonden zijn je vergeven.’ Sommige schriftgeleerden die daar zaten, dachten bij zichzelf: ‘Hoe kan die man zoiets zeggen? Hij lastert. Niemand kan toch zonden vergeven behalve God?’ Maar Jezus had meteen in de gaten waar ze het met elkaar over hadden en zei tegen ze: ‘Waarom denken jullie zo? Wat is makkelijker? Tegen de verlamde man te zeggen: “Je zonden zijn je vergeven” of: “Sta op, pak je draagbed op en loop”? Maar om jullie te laten zien dat de Mensenzoon de macht heeft om op aarde zonden te vergeven . . .’ En hij zei tegen de verlamde man: ‘Ik zeg je: sta op, pak je draagbed op en ga naar huis.’ De man stond op, pakte meteen zijn draagbed en liep voor de ogen van iedereen naar buiten. Ze stonden allemaal versteld, en ze eerden God en zeiden: ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien.’

Hij ging weer naar buiten en liep langs het meer. Er bleven grote groepen mensen naar hem toe komen, en hij ging hen onderwijzen. Toen hij verderging zag hij Levi, de zoon van Alfeüs, bij het belastingkantoor zitten. Hij zei tegen hem: ‘Wees mijn volgeling.’ Hij stond op en volgde hem. Later waren Jezus en zijn discipelen in Levi’s huis aan het eten, en veel belastinginners en zondaars aten met hen mee, want velen van hen volgden hem. De schriftgeleerden van de farizeeën zagen hem met de zondaars en de belastinginners eten en zeiden tegen zijn discipelen: ‘Eet hij met belastinginners en zondaars?’ Toen Jezus dat hoorde, zei hij tegen ze: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar de zieken wel. Ik ben niet gekomen om rechtvaardige mensen te roepen, maar zondaars.’

Johannes’ discipelen en de farizeeën hadden de gewoonte om te vasten. Ze gingen naar Jezus toe en vroegen: ‘Waarom hebben Johannes’ discipelen en de discipelen van de farizeeën de gewoonte om te vasten, maar uw discipelen niet?’ Jezus antwoordde: ‘De vrienden van de bruidegom hebben toch geen reden om te vasten terwijl de bruidegom bij ze is? Zolang ze de bruidegom bij zich hebben, kunnen ze niet vasten. Maar er komt een tijd dat de bruidegom bij ze wordt weggehaald. Op die dag zullen ze vasten. Niemand verstelt een oud bovenkleed met een lap stof die nog niet gekrompen is. Als je dat wel doet, scheurt de nieuwe lap eraf en wordt de scheur nog groter. Ook doet niemand nieuwe wijn in oude wijnzakken. Als je dat wel doet, zullen de wijnzakken door de wijn barsten, waardoor de wijn en de zakken verloren gaan. Nieuwe wijn doe je in nieuwe wijnzakken.’

Op een sabbat liep Jezus door de graanvelden, en zijn discipelen begonnen onderweg aren te plukken. De farizeeën zeiden tegen hem: ‘Kijk eens! Waarom doen ze iets wat op de sabbat verboden is?’ Hij zei tegen ze: ‘Hebben jullie nooit gelezen wat David deed toen hij niets te eten had en hij en zijn mannen honger hadden? Volgens het verslag over de overpriester Abjathar ging hij het huis van God binnen en at van de toonbroden, terwijl het niemand is toegestaan daarvan te eten behalve de priesters. En hij liet ook zijn mannen ervan eten.’ Toen zei hij tegen ze: ‘De sabbat is gemaakt voor de mens, en niet de mens voor de sabbat. De Mensenzoon is dus ook Heer van de sabbat.’

Opnieuw ging hij een synagoge in, en daar was een man met een verschrompelde hand. Ze hielden hem scherp in de gaten om te zien of hij de man op de sabbat zou genezen, zodat ze hem ergens van konden beschuldigen. Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Sta op en ga in het midden staan.’ Toen vroeg hij ze: ‘Is het toegestaan op de sabbat goed te doen of kwaad te doen, een leven te redden of te doden?’ Maar niemand zei iets. Hij keek ze stuk voor stuk verontwaardigd aan, diepbedroefd vanwege hun ongevoelige hart, en hij zei tegen de man: ‘Steek je hand uit.’ Dat deed hij en zijn hand werd weer gezond. Daarop gingen de farizeeën naar buiten, en ze gingen meteen met de aanhangers van Herodes overleggen hoe ze hem uit de weg konden ruimen.

Jezus vertrok met zijn discipelen naar het meer, en een grote groep mensen uit Galilea en Judea volgde hem. Ook uit Jeruzalem en Idumea en van de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon kwamen veel mensen naar hem toe toen ze hoorden wat hij allemaal deed. Hij zei tegen zijn discipelen dat ze een bootje voor hem klaar moesten houden, zodat hij niet door de menigte in het gedrang zou komen. Omdat hij veel mensen had genezen, verdrongen alle mensen met een ernstige ziekte zich rondom hem, want ze wilden hem aanraken. En telkens als de onreine geesten hem zagen, vielen ze voor hem neer en riepen: ‘Jij bent de Zoon van God.’ Maar meerdere keren zei hij nadrukkelijk tegen ze dat ze niet bekend mochten maken wie hij was.

Hij ging een berg op en riep degenen bij zich die hij op het oog had, en ze kwamen naar hem toe. Hij vormde een groep van 12 en noemde ze apostelen. Zij zouden met hem meegaan en hij zou ze eropuit sturen om te prediken en ze de macht geven om demonen uit te drijven.

De groep van 12 die hij vormde, bestond uit Simon, die hij ook Petrus noemde, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, de broer van Jakobus (deze twee noemde hij ook Boanerges, wat ‘zonen van de donder’ betekent), Andreas, Filippus, Bartholomeüs, Mattheüs, Thomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Thaddeüs, Simon de Kananeeër en Judas Iskariot, die hem later heeft verraden.

Hij ging een huis binnen, en opnieuw verzamelde menigte zich, zodat ze niet eens de kans kregen om te eten. Maar toen zijn familieleden dat hoorden, gingen ze op weg om hem te halen, want ze zeiden: ‘Hij heeft zijn verstand verloren.’ Ook zeiden de schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen: ‘Hij is bezeten door Beë̱lzebub, en hij drijft demonen uit door de heerser van demonen.’ Daarom riep hij hen bij zich en sprak tot hen in illustraties: ‘Hoe kan de Tegenstrever de Tegenstrever uitdrijven? Als in een koninkrijk verdeeldheid is, houdt dat koninkrijk niet stand. En als in een huis verdeeldheid is, houdt dat huis niet stand. Zo kan ook de Tegenstrever, als hij tegen zichzelf is opgestaan en verdeeld is geraakt, niet standhouden, maar komt hij aan zijn eind. Bovendien kan niemand die het huis van een sterke man binnendringt, zijn bezittingen stelen als hij hem niet eerst vastbindt. Pas dan kan hij zijn huis leeghalen. Ik verzeker jullie: alles zal de mensen vergeven worden, welke zonden ze ook begaan en welke lasteringen ze ook uiten. Maar wie lastert tegen de heilige geest, krijgt in alle eeuwigheid geen vergeving, maar is schuldig aan eeuwige zonde.’ Hij zei dat omdat ze hadden gezegd: ‘Hij is bezeten door een onreine geest.’

Toen kwamen zijn moeder en zijn broers. Ze bleven buiten staan en stuurden iemand naar binnen om hem te roepen. Omdat er een menigte om hem heen zat, zeiden ze tegen hem: ‘Kijk! Uw moeder en uw broers staan buiten en vragen naar u.’ Maar hij antwoordde: ‘Wie zijn mijn moeder en mijn broers?’ Toen keek hij naar de mensen die in een kring om hem heen zaten en zei: ‘Kijk, mijn moeder en mijn broers! Iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en mijn zus en mijn moeder.’

Opnieuw ging hij onderwijzen bij het meer en er verzamelde zich een enorme menigte bij hem. Daarom stapte hij in een boot op het meer en ging daarin zitten, terwijl de hele menigte op de oever stond. Hij ging hun veel dingen leren door middel van illustraties en zei: ‘Luister! Een zaaier ging op weg om te zaaien. Tijdens het zaaien vielen sommige zaadjes langs de weg, en er kwamen vogels die ze opaten. Andere zaadjes vielen op rotsgrond waar niet veel aarde was, en ze schoten meteen op omdat de grond niet diep was. Maar toen de zon opkwam, werden ze door de hitte verschroeid, en ze verdorden omdat ze geen wortels hadden. Er waren ook zaadjes die tussen de distels vielen. De distels kwamen op en verstikten de zaadjes, waardoor ze geen vrucht opleverden. Weer andere zaadjes vielen in goede aarde, kwamen op en groeiden. Ze gingen vrucht opleveren: 30, 60 en 100 keer zo veel.’ Hij voegde eraan toe: ‘Laat iedereen die oren heeft, goed luisteren.’

Toen hij alleen was, gingen zijn discipelen en de twaalf hem vragen stellen over de illustraties. Hij zei tegen ze: ‘Aan jullie is het heilige geheim van Gods Koninkrijk toevertrouwd, maar voor buitenstaanders blijft alles in illustraties. Daardoor zullen ze wel kijken maar toch niets zien, en wel horen maar toch de betekenis niet begrijpen. En ze zullen nooit terugkeren en vergeving krijgen.’ Hij zei verder: ‘Als jullie deze illustratie niet begrijpen, hoe zullen jullie alle andere illustraties dan begrijpen?

De zaaier zaait het woord. Dit is het zaad langs de weg waar het woord wordt gezaaid: zodra ze het horen, komt de Tegenstrever en neemt het woord weg dat in hen werd gezaaid. En dit is het zaad dat op de rotsgrond valt: zodra ze het woord horen, nemen ze het met vreugde aan. Toch schiet het geen wortel in hen. Ze houden het een tijdje vol, maar zodra er vanwege het woord vervolging of moeilijkheden ontstaan, struikelen ze. Er is ook zaad dat tussen de distels terechtkomt. Dat zijn degenen die het woord horen, maar de zorgen van deze wereld, de verleiding van rijkdom en het verlangen naar al het andere dringen hun hart binnen en verstikken het woord, en het kan geen vrucht dragen. Maar het zaad dat in goede aarde valt, zijn degenen die naar het woord luisteren, het aanvaarden en vrucht dragen: 30, 60 en 100 keer zo veel.’

Hij zei ook tegen ze: ‘Je haalt een lamp toch niet tevoorschijn om die onder een korenmaat of onder een bed te zetten? Nee, je zet hem juist op een standaard. Want alles wat bedekt is, zal onthuld worden, en alles wat zorgvuldig verborgen is, zal aan het licht komen. Laat iedereen die oren heeft, goed luisteren.’

Verder zei hij tegen ze: ‘Let goed op wat je hoort. Met de maat waarmee jij meet, zul je gemeten worden, en je zult zelfs nog meer krijgen. Want wie heeft, zal meer krijgen. Maar van wie niets heeft, zal zelfs wat hij heeft worden afgenomen.’

Ook zei hij: ‘Het is met het Koninkrijk van God als met iemand die zaad op het land strooit. Hij slaapt ’s nachts en staat overdag op, en het zaad ontkiemt en schiet op, maar hij weet niet hoe. De grond brengt vanzelf geleidelijk vrucht voort: eerst de halm, dan de aar en uiteindelijk de graankorrels in de aar. Maar zodra het graan rijp is, slaat hij de sikkel erin, omdat het tijd is voor de oogst.’

Verder zei hij: ‘Waarmee kunnen we Gods Koninkrijk vergelijken of met welke illustratie kunnen we het verklaren? Het is als een mosterdzaadje. Als het in de grond wordt gezaaid, is het het kleinste van alle zaden op aarde. Maar nadat het gezaaid is, groeit het en wordt het groter dan alle andere tuingewassen. Er komen grote takken aan, zodat de vogels van de hemel in zijn schaduw kunnen nestelen.’

Met veel van zulke illustraties maakte hij hun het woord bekend, voor zover ze het konden begrijpen. Hij vertelde hun niets zonder illustraties, maar wanneer hij met zijn discipelen alleen was, legde hij alles uit.

Die dag, toen het avond was geworden, zei hij tegen ze: ‘Laten we het meer oversteken.’ Nadat ze de menigte hadden laten weggaan, namen ze hem mee in de boot. Er waren ook andere boten bij. Toen stak er een hevige storm op en de golven sloegen over de boot, zodat die bijna zonk. Maar hij lag achter in de boot op het kussen te slapen. Ze maakten hem wakker en zeiden tegen hem: ‘Meester, kan het je niet schelen dat we vergaan?’ Hij stond op, sprak de wind bestraffend toe en zei tegen het meer: ‘Zwijg! Wees stil!’ De wind ging liggen en het werd helemaal stil. Toen zei hij tegen ze: ‘Waarom zijn jullie zo bang? Hebben jullie nog steeds geen geloof?’ Maar ze waren heel angstig en zeiden tegen elkaar: ‘Wie is dat toch? Zelfs de wind en het meer doen wat hij zegt!’

Ze kwamen aan de overkant van het meer, in het gebied van de Gerasenen. Onmiddellijk nadat Jezus uit de boot was gestapt, kwam hem vanuit de begraafplaats een man tegemoet die in de macht was van een onreine geest. Hij woonde tussen de graven, en tot op dat moment had niemand hem kunnen vastbinden, zelfs niet met kettingen. Hij was al vaak met voetboeien en kettingen vastgebonden, maar hij had de kettingen uit elkaar getrokken en de voetboeien kapotgemaakt. Niemand was sterk genoeg om hem in bedwang te houden. Hij was altijd, dag en nacht, tussen de graven en in de bergen aan het schreeuwen, terwijl hij zichzelf met stenen diepe wonden toebracht. Maar toen hij Jezus in de verte zag, rende hij naar hem toe en boog zich voor hem neer. Hij schreeuwde: ‘Wat heb ik met jou te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Zweer bij God dat je me geen pijn zult doen.’ Want Jezus had tegen hem gezegd: ‘Ga uit de man weg, onreine geest.’ Jezus vroeg hem: ‘Hoe heet je?’ Hij antwoordde: ‘Mijn naam is Legioen, want we zijn met velen.’ En hij bleef Jezus smeken de geesten niet uit die streek weg te sturen.

Nu werd daar op de berghelling een grote kudde varkens gehoed. De geesten vroegen hem dringend: ‘Stuur ons naar de varkens, zodat we daarin kunnen gaan.’ Hij stond hun dat toe. De onreine geesten verlieten de man en gingen in de varkens, waarop de kudde van de steile helling af stormde, het meer in, en verdronk. Het waren er zo’n 2000. De varkenshoeders vluchtten en vertelden het in de stad en op het platteland. En de mensen kwamen kijken wat er was gebeurd. Ze kwamen bij Jezus en zagen de man die door het legioen demonen bezeten was geweest. Hij had kleren aan en was goed bij zijn verstand. De mensen werden bang. Degenen die het hadden gezien, vertelden hun bovendien wat er met de bezeten man en met de varkens was gebeurd. Daarop vroegen ze Jezus dringend om uit hun gebied weg te gaan.

Toen hij in de boot stapte, smeekte de man die bezeten was geweest of hij met hem mee mocht. Maar Jezus stond hem dat niet toe en zei tegen hem: ‘Ga naar huis, naar je familie, en vertel ze wat Jehovah allemaal voor je heeft gedaan en hoe barmhartig hij voor je is geweest.’ De man ging weg en begon in de Dekapolis bekend te maken wat Jezus allemaal voor hem had gedaan, en alle mensen stonden versteld.

Jezus ging weer met de boot naar de overkant. Terwijl hij nog bij het meer was, verzamelde zich een grote menigte bij hem. Een van de bestuurders van de synagoge, die Jaïrus heette, kwam naar hem toe. Zodra hij Jezus zag, viel hij aan zijn voeten. Hij smeekte hem steeds opnieuw: ‘Mijn dochtertje is doodziek. Kom alstublieft en leg uw handen op haar, zodat ze beter wordt en in leven blijft.’ Jezus ging met hem mee. Een grote groep mensen volgde hem en verdrong zich rondom hem.

Nu was er een vrouw die al 12 jaar aan bloedvloeiingen leed. De behandelingen van allerlei dokters hadden haar veel lijden bezorgd en ze had er al haar geld aan uitgegeven. Maar het had niets geholpen; het was juist erger geworden. Omdat ze de verhalen over Jezus had gehoord, kwam ze tussen de mensen door van achteren naar hem toe en raakte zijn bovenkleed aan, want ze zei steeds: ‘Als ik alleen maar zijn bovenkleed aanraak, zal ik beter worden.’ Meteen hield de bloedvloeiing op, en ze merkte aan haar lichaam dat ze van de ernstige ziekte genezen was.

Jezus merkte direct dat er kracht uit hem was weggegaan. Hij draaide zich midden in de menigte om en vroeg: ‘Wie heeft mijn bovenkleed aangeraakt?’ De discipelen zeiden tegen hem: ‘Je ziet dat de mensen van alle kanten tegen je aandringen, en dan vraag je: “Wie heeft me aangeraakt?”’ Maar hij keek rond om te zien wie het gedaan had. De vrouw, die besefte wat er met haar was gebeurd, was angstig en beefde. Ze kwam naar hem toe, knielde voor hem neer en vertelde hem de hele waarheid. Hij zei tegen haar: ‘Je geloof heeft je beter gemaakt, mijn dochter. Ga in vrede. Je bent genezen van je ernstige ziekte.’

Terwijl hij nog aan het praten was, kwamen er een paar mannen uit het huis van de synagogebestuurder zeggen: ‘Uw dochter is gestorven. Waarom zou u de Meester nog lastigvallen?’ Maar Jezus hoorde dat en zei tegen de synagogebestuurder: ‘Wees niet bang, maar heb geloof.’ Jezus liet niemand met zich meegaan behalve Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus.

Ze kwamen bij het huis van de synagogebestuurder, en Jezus zag mensen in grote opschudding, die luid huilden en jammerden. Toen hij naar binnen was gegaan, zei hij tegen ze: ‘Waarom huilen en jammeren jullie zo? Het kind is niet gestorven, het slaapt.’ Maar ze lachten hem uit. Nadat hij iedereen had weggestuurd, ging hij met de vader en moeder van het kind en degenen die bij hem waren de kamer in waar het kind was. Hij pakte de hand van het kind en zei tegen haar: ‘Talitha koemi.’ Dat betekent: ‘Meisje, ik zeg je: sta op!’ Het meisje stond direct op en begon te lopen. (Ze was 12 jaar.) Meteen waren ze buiten zichzelf van blijdschap. Maar hij zei meerdere keren dat ze het aan niemand mochten vertellen. Ook zei hij dat ze haar iets te eten moesten geven.

Hij vertrok en ging naar de streek waar hij vandaan kwam, en zijn discipelen volgden hem. Op de sabbat ging hij in de synagoge onderwijzen. De meesten die hem hoorden, waren verbaasd en zeiden: ‘Waar haalt hij die dingen vandaan? Hoe komt hij aan die wijsheid en hoe kan hij zulke wonderen doen? Is hij niet de timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus, Jozef, Judas en Simon? En zijn zussen wonen toch hier?’ Ze namen aanstoot aan hem. Maar Jezus zei tegen ze: ‘Een profeet wordt overal geëerd behalve in zijn eigen streek, door zijn eigen familie en in zijn eigen huis.’ Daarom kon hij daar geen enkel wonder doen, behalve dat hij zijn handen op een aantal zieken legde en hen genas. Hij stond verbaasd over hun ongeloof. En hij trok rond langs de dorpen om onderwijs te geven.

Hij riep de twaalf bij zich en begon hen twee aan twee eropuit te sturen, en hij gaf hun macht over de onreine geesten. Ook droeg hij hun op om niets voor de reis mee te nemen behalve een staf — geen brood, geen voedselzak en geen geld in hun geldbuidel. Ze moesten wel sandalen aandoen, maar geen extra kleren dragen. Verder zei hij: ‘Als je ergens een huis binnengaat, blijf daar dan tot je die plaats verlaat. En als er een plaats is waar de mensen je niet willen ontvangen of niet naar je luisteren, ga daar dan weg en schud het stof van je voeten, als een getuigenis voor hen.’ Toen gingen ze op weg en predikten dat de mensen berouw moesten hebben. Ze dreven veel demonen uit, en ze wreven veel zieken met olie in en genazen hen.

Koning Herodes hoorde hiervan, want Jezus’ naam was heel bekend geworden, en mensen zeiden: ‘Johannes de doper is uit de dood opgewekt, en daarom heeft hij de kracht om al die wonderen te doen.’ Anderen zeiden: ‘Het is Elia.’ Weer anderen zeiden: ‘Het is een profeet als een van de profeten uit de oudheid.’ Maar toen Herodes het hoorde, zei hij: ‘Het is Johannes, die ik heb laten onthoofden. Hij is uit de dood opgewekt.’ Herodes had Johannes namelijk laten arresteren, in de boeien laten slaan en gevangengezet vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus. Want Herodes was met haar getrouwd en Johannes had meerdere keren tegen hem gezegd: ‘Het is je niet toegestaan de vrouw van je broer te hebben.’ Daarom had Herodias een grote hekel aan Johannes en wilde ze hem doden, maar ze kreeg de kans niet. Herodes was namelijk bang voor Johannes, omdat hij wist dat het een rechtvaardig en heilig man was, en hij nam hem in bescherming. Als hij naar hem luisterde, werd hij erg onzeker over wat hij moest doen, maar toch luisterde hij steeds weer graag naar hem.

Maar er deed zich een gunstige gelegenheid voor toen Herodes op zijn verjaardag een feestmaal gaf voor zijn hoge ambtenaren, de legerofficieren en de vooraanstaande mannen van Galilea. De dochter van Herodias kwam binnen en danste, tot groot genoegen van Herodes en zijn gasten. De koning zei tegen het meisje: ‘Vraag me wat je maar wilt, en ik zal het je geven.’ Hij zwoer haar zelfs: ‘Ik zal je alles geven wat je vraagt, al is het de helft van mijn koninkrijk.’ Ze ging weg en zei tegen haar moeder: ‘Wat moet ik vragen?’ Die antwoordde: ‘Het hoofd van Johannes de doper.’ Onmiddellijk haastte ze zich naar de koning met het verzoek: ‘Ik wil dat u me nu meteen op een schaal het hoofd van Johannes de doper geeft.’ De koning was hier diepbedroefd over, maar hij wilde haar verzoek niet weigeren vanwege zijn eden en zijn gasten. Daarom stuurde koning meteen een lijfwacht met het bevel het hoofd van Johannes bij hem te brengen. De man ging weg, onthoofdde Johannes in de gevangenis en bracht zijn hoofd binnen op een schaal. Hij gaf het aan het meisje, en het meisje gaf het aan haar moeder. Toen Johannes’ discipelen het hoorden, kwamen ze zijn lichaam halen en legden het in een graf.

De apostelen verzamelden zich rond Jezus en vertelden hem wat ze allemaal gedaan en onderwezen hadden. Hij zei tegen ze: ‘Ga mee naar een afgelegen plaats om alleen te zijn en wat uit te rusten.’ Want er kwamen en gingen zo veel mensen dat ze niet eens de kans hadden om te eten. Ze vertrokken daarom met de boot naar een afgelegen plaats om alleen te kunnen zijn. Maar de mensen zagen hen vertrekken en velen hoorden ervan, en uit alle steden liepen ze er snel naartoe en kwamen nog eerder aan dan zij. Toen Jezus uitstapte, zag hij dus een grote menigte. Hij kreeg medelijden met ze, omdat ze als schapen zonder herder waren. En hij ging hun veel dingen leren.

Het was inmiddels laat geworden. Zijn discipelen kwamen naar hem toe en zeiden: ‘Dit is een afgelegen plek en het is al laat. Stuur de mensen weg, dan kunnen ze in de omliggende dorpen en op het land eten kopen.’ Hij antwoordde: ‘Geven jullie ze maar iets te eten.’ Ze zeiden tegen hem: ‘Moeten we voor 200 denarii brood gaan kopen om de mensen te eten te geven?’ Hij zei: ‘Hoeveel broden hebben jullie? Ga eens kijken.’ Toen ze dat hadden gedaan, zeiden ze: ‘Vijf, en ook twee vissen.’ Hij gaf alle mensen opdracht om in groepen op het groene gras te gaan zitten. Ze gingen zitten in groepen van 100 en van 50. Toen nam hij de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel en sprak een zegen uit. Hij brak de broden en gaf ze aan de discipelen zodat die ze aan de mensen konden uitdelen, en ook de twee vissen verdeelde hij onder allen. Ze aten allemaal tot ze genoeg hadden. Daarna haalden ze de overgebleven stukken op, 12 manden vol, en ook nog vis. Er hadden 5000 mannen van de broden gegeten.

Meteen daarna zei Jezus tegen zijn discipelen dat ze in de boot moesten stappen en voor hem uit naar de overkant moesten gaan, richting Bethsaïda. Intussen zou hij de menigte wegsturen. Maar nadat hij afscheid van ze had genomen, ging hij naar een berg om te bidden. Toen het avond was geworden, was de boot midden op het meer, maar hij was nog alleen aan land. Hij zag dat ze veel moeite hadden om tegen de wind in te roeien. Rond de vierde nachtwake kwam hij daarom lopend over het meer naar ze toe, maar hij wilde hen voorbijlopen. Toen ze hem over het meer zagen lopen, dachten ze dat ze een verschijning zagen. Ze schreeuwden het uit, want ze zagen hem allemaal en ze waren geschrokken. Maar hij zei meteen: ‘Rustig maar! Ik ben het, wees niet bang.’ Hij klom bij ze in de boot en de wind ging liggen. Ze waren stomverbaasd, omdat ze de betekenis van de broden niet hadden begrepen en ze nog steeds geen inzicht hadden.

Ze staken over en kwamen bij Gennesareth, en daar vlakbij legden ze aan. Maar zodra ze uit de boot stapten, werd hij door de mensen herkend. De mensen gingen snel die hele streek rond en begonnen alle zieken op draagbedden naar de plaats te brengen waar ze hoorden dat hij was. Overal waar hij kwam — in dorpen, steden en op het platteland — brachten ze de zieken naar het marktplein. En ze smeekten hem of ze alleen maar de franje van zijn bovenkleed mochten aanraken. Iedereen die dat deed, werd genezen.

De farizeeën en enkele schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, verzamelden zich om hem heen. Ze zagen dat sommige discipelen van Jezus aten met onreine handen, dat wil zeggen met ongewassen handen. (Want de farizeeën en alle andere Judeeërs wassen voor het eten altijd eerst hun handen tot aan hun ellebogen, omdat ze vasthouden aan de traditie van hun voorvaders. En als ze van de markt terugkomen, eten ze niet voordat ze zich gewassen hebben. Er zijn nog heel wat andere tradities die ze hebben overgenomen en waar ze zich aan houden, zoals het onderdompelen van bekers, kannen en koperen pannen.) Daarom vroegen de farizeeën en schriftgeleerden hem: ‘Waarom houden uw discipelen zich niet aan de traditie van onze voorouders, maar eten ze met onreine handen?’ Hij antwoordde: ‘Huichelaars! Jesaja heeft terecht over jullie geprofeteerd, zoals geschreven staat: “Dit volk eert mij met hun lippen, maar hun hart is ver van mij. Het heeft geen zin dat ze mij aanbidden, want ze maken de voorschriften van mensen tot leerstellingen.” Jullie laten het gebod van God los maar houden vast aan de tradities van mensen.’

Ook zei hij tegen ze: ‘Jullie zijn er goed in het gebod van God aan de kant te schuiven om vast te kunnen houden aan jullie tradities. Mozes heeft bijvoorbeeld gezegd: “Eer je vader en je moeder” en: “Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood worden gebracht.” Maar jullie zeggen: “Iemand kan tegen zijn vader of moeder zeggen: ‘Alles waarmee ik u zou kunnen ondersteunen, is korban’ (een gave die aan God is opgedragen).” En zo laten jullie hem niets meer voor zijn vader of moeder doen. Op die manier ontkrachten jullie het woord van God door de tradities die jullie doorgeven. En jullie doen veel van dat soort dingen.’ Hij riep de menigte weer bij zich en zei tegen ze: ‘Luister allemaal naar me en begrijp de betekenis van wat ik zeg. Niets wat van buitenaf in iemand komt, kan hem onrein maken, maar wat uit iemand komt, dat maakt hem onrein.’ ——

Toen hij een huis was binnengegaan, weg van de menigte, gingen zijn discipelen hem vragen stellen over de illustratie. Hij zei tegen ze: ‘Begrijpen jullie het ook niet? Beseffen jullie niet dat iemand niet onrein kan worden door alles wat van buitenaf in hem komt? Want het komt niet in zijn hart terecht, maar in zijn ingewanden en belandt vandaaruit in het riool.’ Zo verklaarde hij al het voedsel rein. Hij zei verder: ‘Wat uit iemand komt, dat maakt hem onrein. Want van binnenuit, uit het hart van mensen, komen slechte gedachten: seksuele immoraliteit, diefstal, moord, overspel, hebzucht, slechtheid, bedrog, schaamteloos gedrag, jaloezie, lastering, trots en onredelijkheid. Al die slechte dingen komen van binnenuit en maken iemand onrein.’

Hij vertrok en ging naar het gebied van Tyrus en Sidon, waar hij een huis binnenging. Hij wilde niet dat iemand het te weten kwam, maar hij bleef niet onopgemerkt. Een vrouw die een dochtertje had dat bezeten was door een onreine geest, hoorde vrijwel meteen van hem, kwam naar hem toe en viel aan zijn voeten. De vrouw was een Griekse, van Syro-Fenicische nationaliteit, en ze vroeg hem telkens weer of hij demon uit haar dochter wilde drijven. Maar hij zei tegen haar: ‘Eerst moeten de kinderen genoeg te eten krijgen, want het is niet goed om het brood dat voor de kinderen is voor de hondjes te gooien.’ Ze antwoordde: ‘Dat is waar, mijnheer, maar de hondjes onder de tafel eten wel de kruimels die de kindertjes laten vallen.’ Daarop zei hij tegen haar: ‘Omdat je dit hebt gezegd: ga maar naar huis, demon is uit je dochter weggegaan.’ Toen ze thuiskwam, lag het kind op bed en demon was verdwenen.

Toen Jezus uit het gebied van Tyrus vertrok, ging hij via Sidon door het gebied van de Dekapolis naar het Meer van Galilea. Daar werd een man bij hem gebracht die doof was en een spraakgebrek had. Ze smeekten Jezus of hij zijn hand op hem wilde leggen. Jezus nam hem apart, weg van de menigte. Vervolgens stak hij zijn vingers in de oren van de man, spuugde en raakte de tong van de man aan. Hij keek omhoog naar de hemel, zuchtte diep en zei tegen hem: ‘Effatha.’ Dat betekent: ‘Ga open.’ Daarop werden de oren van de man geopend, zijn spraakgebrek verdween en hij ging normaal spreken. Jezus zei dat ze het aan niemand mochten vertellen, maar hoe meer hij daarop aandrong, hoe meer ze het rondvertelden. De mensen waren diep onder de indruk en zeiden: ‘Alles wat hij doet is geweldig. Hij laat zelfs de doven horen en geneest mensen die niet kunnen spreken.’

In die tijd was er weer een grote menigte bijeen en ze hadden niets te eten. Daarom riep hij de discipelen bij zich en zei tegen ze: ‘Ik heb medelijden met de menigte, want ze zijn nu al drie dagen bij me en ze hebben niets te eten. Als ik ze met een lege maag naar huis laat gaan, houden ze het onderweg niet vol, en sommigen komen van ver.’ Maar zijn discipelen antwoordden: ‘Waar halen we op deze afgelegen plek genoeg brood vandaan om al die mensen te eten te geven?’ Hij vroeg toen: ‘Hoeveel broden hebben jullie?’ Ze zeiden: ‘Zeven.’ Hij gaf de menigte opdracht om op de grond te gaan zitten. Daarna nam hij de zeven broden, sprak een dankgebed uit, brak ze en gaf ze aan zijn discipelen zodat die ze aan de menigte konden uitdelen. Ze hadden ook nog wat visjes. Hij sprak er een zegen over uit en zei dat ze die ook moesten uitdelen. Ze aten tot ze genoeg hadden. Daarna werden de overgebleven stukken opgehaald: zeven grote manden vol. Er waren zo’n 4000 mannen. Toen stuurde hij ze weg.

Hij stapte meteen met zijn discipelen in de boot en ging naar het gebied van Dalmanoetha. Hier kwamen de farizeeën naar hem toe en ze gingen met hem in discussie. Om hem op de proef te stellen, eisten ze van hem een teken uit de hemel. Hij zuchtte diep en zei: ‘Waarom vraagt deze generatie om een teken? Ik verzeker jullie: deze generatie zal geen teken krijgen.’ Toen verliet hij hen, stapte weer in de boot en ging naar de overkant.

Maar de discipelen waren vergeten brood mee te nemen, en ze hadden maar één brood bij zich in de boot. Hij gaf ze de duidelijke waarschuwing: ‘Pas op voor de zuurdesem van de farizeeën en de zuurdesem van Herodes.’ Toen kregen ze het er met elkaar over dat ze geen brood bij zich hadden. Hij merkte dat en zei: ‘Waarom hebben jullie het erover dat jullie geen brood hebben? Begrijpen jullie nog steeds de betekenis niet, en hebben jullie nog steeds geen inzicht? “Jullie hebben toch ogen, zien jullie dan niets? En jullie hebben toch oren, horen jullie dan niets?” Weten jullie niet meer hoeveel manden vol overgebleven stukken jullie hebben opgehaald toen ik de vijf broden voor de 5000 mannen brak?’ Ze antwoordden: ‘Twaalf.’ ‘En hoeveel grote manden vol overgebleven stukken hebben jullie opgehaald toen ik de zeven broden voor de 4000 mannen brak?’ Ze zeiden: ‘Zeven.’ Toen zei hij tegen ze: ‘Begrijpen jullie het nog niet?’

Ze legden aan in Bethsaïda. Daar brachten de mensen een blinde bij hem en smeekten of hij hem wilde aanraken. Hij nam de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Hij spuugde op zijn ogen, legde zijn handen op hem en vroeg hem toen: ‘Zie je iets?’ De man keek op en zei: ‘Ik zie mensen, maar ze lijken op bomen die rondlopen.’ Toen legde hij zijn handen opnieuw op de ogen van de man. Het gezichtsvermogen van de man werd hersteld en hij kon alles scherp zien. Jezus stuurde hem naar huis en zei: ‘Ga niet het dorp in.’

Jezus en zijn discipelen vertrokken vervolgens naar de dorpen van Cesarea Filippi. Onderweg vroeg hij zijn discipelen: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ Ze zeiden tegen hem: ‘Johannes de doper. Anderen zeggen Elias en weer anderen zeggen een van de profeten.’ Hij vroeg hun: ‘Maar wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordde: ‘Jij bent de Gezalfde.’ Toen zei hij nadrukkelijk dat ze niemand mochten vertellen wie hij was. Ook begon hij hun te onderwijzen dat de Mensenzoon veel lijden moest ondergaan, dat hij door de oudsten, de overpriesters en de schriftgeleerden verworpen moest worden, en dat hij gedood zou worden en drie dagen later zou opstaan. Hij praatte hier openlijk over. Maar Petrus nam hem apart en begon hem de les te lezen. Jezus draaide zich om, keek naar zijn discipelen en wees Petrus terecht met de woorden: ‘Ga achter mij, Tegenstrever, want jouw gedachten zijn niet Gods gedachten maar die van mensen.’

Toen riep hij de menigte en ook zijn discipelen bij zich en zei tegen ze: ‘Als iemand mijn volgeling wil worden, moet hij zichzelf wegcijferen, zijn martelpaal opnemen en mij altijd volgen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest ter wille van mij en het goede nieuws, zal het redden. Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint en zijn leven verliest? En wat zou een mens geven in ruil voor zijn leven? Want wie zich in deze ontrouwe en zondige generatie voor mij en mijn woorden schaamt, voor hem zal de Mensenzoon zich ook schamend wanneer hij met de macht van zijn Vader komt samen met de heilige (hemelse) boodschappers.’

Verder zei hij tegen ze: ‘Ik verzeker jullie dat sommigen van degenen die hier staan niet zullen sterven voordat ze zien dat Gods Koninkrijk is gekomen met macht.’ Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee een hoge berg op, waar ze alleen waren. Voor hun ogen veranderde hij van gedaante. Zijn kleren begonnen te glanzen en werden zo wit als niemand op aarde ze zou kunnen wassen. Ook verschenen aan hen Elia en Mozes, en ze waren met Jezus in gesprek. Petrus zei tegen Jezus: ‘Rabbi, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie tenten opzetten, één voor jou, één voor Mozes en één voor Elia.’ Hij wist eigenlijk niet goed hoe hij moest reageren, want ze waren heel bang. Er vormde zich een wolk, die hen omhulde, en er kwam een stem uit de wolk: ‘Dit is mijn geliefde Zoon. Luister naar hem.’ Toen ze om zich heen keken, zagen ze opeens dat er niemand meer bij ze was, behalve Jezus.

Terwijl ze de berg af daalden, zei hij nadrukkelijk dat ze aan niemand mochten vertellen wat ze hadden gezien voordat de Mensenzoon uit de dood was opgestaan. Ze namen zijn woorden ter harte, maar onder elkaar bespraken ze wat het betekende dat hij uit de dood zou opstaan. Toen vroegen ze hem: ‘Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?’ Hij antwoordde: ‘Elia zal inderdaad eerst komen en alles herstellen. Maar hoe kan er dan over de Mensenzoon geschreven staan dat hij veel lijden moet ondergaan en vernederd moet worden? Ik zeg jullie dat Elia al gekomen is, en ze hebben met hem gedaan wat ze wilden, zoals over hem geschreven staat.’

Toen ze bij de andere discipelen kwamen, zagen ze dat er een grote menigte om hen heen stond. Er waren schriftgeleerden die met hen aan het discussiëren waren. De mensen waren verbaasd toen ze Jezus zagen, en ze kwamen snel naar hem toe om hem te begroeten. Hij vroeg hun: ‘Waarover discussiëren jullie?’ Iemand uit de menigte antwoordde: ‘Meester, ik heb mijn zoon naar u toe gebracht omdat hij bezeten is door een geest en niet kan praten. Als de geest bezit van hem neemt, gooit hij hem tegen de grond. Het kind krijgt het schuim op de mond, knarst met zijn tanden en verliest zijn kracht. Ik heb uw discipelen gevraagd de geest uit te drijven, maar dat konden ze niet.’ Jezus zei: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovige generatie! Hoelang moet ik nog bij jullie blijven? Hoelang moet ik jullie nog verdragen? Breng hem bij me.’ Ze brachten de jongen bij hem. Maar zodra de geest Jezus zag, liet hij het kind stuiptrekken. Het viel op de grond en rolde met het schuim op de mond heen en weer. Jezus vroeg aan de vader: ‘Hoelang heeft hij dit al?’ Hij antwoordde: ‘Van kleins af aan. De geest gooit hem vaak in het vuur en in het water om hem om te brengen. Maar als u iets kunt doen, heb dan medelijden met ons en help ons.’ Jezus zei tegen hem: ‘“Als u iets kunt doen”, zeg je? Alles is mogelijk voor wie geloof heeft.’ Onmiddellijk riep de vader van het kind uit: ‘Ik heb geloof! Kom mij te hulp waar ik in geloof tekortschiet!’

Toen Jezus merkte dat er een menigte toestroomde, bestrafte hij de onreine geest en zei tegen hem: ‘Stomme en dove geest, ik beveel je, ga uit hem weg en kom niet meer in hem terug!’ Met veel geschreeuw en stuiptrekkingen ging hij uit het kind weg. Het leek alsof het kind dood was en de meeste mensen zeiden dan ook: ‘Hij is dood!’ Maar Jezus pakte hem bij de hand om hem overeind te helpen, en hij stond op. Jezus ging een huis binnen, en toen zijn discipelen weer met hem alleen waren, vroegen ze: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’ Hij antwoordde: ‘Dit soort kan alleen door gebed worden uitgedreven.’

Ze vertrokken vandaar en reisden door Galilea. Maar hij wilde niet dat iemand het te weten kwam, omdat hij zijn discipelen aan het onderwijzen was. Hij zei tegen ze: ‘De Mensenzoon zal worden verraden en aan mensen worden overgeleverd. Die zullen hem doden, maar toch zal hij drie dagen later opstaan.’ Ze begrepen niet wat hij bedoelde, maar ze durfden hem niets te vragen.

Ze kwamen in Kapernaüm. Toen hij thuis was, vroeg hij hun: ‘Waar hadden jullie het onderweg toch over?’ Ze zwegen, want ze hadden onderweg een discussie gehad over wie de grootste was. Hij ging zitten, riep de twaalf en zei tegen ze: ‘Als iemand de eerste wil zijn, moet hij de laatste zijn en iedereen dienen.’ Hij nam een kind bij zich, zette het in hun midden, sloeg zijn armen eromheen en zei tegen ze: ‘Wie één zo’n kind in mijn naam ontvangt, ontvangt ook mij, en wie mij ontvangt, ontvangt niet alleen mij, maar ook degene die mij heeft gestuurd.’

Johannes zei tegen hem: ‘Meester, we hebben iemand gezien die jouw naam gebruikt om demonen uit te drijven. We hebben geprobeerd hem tegen te houden, omdat hij ons niet volgt.’ Maar Jezus zei: ‘Probeer hem niet tegen te houden, want iemand die in mijn naam een wonder doet, zal niet snel iets slechts over me kunnen zeggen. Want wie niet tegen ons is, is vóór ons. En ik verzeker jullie: iedereen die jullie een beker water te drinken geeft omdat jullie bij de Gezalfde horen, zal zeker zijn beloning krijgen. Maar wie een van deze kleinen die geloven, laat struikelen, kan beter met een molensteen om zijn nek in zee gegooid worden.

Als je hand je ooit laat struikelen, hak die dan af. Je kunt beter verminkt het leven binnengaan dan met twee handen in Gehenna terechtkomen, in het vuur dat niet uitgedoofd kan worden. —— En als je voet je laat struikelen, hak die dan af. Je kunt beter kreupel het leven binnengaan dan met twee voeten in Gehenna gegooid worden. —— En als je oog je laat struikelen, gooi het dan weg. Je kunt beter met één oog Gods Koninkrijk binnengaan dan met twee ogen in Gehenna gegooid worden, waar de maden niet doodgaan en het vuur niet wordt uitgedoofd.

Want iedereen moet met vuur gezouten worden. Zout is iets goeds. Maar als het zout ooit zijn smaak verliest, hoe krijgt het dan zijn kracht terug? Heb zout in jezelf en bewaar de vrede onder elkaar.’

Hij ging daar weg en kwam in het grensgebied van Judea aan de overkant van de Jordaan. Opnieuw verzamelden zich grote groepen mensen bij hem en zoals gewoonlijk ging hij hen onderwijzen. Er kwamen ook farizeeën naar hem toe om hem op de proef te stellen. Ze vroegen of het een man was toegestaan zich van zijn vrouw te laten scheiden. Hij antwoordde: ‘Wat heeft Mozes jullie geboden?’ Ze zeiden: ‘Mozes heeft toegestaan een echtscheidingsakte te schrijven en haar weg te sturen.’ Maar Jezus zei: ‘Dat gebod heeft hij voor jullie opgeschreven omdat jullie hart zo ongevoelig is. Maar bij het begin van de schepping “maakte Hij hen als man en als vrouw. Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten, en de twee zullen één vlees worden.” Ze zijn dan niet langer twee, maar één vlees. Wat God heeft verbonden, mag geen mens scheiden.’ Toen ze weer in het huis waren, stelden de discipelen hem hier vragen over. Hij zei tegen ze: ‘Wie zich van zijn vrouw laat scheiden en met een ander trouwt, pleegt overspel tegenover haar. En als een vrouw die zich van haar man heeft laten scheiden ooit met een ander trouwt, pleegt ze overspel.’

De mensen kwamen kinderen bij hem brengen zodat hij ze zou aanraken, maar de discipelen wezen hen terecht. Jezus zag dat en werd verontwaardigd. Hij zei: ‘Laat de kinderen bij me komen. Probeer ze niet tegen te houden, want Gods Koninkrijk is voor mensen die zijn zoals zij. Ik verzeker jullie: wie Gods Koninkrijk niet aanvaardt als een kind, zal het zeker niet binnengaan.’ Hij sloeg zijn armen om de kinderen heen en zegende ze terwijl hij zijn handen op ze legde.

Toen hij verderging, kwam er een man naar hem toe rennen die voor hem op zijn knieën viel en vroeg: ‘Goede Meester, wat moet ik doen om eeuwig leven te krijgen?’ Jezus zei tegen hem: ‘Waarom noem je mij goed? Niemand is goed, behalve één, God. Je kent de geboden: “Moord niet, pleeg geen overspel, steel niet, leg geen vals getuigenis af, bedrieg niemand, eer je vader en je moeder.”’ De man zei: ‘Meester, van jongs af aan heb ik me aan al die dingen gehouden.’ Jezus keek hem aan en voelde liefde voor hem. Hij zei: ‘Er is nog één ding dat je moet doen: verkoop wat je hebt en geef het aan de armen. Dan zul je een schat in de hemel hebben. Kom, wees mijn volgeling.’ Toen hij dat hoorde, werd hij verdrietig en ging hij bedroefd weg, want hij had veel bezittingen.

Jezus keek om zich heen en zei tegen zijn discipelen: ‘Wat zal het voor mensen die geld hebben moeilijk zijn om het Koninkrijk van God binnen te gaan!’ Maar de discipelen waren verbaasd over zijn woorden. Daarom zei Jezus: ‘Kinderen, wat is het toch moeilijk om het Koninkrijk van God binnen te gaan! Het is voor een kameel makkelijker om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het Koninkrijk van God binnen te gaan.’ Dat verbaasde hen nog meer en ze zeiden tegen hem: ‘Wie kan er dan eigenlijk worden gered?’ Jezus keek ze aan en zei: ‘Bij mensen is het onmogelijk maar niet bij God, want bij God is alles mogelijk.’ Petrus zei toen tegen hem: ‘Maar wij hebben alles achtergelaten en zijn je gevolgd!’ Jezus zei: ‘Ik verzeker jullie: er is niemand die huis of broers of zussen of moeder of vader of kinderen of akkers voor mij en voor het goede nieuws heeft verlaten, die niet nu, in deze tijd, 100 keer meer zal krijgen — huizen, broers, zussen, moeders, kinderen en akkers, mét vervolging — en in het toekomstige tijdperk eeuwig leven. Maar velen van de eersten zullen de laatsten zijn, en de laatsten de eersten.’

Terwijl ze onderweg waren naar Jeruzalem, ging Jezus voor ze uit. De discipelen waren verbaasd, maar de mensen die hen volgden, werden ongerust. Opnieuw nam hij de twaalf apart en begon hun te vertellen wat hem allemaal zou overkomen: ‘Luister! We gaan naar Jeruzalem, en de Mensenzoon zal aan de overpriesters en de schriftgeleerden worden overgeleverd. Ze zullen hem ter dood veroordelen en aan de natiën overleveren. Die zullen hem bespotten, bespugen, geselen en doden. Maar drie dagen later zal hij opstaan.’

Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, kwamen naar hem toe en zeiden: ‘Meester, we willen graag dat je voor ons doet wat we je vragen.’ Hij vroeg: ‘Wat willen jullie dat ik voor je doe?’ Ze antwoordden: ‘Laat ons in je glorie naast je zitten, de een aan je rechter- en de ander aan je linkerhand.’ Maar Jezus antwoordde: ‘Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die ik drink of gedoopt worden met de doop waarmee ik word gedoopt?’ Ze zeiden: ‘Ja, dat kunnen we.’ Toen zei Jezus: ‘De beker die ik drink, zullen jullie drinken, en met de doop waarmee ik word gedoopt, zullen jullie worden gedoopt. Maar wie er aan mijn rechter- en aan mijn linkerhand mogen zitten, dat bepaal ik niet. Die plaatsen zijn voor degenen voor wie ze zijn bestemd.’

Toen de tien anderen dat hoorden, werden ze verontwaardigd op Jakobus en Johannes. Jezus riep ze bij zich en zei: ‘Jullie weten dat degenen die als regeerders van de volken gezien worden over hen heersen en dat hun leiders hun gezag laten gelden. Dat mag bij jullie niet zo zijn. Als iemand onder jullie groot wil zijn, moet hij jullie dienen, en als iemand onder jullie de eerste wil zijn, moet hij de slaaf zijn van allen. Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als een losprijs in ruil voor velen.’

Vervolgens kwamen ze in Jericho. Maar toen hij met zijn discipelen en een grote menigte uit Jericho wegging, zat er een blinde bedelaar langs de weg. Het was Bartimeüs (de zoon van Timeüs). Hij hoorde dat het Jezus de Nazarener was en begon te roepen: ‘Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij!’ Veel mensen snauwden hem toe dat hij zijn mond moest houden. Maar hij riep nog harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’ Jezus bleef staan en zei: ‘Roep hem.’ Ze riepen de blinde man en zeiden: ‘Houd moed! Sta op, hij roept je.’ Hij gooide zijn bovenkleed af, sprong overeind en ging naar Jezus toe. Jezus zei tegen hem: ‘Wat wil je dat ik voor je doe?’ De blinde man antwoordde: ‘Rabboni, laat me weer zien.’ Toen zei Jezus: ‘Ga, je geloof heeft je beter gemaakt.’ Meteen kon de man weer zien, waarna hij hem ging volgen.

Toen ze dicht bij Jeruzalem kwamen, bij Bethfagé en Bethanië op de Olijfberg, stuurde hij twee van zijn discipelen eropuit en zei tegen ze: ‘Ga het dorp in dat jullie daar zien. Zodra je er binnenkomt, zul je een vastgebonden veulen vinden waarop nog nooit iemand heeft gezeten. Maak het los en breng het hier. Als iemand vraagt: “Waarom doen jullie dat?”, zeg dan: “De Heer heeft het nodig en zal het meteen weer terugsturen.”’ Ze gingen op weg en vonden het veulen buiten in een zijstraat, vastgebonden bij een deur, en ze maakten het los. Maar een paar mensen die daar stonden, zeiden tegen ze: ‘Waarom maken jullie het veulen los?’ Ze vertelden wat Jezus had gezegd, en de mensen lieten hen gaan.Ze namen het veulen mee naar Jezus, legden hun bovenkleren eroverheen en hij ging erop zitten. Ook spreidden veel mensen hun bovenkleren op de weg uit, terwijl anderen in de velden takken met bladeren kapten. Degenen die vooropliepen en die achter hem aan kwamen, bleven roepen: ‘Red toch! Gezegend is degene die komt in Jehovah’s naam! Gezegend is het komende Koninkrijk van onze vader David! Red toch in de hoogste hoogten!’ Jezus kwam Jeruzalem binnen en ging de tempel in. Nadat hij alles in zich had opgenomen, ging hij met de twaalf de stad uit naar Bethanië, want het was al laat.

Toen ze de volgende dag uit Bethanië vertrokken, kreeg hij honger. In de verte zag hij een vijgenboom die in blad stond, en hij ging ernaartoe om te kijken of er iets aan zat. Maar toen hij bij de boom kwam, vond hij alleen bladeren, want het was niet de tijd voor vijgen. Daarop zei hij tegen de boom: ‘Vanaf nu zal niemand ooit nog vruchten van je eten.’ En zijn discipelen hoorden het.

Ze kwamen in Jeruzalem. Daar ging hij de tempel in en joeg iedereen weg die in de tempel kocht of verkocht. Hij gooide tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver. En hij liet niet toe dat iemand voorwerpen door de tempel droeg. Hij onderwees hen en zei: ‘Staat er niet geschreven: “Mijn huis zal een huis van gebed voor alle volken worden genoemd”? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!’ De overpriesters en de schriftgeleerden hoorden het en zochten naar een manier om hem uit de weg te ruimen. Maar ze waren bang voor hem, omdat de hele menigte diep onder de indruk was van zijn onderwijs.

Laat op de dag gingen ze de stad weer uit. Toen ze ’s morgens vroeg langs de vijgenboom kwamen, zagen ze dat die tot aan de wortels verdord was. Petrus herinnerde zich wat er eerder was gebeurd en zei tegen Jezus: ‘Rabbi, kijk! De vijgenboom die je hebt vervloekt, is verdord.’ Jezus zei toen tegen ze: ‘Heb geloof in God. Ik verzeker jullie: als je tegen deze berg zegt: “Kom van je plaats en stort je in zee” en niet twijfelt in je hart maar gelooft dat het zal gebeuren, dan zal het gebeuren. Daarom zeg ik jullie: heb bij alles waar je om bidt en vraagt, het geloof dat je het al gekregen hebt, en je zult het krijgen. En wanneer je staat te bidden en je iets tegen een ander hebt, vergeef hem dan, zodat je Vader in de hemel ook jou je fouten zal vergeven.’ ——

Ze kwamen opnieuw in Jeruzalem. Terwijl hij in de tempel rondliep, kwamen de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten naar hem toe en zeiden tegen hem: ‘Met welk recht doet u deze dingen? En wie heeft u dat recht gegeven?’ Jezus antwoordde: ‘Ik zal jullie één vraag stellen. Als jullie daarop antwoorden, zal ik jullie vertellen met welk recht ik deze dingen doe. Was de doop van Johannes uit de hemel of uit de mensen? Geef me daar eens antwoord op.’ Ze overlegden en zeiden tegen elkaar: ‘Als we zeggen: “Uit de hemel”, dan zal hij zeggen: “Waarom hebben jullie hem dan niet geloofd?” Maar durven we te zeggen: “Uit de mensen”?’ Ze waren bang voor het volk, want die geloofden allemaal dat Johannes echt een profeet was geweest. Daarom antwoordden ze: ‘We weten het niet.’ Toen zei Jezus: ‘Dan vertel ik jullie ook niet met welk recht ik deze dingen doe.’

Toen begon hij hen toe te spreken in illustraties: ‘Een man legde een wijngaard aan en zette er een omheining omheen. Hij groef een kuil voor een wijnpers en bouwde een toren. Vervolgens verhuurde hij de wijngaard aan wijnbouwers en vertrok naar het buitenland. In de oogsttijd stuurde hij een slaaf naar de wijnbouwers om wat vruchten van de wijngaard in ontvangst te nemen. Maar ze grepen hem, sloegen hem in elkaar en stuurden hem met lege handen weg. Hij stuurde een andere slaaf naar ze toe, en die sloegen ze op zijn hoofd en ze vernederden hem. Hij stuurde er nog een, en die doodden ze. Daarna stuurde hij vele anderen, van wie ze sommigen in elkaar sloegen en anderen doodden. Nu had hij alleen nog zijn geliefde zoon. Die stuurde hij als laatste naar ze toe. Hij zei: “Voor mijn zoon zullen ze respect hebben.” Maar die wijnbouwers zeiden tegen elkaar: “Daar is de erfgenaam. Laten we hem doden, dan is de erfenis voor ons!” Ze grepen hem, doodden hem en gooiden hem de wijngaard uit. Wat zal de eigenaar van de wijngaard doen? Hij zal komen en de wijnbouwers ombrengen, en hij zal de wijngaard aan anderen geven. Hebben jullie dit Schriftgedeelte nooit gelezen? “De steen die de bouwers hebben afgekeurd, is juist de belangrijkste hoeksteen geworden. Dit is afkomstig van Jehovah en het is in onze ogen een wonder.”’

Toen wilden ze hem grijpen, want ze begrepen dat die illustratie over hen ging. Maar omdat ze bang waren voor de mensen, lieten ze hem met rust en gingen weg.

Vervolgens stuurden ze enkele farizeeën en aanhangers van Herodes naar hem toe om hem op zijn woorden te vangen. Toen die bij hem kwamen, zeiden ze: ‘Meester, we weten dat u oprecht bent en dat u niemand naar de mond praat, want u gaat niet af op het uiterlijk, maar u onderwijst de waarheid over Gods weg. Is het toegestaan caesar belasting te betalen of niet? Moeten we betalen of niet?’ Hij doorzag hun huichelarij en zei tegen ze: ‘Waarom stellen jullie me op de proef? Breng me een denarius, zodat ik die kan bekijken.’ Ze gaven hem er een en hij zei tegen ze: ‘Van wie zijn de afbeelding en het opschrift?’ Ze antwoordden: ‘Van caesar.’ Toen zei Jezus: ‘Geef aan caesar wat van caesar is, maar aan God wat van God is.’ En ze stonden verbaasd over hem.

Nu kwamen de sadduceeën naar hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is. Ze vroegen: ‘Meester, Mozes heeft geschreven dat als iemands broer kinderloos sterft en een vrouw achterlaat, zijn broer met de weduwe moet trouwen en nakomelingen voor zijn broer moet verwekken. Er waren eens zeven broers. De eerste trouwde, maar overleed zonder kinderen te hebben gekregen. De tweede broer trouwde met de weduwe, maar stierf kinderloos, en zo ging het ook met derde broer. Geen van de zeven broers liet kinderen na. Uiteindelijk stierf ook de vrouw. Wie zal haar in de opstanding als vrouw krijgen? Want ze zijn alle zeven met haar getrouwd geweest.’ Jezus antwoordde: ‘Jullie zitten er helemaal naast. Dat komt doordat jullie de Schrift niet kennen en ook Gods kracht niet. Want wanneer mensen uit de dood opstaan, trouwen mannen niet en worden vrouwen niet uitgehuwelijkt, maar zijn ze als (hemelse) boodschappers in de hemel. Maar wat de opstanding van de doden betreft, hebben jullie in het boek van Mozes in het verslag over de doornstruik niet gelezen dat God tegen hem zei: “Ik ben de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob”? Hij is geen God van de doden, maar van de levenden. Jullie zitten er echt helemaal naast!’

Een van de schriftgeleerden was dichterbij gekomen en had de discussie gevolgd. Hij besefte dat Jezus hun een uitstekend antwoord had gegeven en vroeg hem: ‘Wat is het eerste van alle geboden?’ Jezus antwoordde: ‘Het eerste is: “Luister, Israël. Jehovah, onze God, is één Jehovah, en je moet Jehovah, je God, liefhebben met je hele hart, je hele ziel, je hele verstand en je hele kracht.” Het tweede is: “Je moet je naaste liefhebben als jezelf.” Er is geen gebod dat belangrijker is dan deze geboden.’ De schriftgeleerde zei tegen hem: ‘Meester, u hebt goed gesproken en wat u zegt is waar: “Hij is één, en buiten hem is er geen ander.” Hem liefhebben met je hele hart, je hele verstand en je hele kracht, en je naaste liefhebben als jezelf is veel meer waard dan alle volledige brandoffers en slachtoffers.’ Toen Jezus merkte dat de man een verstandig antwoord had gegeven, zei hij tegen hem: ‘Je bent niet ver van Gods Koninkrijk.’ Niemand durfde hem verder nog een vraag te stellen.

Maar Jezus vervolgde zijn onderwijs in de tempel en vroeg: ‘Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen dat de Gezalfde Davids zoon is? David zelf heeft door de heilige geest gezegd: “Jehovah heeft tegen mijn Heer gezegd: ‘Ga aan mijn rechterhand zitten totdat ik je vijanden aan je voeten leg.’” David zelf noemt hem Heer, dus hoe kan hij dan zijn zoon zijn?’

De vele aanwezigen luisterden graag naar hem. Terwijl hij aan het onderwijzen was, zei hij verder: ‘Pas op voor de schriftgeleerden. Ze lopen rond in lange gewaden en willen graag begroet worden op het marktplein. Ook zitten ze in de synagoge graag vooraan en willen ze de beste plaatsen hebben bij feestmaaltijden. Ze verslinden de huizen van de weduwen en zeggen voor de schijn lange gebeden op. Hun staat een strenger oordeel te wachten.’

Hij ging zo zitten dat hij de geldkisten kon zien en keek toe terwijl de mensen daar geld in deden. Er waren heel wat rijke mensen die er veel geld in gooiden. Toen kwam er een arme weduwe. Ze deed er twee kleine muntjes in die heel weinig waard waren. Hij riep zijn discipelen bij zich en zei: ‘Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft er meer in gedaan dan alle anderen die geld in de geldkisten hebben gegooid want al die anderen hebben iets gegeven van wat ze overhadden, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven wat ze had, alles waarvan ze moest leven.’

Terwijl hij de tempel uit ging, zei een van zijn discipelen tegen hem: ‘Meester, kijk eens! Wat een prachtige stenen en gebouwen!’ Maar Jezus zei tegen hem: ‘Zie je die grote gebouwen? Er zal hier niet één steen op de andere blijven. Alles zal worden afgebroken.’

Toen hij op de Olijfberg zat, tegenover de tempel, vroegen Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas hem terwijl er verder niemand bij was: ‘Zeg ons: Wanneer zal dat allemaal gebeuren? En wat zal het teken zijn dat er een eind komt aan al deze dingen?’ Jezus begon uit te leggen: ‘Pas op dat niemand je misleidt. Er zullen velen komen die mijn naam gebruiken en zeggen: “Ik ben het”, en ze zullen veel mensen misleiden. En als jullie horen van oorlogen en berichten van oorlogen, raak dan niet in paniek. Die dingen moeten gebeuren, maar het is nog niet het einde.

Want het ene volk zal strijden tegen het andere, en het ene koninkrijk tegen het andere. In de ene plaats na de andere zullen aardbevingen zijn, en er zullen ook voedseltekorten zijn. Die dingen zijn het begin van de weeën.

En jullie, let goed op jezelf. Mensen zullen jullie aan rechtbanken overleveren, en jullie zullen geslagen worden in synagogen en voor bestuurders en koningen terechtstaan ter wille van mij, als een getuigenis voor hen. Ook moet eerst tot alle volken het goede nieuws worden gepredikt. Wanneer ze je komen halen om je over te leveren, maak je dan van tevoren geen zorgen over wat je moet zeggen, maar zeg wat je op dat moment wordt ingegeven. Want wat je zegt, komt niet uit jezelf, maar het is de heilige geest die spreekt. Ook zal de ene broer de andere overleveren om gedood te worden, en een vader zijn kind, en kinderen zullen zich tegen hun ouders keren en hen laten doden. En jullie zullen vanwege mijn naam door alle mensen worden gehaat. Maar wie volhardt tot het einde zal worden gered.

Maar wanneer jullie het walgelijke ding dat verwoesting veroorzaakt, zien staan waar het niet hoort (lezer, gebruik inzicht), moeten degenen die in Judea zijn naar de bergen vluchten. Wie op het dak is, moet niet naar beneden gaan en zijn huis binnengaan om er iets uit te halen, en wie op het veld is, moet niet teruggaan naar de dingen die hij heeft achtergelaten en zijn bovenkleed ophalen. Wee de vrouwen die in die tijd zwanger zijn of een kind aan de borst hebben! Blijf bidden dat het niet in de winter gebeurt. Want die dagen zullen een tijd van verdrukking zijn zoals er sinds het begin van Gods schepping tot die tijd niet is voorgekomen en nooit meer zal voorkomen. Als Jehovah die tijd niet had verkort, zou niemand worden gered. Maar ter wille van de uitverkorenen, die hij heeft gekozen, heeft hij die tijd verkort.

Als iemand dan tegen jullie zegt: “Kijk! Hier is de Gezalfde” of: “Kijk, daar is hij!”, moeten jullie het niet geloven. Want er zullen valse Gezalfden *) en valse profeten verschijnen, die tekenen en wonderen zullen doen in een poging de uitverkorenen te misleiden. Pas dus op. Ik heb jullie alles van tevoren gezegd.

Maar in die periode, na die verdrukking, zal de zon worden verduisterd en zal de maan geen licht meer geven. De sterren zullen uit de hemel vallen en de krachten die in de hemel zijn, zullen worden geschud. En dan zullen ze de Mensenzoon in de wolken zien komen met grote kracht en majesteit. En dan zal hij de (hemelse) boodschappers eropuit sturen en zal hij zijn uitverkorenen bijeenbrengen uit de vier windstreken, van het uiteinde van de aarde tot het uiteinde van de hemel.

Leer de volgende les van de vijgenboom: als de nieuwe takken uitlopen en er blaadjes aan komen, weet je dat het bijna zomer is. Zo weten jullie ook, als jullie die dingen zien gebeuren, dat hij voor de deur staat. Ik verzeker jullie dat deze generatie niet zal verdwijnen voordat al die dingen gebeuren. Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden zullen nooit verdwijnen.

Van die dag of dat uur weet niemand iets af, ook de (hemelse) boodschappers in de hemel en de Zoon niet, maar alleen de Vader. Let op en blijf wakker, want jullie weten niet wanneer de vastgestelde tijd is. Het is als met een man die naar het buitenland ging. Hij liet zijn huis in het beheer van zijn slaven achter en gaf elk zijn eigen taak. En hij gaf de deurwachter de opdracht waakzaam te zijn. Blijf dus waakzaam, want jullie weten niet wanneer de meester van het huis komt: ’s avonds of om middernacht of bij het kraaien van de haan of vroeg in de morgen. Zorg ervoor dat hij jullie niet slapend aantreft als hij plotseling komt. Wat ik tegen jullie zeg, zeg ik tegen iedereen: blijf waakzaam.’

Het was twee dagen voor het Pascha en het Feest van het Ongezuurde Brood. De overpriesters en de schriftgeleerden zochten naar een manier om hem door middel van een list gevangen te nemen en hem te doden. Want ze zeiden: ‘Niet op het feest, anders komt het volk misschien in opstand.’

Toen hij in Bethanië in het huis van Simon de melaatse een maaltijd gebruikte, kwam er een vrouw met een albasten kruikje geurige olie, echte en zeer kostbare nardusolie. Ze brak het kruikje open en goot de olie over zijn hoofd. Sommigen zeiden verontwaardigd tegen elkaar: ‘Waar was de verspilling van die geurige olie goed voor? Want de olie had voor meer dan 300 denarii verkocht kunnen worden, en dat geld had aan de armen gegeven kunnen worden!’ En ze vielen tegen haar uit. Maar Jezus zei: ‘Laat haar. Waarom maken jullie het haar zo moeilijk? Ze heeft iets goeds voor mij gedaan. Arme mensen zullen er altijd zijn, en daar kun je iets goeds voor doen wanneer je maar wilt, maar ik zal niet altijd bij jullie zijn. Ze heeft gedaan wat ze kon. Ze heeft alvast geurige olie over mijn lichaam uitgegoten als voorbereiding op mijn begrafenis. Ik verzeker jullie: overal in de wereld waar het goede nieuws wordt gepredikt, zal ook als herinnering aan deze vrouw worden verteld wat ze heeft gedaan.’

Judas Iskariot, één van de twaalf, ging naar de overpriesters om Jezus aan hen te verraden. Ze waren opgetogen toen ze dat hoorden en beloofden hem zilverstukken te geven. Hij begon dus te zoeken naar een gelegenheid om hem te verraden.

Op de eerste dag van het Feest van het Ongezuurde Brood, de dag waarop het paschaoffer wordt geslacht, zeiden zijn discipelen tegen hem: ‘Waar wil je dat we voorbereidingen gaan treffen zodat je de paschamaaltijd kunt eten?’ Hij stuurde twee van zijn discipelen eropuit en zei tegen ze: ‘Ga de stad in. Er zal jullie een man tegemoetkomen die een waterkruik draagt. Volg hem, en waar hij binnengaat, moeten jullie tegen de eigenaar van het huis zeggen: “De Meester vraagt: ‘Waar is het gastenvertrek waar ik met mijn discipelen de paschamaaltijd kan eten?’” Hij zal jullie dan boven een grote kamer laten zien die ingericht en klaar is. Tref daar de voorbereidingen.’ De discipelen gingen op weg. Ze kwamen in de stad en vonden het precies zoals hij hun had gezegd. En ze maakten alles klaar voor het Pascha.

Toen het avond was geworden, kwam hij met de twaalf. Nadat ze aan tafel waren gegaan, zei Jezus tijdens de maaltijd: ‘Ik verzeker jullie: één van jullie die met mij eet, zal mij verraden.’ Ze werden bedroefd en de een na de ander vroeg hem: ‘Ik ben het toch niet?’ Hij zei tegen ze: ‘Het is één van de twaalf, degene die zijn hand met mij in de schaal doopt. Want de Mensenzoon zal weggaan, zoals er over hem staat geschreven. Maar wee degene door wie de Mensenzoon wordt verraden! Die man had beter niet geboren kunnen worden.’

Terwijl ze verder aten, nam hij een brood. Hij sprak een zegen uit, brak het en gaf het aan hen. Hij zei: ‘Neem het, dit betekent mijn lichaam.’ Toen nam hij een beker. Hij sprak een dankgebed uit en gaf hun de beker, en ze dronken er allemaal uit. Hij zei tegen ze: ‘Dit betekent mijn “bloed van het verbond”, dat voor velen vergoten zal worden. Ik verzeker jullie: vanaf nu zal ik niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken tot de dag waarop ik nieuwe wijn zal drinken in Gods Koninkrijk.’ Uiteindelijk gingen ze na het zingen van lofzangen naar buiten, naar de Olijfberg.

Jezus zei tegen ze: ‘Jullie zullen allemaal struikelen, want er staat geschreven: “Ik zal de herder slaan, en de schapen zullen uiteengejaagd worden.” Maar nadat ik uit de dood ben opgewekt, zal ik vóór jullie uit naar Galilea gaan.’ Daarop zei Petrus: ‘Ook al struikelen alle anderen, ik niet.’ Jezus zei tegen hem: ‘Ik verzeker je: vandaag, deze nacht nog, voordat een haan twee keer kraait, zul je drie keer zeggen dat je mij niet kent.’ Maar Petrus hield vol: ‘Ook al zou ik met je moeten sterven, ik zal nooit zeggen dat ik je niet ken.’ Alle anderen zeiden hetzelfde.

Toen kwamen ze bij een plek die Gethsemané heette, en hij zei tegen zijn discipelen: ‘Ga hier zitten terwijl ik bid.’ Vervolgens nam hij Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee. Hij voelde diepe bezorgdheid en grote ongerustheid opkomen. Hij zei tegen ze: ‘Ik ben dodelijk bedroefd. Blijf hier waken.’ En hij liep een eindje verder en liet zich op de grond vallen. Hij bad of het uur zo mogelijk aan hem voorbij mocht gaan. Toen zei hij: ‘Abba, Vader, voor u is alles mogelijk. Neem deze beker van mij weg. Maar niet wat ik wil, maar wat u wilt.’ Hij ging terug en zag dat ze lagen te slapen. Hij zei tegen Petrus: ‘Simon, slaap je? Had je niet de kracht om één uur met mij te waken? Blijf waakzaam en bid voortdurend, zodat jullie niet toegeven aan verleiding. De geest is natuurlijk gewillig, maar het vlees is zwak.’ Toen ging hij weer weg om te bidden, en hij zei daarbij dezelfde dingen. Hij ging opnieuw terug en ook nu sliepen ze, want ze konden hun ogen niet openhouden. En ze wisten niet wat ze tegen hem moesten zeggen. De derde keer dat hij terugkwam, zei hij tegen ze: ‘Het is nu toch niet de tijd om te slapen en te rusten? Het is genoeg. Het uur is gekomen! De Mensenzoon wordt verraden en aan zondaars overgeleverd. Sta op, laten we gaan. Kijk! Mijn verrader komt eraan.’

Hij was nog niet uitgesproken of Judas, één van de twaalf, kwam eraan. Hij had een hele menigte met zwaarden en knuppels bij zich, die door de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten was gestuurd. Zijn verrader had een teken met hen afgesproken. Hij had gezegd: ‘Degene die ik kus, die is het. Neem hem gevangen en voer hem onder bewaking weg.’ Hij ging recht op Jezus af en zei: ‘Rabbi!’ Toen kuste hij hem teder. Ze grepen Jezus en namen hem gevangen. Een van de omstanders trok zijn zwaard, haalde uit naar de slaaf van de hogepriester en sloeg hem zijn oor af. Maar Jezus zei tegen ze: ‘Zijn jullie met zwaarden en knuppels gekomen om me gevangen te nemen alsof ik een misdadiger ben? Dag in dag uit was ik bij jullie in de tempel aan het onderwijzen, en toen hebben jullie me niet opgepakt. Maar dit gebeurt zodat de Schrift in vervulling gaat.’

Ze lieten hem allemaal in de steek en vluchtten. Een jonge man, die alleen een fijn linnen kleed aanhad, volgde hem op korte afstand, en ze probeerden hem te grijpen. Maar hij liet zijn linnen kleed achter en vluchtte naakt weg.

Ze brachten Jezus naar de hogepriester, en alle overpriesters, de oudsten en de schriftgeleerden kwamen bij elkaar. Maar Petrus volgde hem op een flinke afstand tot aan de binnenplaats van de hogepriester. Hij ging bij de bedienden zitten en warmde zich bij het vuur. Ondertussen zochten de overpriesters en het hele Sanhedrin naar getuigenverklaringen tegen Jezus om hem ter dood te kunnen brengen, maar ze vonden er geen. Wel legden velen een vals getuigenis tegen hem af, maar hun verklaringen kwamen niet overeen. Ook stonden er een paar getuigen op die de volgende valse verklaring tegen hem aflegden: ‘We hebben hem horen zeggen: “Ik zal deze tempel die door mensenhanden is gemaakt, afbreken en in drie dagen een andere bouwen, die niet door mensenhanden is gemaakt.”’ Maar ook op dit punt kwamen hun verklaringen niet overeen.

Toen stond de hogepriester in hun midden op en vroeg Jezus: ‘Geef je geen antwoord? Hoor je niet waar ze je van beschuldigen?’ Maar hij bleef zwijgen en antwoordde niet. De hogepriester ondervroeg hem opnieuw en zei: ‘Ben jij de Gezalfde, de Zoon van de Gezegende?’ Jezus zei: ‘Ik ben het. En jullie zullen de Mensenzoon aan de rechterhand van macht zien zitten en hem met de wolken van de hemel zien komen.’ Toen scheurde hogepriester zijn kleren en riep uit: ‘Waarvoor hebben we nog getuigen nodig? Jullie hebben zijn godslastering gehoord. Wat is jullie vonnis?’ Ze waren allemaal van oordeel dat hij de dood verdiende. Sommigen bespuugden hem, bedekten zijn gezicht en stompten hem terwijl ze zeiden: ‘Profeteer!’ De gerechtsdienaren sloegen hem in het gezicht en namen hem mee.

Terwijl Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam daar een van de dienstmeisjes van de hogepriester. Toen ze Petrus zag, die zich stond te warmen, keek ze hem aan en zei: ‘Jij was ook bij die Jezus de Nazarener.’ Maar hij ontkende het en zei: ‘Ik ken hem niet. Ik weet niet waar je het over hebt.’ Vervolgens ging hij weg, naar het portaal. Toen het dienstmeisje hem daar zag, begon ze opnieuw en zei tegen de omstanders: ‘Hij hoort ook bij hen.’ Hij ontkende het weer. Even later zeiden ook de omstanders tegen Petrus: ‘Ja, jij hoort ook bij hen. Trouwens, je bent een Galileeër.’ Maar hij begon te vloeken en te zweren: ‘Ik ken die man niet over wie jullie het hebben.’ Onmiddellijk kraaide een haan voor de tweede keer. Toen herinnerde Petrus zich dat Jezus tegen hem had gezegd: ‘Voordat een haan twee keer kraait, zul je drie keer zeggen dat je mij niet kent.’ En hij barstte in tranen uit.

Zodra het ochtend werd, kwamen de overpriesters met de oudsten en de schriftgeleerden — het hele Sanhedrin — bij elkaar om te overleggen. Ze boeiden Jezus, leidden hem weg en leverden hem over aan Pilatus. Pilatus vroeg hem: ‘Bent u de Koning van de Judeeërs?’ Hij antwoordde: ‘U zegt het zelf.’ Maar de overpriesters kwamen met allerlei beschuldigingen. Pilatus ondervroeg hem opnieuw en zei: ‘Hebt u hier niets op te zeggen? U hoort toch waar ze u allemaal van beschuldigen?’ Maar Jezus zei niets meer, wat Pilatus erg verbaasde.

Pilatus had de gewoonte om op elk feest één gevangene vrij te laten op verzoek van het volk. Op dat moment zat er een man gevangen die Barabbas heette. Hij zat vast met de rebellen, die bij het oproer een moord hadden gepleegd. De menigte kwam naar Pilatus toe en vroeg hem om te doen wat hij altijd voor hen deed. Hij antwoordde: ‘Willen jullie dat ik de Koning van de Judeeërs vrijlaat?’ Pilatus wist namelijk dat de overpriesters hem uit jaloezie hadden overgeleverd. Maar de overpriesters stookten het volk op om te vragen of hij in plaats daarvan Barabbas wilde vrijlaten. Toen zei Pilatus tegen ze: ‘Wat zal ik dan doen met de man die jullie de Koning van de Judeeërs noemen?’ Ze riepen opnieuw: ‘Aan de paal met hem!’ Daarop zei Pilatus tegen ze: ‘Waarom? Wat voor slechts heeft hij gedaan?’ Maar ze schreeuwden nog harder: ‘Aan de paal met hem!’ Omdat Pilatus de menigte tevreden wilde stellen, liet hij Barabbas vrij. Hij liet Jezus zweepslagen geven en leverde hem over om aan een paal gehangen te worden.

De soldaten brachten Jezus naar de binnenplaats van het verblijf van de gouverneur, en ze riepen de hele legerafdeling bij elkaar. Ze deden hem een purperen gewaad aan, vlochten een doornenkroon en zetten hem die op. Ze begonnen naar hem te roepen: ‘Gegroet, Koning van de Judeeërs!’ Ook sloegen ze hem met een rieten stok op zijn hoofd, bespuugden hem, vielen op hun knieën en bogen zich voor hem neer. Nadat ze hem belachelijk hadden gemaakt, namen ze hem uiteindelijk het purperen gewaad weer af en deden hem zijn bovenkleren aan. Daarna leidden ze hem weg om hem aan een paal te hangen. En ze dwongen een voorbijganger die net van het land kwam om Jezus’ martelpaal te dragen. Het was Simon uit Cyrene, de vader van Alexander en Rufus.

Ze brachten hem naar de plaats die Golgotha wordt genoemd, wat ‘schedelplaats’ betekent. Hier wilden ze hem wijn geven die vermengd was met mirre, maar hij nam die niet aan. Ze hingen hem aan een paal en verdeelden zijn bovenkleren door het lot te werpen. Zo bepaalden ze wie wat zou krijgen. Het was het derde uur toen ze hem aan een paal hingen. Het opschrift met de aanklacht tegen hem luidde: ‘De Koning van de Judeeërs’. Er werden ook twee misdadigers aan palen naast hem gehangen, één rechts en één links van hem. —— De voorbijgangers liepen hoofdschuddend langs en zeiden spottend: ‘Ha! Jij zou de tempel toch afbreken en in drie dagen opbouwen? Red jezelf en kom van de martelpaal af.’ Ook de overpriesters en de schriftgeleerden maakten hem belachelijk. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Anderen heeft hij gered, maar zichzelf kan hij niet redden! Laat de Gezalfde, de Koning van Israël, maar van de martelpaal af komen, zodat we het zien en geloven.’ Zelfs degenen die naast hem aan een paal hingen, bespotten hem.

Toen het zesde uur aanbrak, viel er een duisternis over het hele land, tot het negende uur. Op het negende uur riep Jezus luid: ‘Eli, Eli, lama sabachthani?’ Dat betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ Toen sommige omstanders dat hoorden, zeiden ze: ‘Hoor, hij roept Elia.’ Iemand rende weg, doopte een spons in zure wijn, stak die op een rieten stok en gaf Jezus te drinken, terwijl hij zei: ‘Laat hem toch. Dan zullen we zien of Elia hem eraf komt halen.’ Maar Jezus slaakte een luide kreet en blies de laatste adem uit. En het gordijn van het heiligdom scheurde van boven tot onder in tweeën. Toen de legerofficier die tegenover hem stond, zag onder welke omstandigheden hij stierf, zei hij: ‘Deze man was echt Gods Zoon!’

Er stonden ook vrouwen op een afstand toe te kijken, onder wie Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus de Mindere en van Joses, en Salomé, die in Galilea steeds met hem waren meegegaan om hem van dienst te zijn, en veel andere vrouwen die met hem waren meegekomen naar Jeruzalem.

Het was al laat in de middag, en omdat het voorbereidingsdag was, de dag vóór de sabbat, raapte Jozef van Arimathea — een vooraanstaand lid van de Raad, die zelf ook het Koninkrijk van God verwachtte — al zijn moed bij elkaar, ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. Maar het verbaasde Pilatus dat hij al dood zou zijn. Daarom liet hij de legerofficier bij zich komen en vroeg hem of Jezus al gestorven was. Nadat de legerofficier dat bevestigd had, gaf Pilatus het lichaam aan Jozef. Die kocht fijn linnen, nam hem van de martelpaal af en wikkelde hem in het fijne linnen. Daarna legde hij hem in een graf dat in de rotsen was uitgehakt. Toen rolde hij een steen voor de ingang van het graf. Maar Maria Magdalena en Maria, de moeder van Joses, bleven kijken naar de plaats waar hij was neergelegd.

Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus, en Salomé specerijen om zijn lichaam ermee in te wrijven. Op de eerste dag van de week, toen de zon was opgekomen, kwamen ze heel vroeg bij het graf. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?’ Maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold, hoewel die heel groot was. Ze gingen het graf binnen en zagen rechts een jonge man zitten in een wit gewaad. Ze schrokken vreselijk, maar hij zei tegen ze: ‘Schrik niet. Jullie zoeken Jezus de Nazarener, die aan een paal is gehangen. Hij is uit de dood opgewekt. Hij is hier niet. Kijk, hier is de plek waar ze hem hadden neergelegd. Ga tegen zijn discipelen en Petrus zeggen: “Hij gaat vóór jullie uit naar Galilea en daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie heeft gezegd.”’ Toen ze naar buiten kwamen, vluchtten ze bevend en overstuur weg van het graf. Ze vertelden niemand iets, want ze waren heel bang.

_____
*) Strong's Concordance 5580:

ψευδόχριστος, ψευδοχριστου, ὁ (ψευδής and χριστός), een valse Christus (Gezalfde) (iemand die valselijk de naam en autoriteit van de Gezalfde claimt): Mattheüs 24:24; Markus 13:22.